Zaterdag 16/01/2021

Interview

Ilja Leonard Pfeijffer: ‘No way dat ik mijn leven als beroepsdrinker tijdens de quarantaine gewoon had kunnen voortzetten’

Ilja Leonard Pfeijffer: ‘Ironie was niet het stijlmiddel waarmee ik de vreselijke waarheid recht kon doen. Ik moest opschrijven wat er gebeurde.’Beeld Joris Casaer

De coronacrisis maakte hem vleugellam. Het enige wat Ilja Leonard Pfeijffer (52) lukte, was een dagboek bijhouden over zijn quarantaine in Italië. En daarin valt maar bitter weinig te lachen. ‘Het is gewoon erg dom om stoer te doen.’

Via een Zoom-verbinding geeft Ilja Leonard Pfeijffer een rondleiding in zijn nieuwe stulp. Eerst richt hij zijn smartphone op de stoel waarop hij zich straks zal neervlijen om de eerste aanzetten van nieuwe romans, gedichten en essays toe te vertrouwen aan het ‘opschrijfboekje’ dat al op de grote, antieke tafel voor hem klaarligt. Het is geen stoel maar een troon uit verguld houtsnijwerk.

Vandaar glijdt het beeld naar de chaise longue waarop hij zijn toekomstig oeuvre eerst bij elkaar zal dromen. Ook dat is een antiquiteit, met een cilindervormig rugkussen en een zitting uit cognackleurig kalfsleder, op het eerste gezicht slechts licht gecraqueleerd onder het gewicht van de dichters en denkers die hem erop zijn voorgegaan.

BIO • geboren op 17 januari 1968 in Rijswijk • Nederlandse dichter, classicus, schrijver • kreeg in 2014 de Libris Literatuurprijs voor La Superba, een ode aan de stad Genua • zijn succesvolle roman Grand Hotel Europa werd genomineerd voor de Libris Literatuur-prijs 2019 • woont met zijn vriendin Stella Seitun in Genua 

In een hoek staat een bronzen borstbeeld van Homeros op een marmeren zuil. Aan de muren een altaarstuk van de Moeder Gods als koningin van Genua en tal van andere genrestukken uit de renaissance en de barok. Een open haard. Een waanzinnig mooie mozaïekvloer. Een plafond met fresco’s en trompe-l’oeils.

En zo is het niet alleen in de nieuwe schrijfkamer, zo is het in elke kamer die hij in- en uitloopt: de zitkamer, de studeerkamer van zijn levensgezellin, de eetkamer met daarachter het haast futuristische, koperkleurige kookeiland. Alle vertrekken zijn met elkaar verbonden en geven via metershoge ramen uit op vier balkons. Alleen de badkamers, de garderobe en de slaapkamer zitten achterin.

Onder een mezzanine die met donkerhouten, gesculpteerde pilaren uit een Duitse kerk gestut wordt, bevindt zich het zwevende bed. Het is nog niet opgemaakt.

Maar tegen de tijd dat u dit leest, zullen Ilja Leonard Pfeijffer en Stella Seitun ook hun kleren en boeken hebben verhuisd en officieel op de piano nobile van het Palazzo Bendinelli-Sauli resideren, het stadspaleis tegenover de Cattedrale di San Lorenzo, waar ooit de doge van Genua hof hield.

De Nederlandse schrijver, die de stad via haar grauwste stegen, in gerafelde kleren en in een beroerde mentale en fysieke staat binnensloop, is nu een van haar voorname ingezetenen. “Ik maak me sterk dat op deze plek mooie, krullende volzinnen uit mijn pen zullen vloeien”, grijnst Ilja Leonard Pfeijffer.

Na het succesjaar van Grand Hotel Europa, zijn voorlopige magnum opus (250.000 verkochte exemplaren in het Nederlandse taalgebied, twintig vertalingen), was 2020 voor Ilja Leonard Pfeijffer geen boerenjaar. De coronapandemie verlamde hem volledig. Tot nieuwe fictie of poëzie was hij niet in staat. Het enige wat wel lukte, was schrijven over de pandemie, in de vorm van dagelijkse columns voor de Nederlandse krant NRC Handelsblad en De Standaard. Die dagboekfragmenten zijn nu gebundeld in het boek Quarantaine. Het is een tijdsdocument dat ons nog lang zal herinneren aan het jaar dat we zo snel mogelijk willen vergeten.

Vaag meen ik mij te herinneren dat Ilja Leonard Pfeijffer aanvankelijk een van die profeten was die het coronavirus als een ordinair griepje wegzette.

“Dat klopt. Tot mijn schade en schande moet ik toegeven dat ik het virus totaal verkeerd heb ingeschat. Ik troost mij met de gedachte dat ik zeker niet de enige was. In februari 2020 heb ik nog een badinerende column geschreven voor HP/De Tijd, waarin ik de paniek in Italië misprijzend als massahysterie in het land van de hypochonders afdeed. Maar toen begonnen er om mij heen mensen dood te gaan en begreep ik dat ik een kolossale inschattingsfout had gemaakt. Ik hoop dat het feit dat ik die fout snel heb ingezien, nog enigszins in mijn voordeel pleit.”

Bent u doelbewust met die columns begonnen om ze nadien samen te voegen tot een dagboek-in-tijden-van-besmetting?

“Helemaal niet. Aanvankelijk hoopte ik vurig dat ik niet aan genoeg materiaal zou komen voor een boek. Ik wilde verslag uitbrengen zo lang de noodsituatie duurde. Maar toen ging Italië in totale lockdown. Dat was heel verregaand en ingrijpend. Iets wat mijn landgenoten in Nederland en jullie in België trouwens niet hebben meegemaakt: 68 dagen opgesloten zitten in je eigen huis, alleen maar de straat op mogen voor strikt noodzakelijke boodschappen, politiepatrouilles die door de straten liepen om elke beweging die je maakte te controleren. Heftig, hoor.

“Kijk, dit was niet de eerste pandemie waaraan de mensheid ten prooi viel, maar het was wel de eerste waarop wereldwijd met lockdowns in alle mogelijke gradaties werd gereageerd. Of zoals de Italiaanse premier Giuseppe Conte het uitdrukte: dit was onze afspraak met de geschiedenis. Dat klonk heel dramatisch, bijna dystopisch, maar het bleek wel te kloppen. Toen voelde ik ineens wél de aandrang om een en ander te notuleren voor het nageslacht.

“Want ik denk dat we ons over luttele jaren nauwelijks nog zullen kunnen voorstellen hoe deze periode geweest is. De pandemie kwam out of the blue, totaal onaangekondigd, en ik verwacht dat ze evenmin tot een radicaal andere wereld zal leiden. Het is gewoon een periode van stilstand, die zich niet al te diep in ons geheugen zal nestelen. We gaan dit snel vergeten, vrees ik. Zodra het voorbij is, zal het groot feest zijn.

“En ik had ook nog een ander motief om dat dagboek lang genoeg aan te houden: ik wilde mijn nonchalante landgenoten inlichten over wat er in Italië gaande was. Toen in Italië de lijken al met legervoertuigen naar de begraafplaatsen werden gevoerd, leefde Nederland nog volop in ontkenning. Het Boekenbal werd gehouden! Schrijvers kusten, konkelfoesden en dansten alsof er niks aan de hand was!”

Heeft de Italiaanse regering een strategische fout gemaakt door die eerste lockdown zo streng te maken? Door als enige land ter wereld nagenoeg het hele volk te veroor­delen tot eenzame opsluiting? Wij mochten ook van alles niet, maar we mochten ten­minste wel naar buiten.

“Hm, ik denk dat het gewoon noodzakelijk was. Die maatregelen werden trouwens breed gedeeld door de bevolking. De situatie was gewoon te ernstig, vooral in het noorden. Er waren geen alternatieven meer. Ik ben geen idolate fan van de regering-Conte, maar ik heb wel bewondering voor hoe die de covid­uitbraak in het voorjaar heeft aangepakt: met grote voortvarendheid en met heldere communicatie. Met als gevolg dat Italië tegen de zomer een van de beste leerlingen van de Europese klas was. De Nederlandse premier Mark Rutte had daar iets van kunnen leren. Heeft hij niet gedaan.”

Was die strenge aanpak noodzakelijk omwille van wie de Italianen zijn: van nature ongedisciplineerd en geneigd tot samen­scholen op de piazza?

“Ik ben er niet zo zeker van dat volksaard hier een rol heeft gespeeld. Ik geloof juist dat de Italianen tijdens deze crisis tot de meest gedisciplineerde volkeren van Europa en de wereld behoorden. En ik heb me buitenmate geërgerd aan hoe het in Nederland ging: Rutte die weigerde strenge maatregelen af te kondigen omdat ie de bevolking zogezegd op haar verantwoordelijkheid wilde aanspreken.

'No way dat ik mijn leven als beroepsdrinker tijdens de quarantaine gewoon had kunnen voortzetten.’Beeld Joris Casaer

“Ik denk dat we inmiddels mogen concluderen dat dat een mislukking is geworden. De harde, duidelijke lijn van Italië zou ook voor tal van andere landen niet zo gek zijn geweest. Alleen zo krijg je de besmettingscijfers omlaag. In Nederland hebben ze pas sinds 1 december een beperkte mondkapjesplicht, na bijna negen maanden van geaarzel en gezeur. Dat is toch te bespottelijk voor woorden?

“Ik geef wel eerlijk toe dat ik tijdens die strenge lockdown ook voortdurend heen en weer werd geslingerd tussen verschillende gevoelens. Enerzijds was ik ervan overtuigd dat het niet alleen noodzakelijk, maar ook goed, nobel en solidair was om onszelf in quarantaine op te sluiten. Anderzijds bekroop me soms het gevoel dat de remedie misschien erger was dan de kwaal.

“De enige juiste conclusie is volgens mij dat we het onmogelijk goed hadden kunnen doen. De quarantaine was buitengewoon schadelijk, maar geen quarantaine zou hoogstwaarschijnlijk nog schadelijker zijn geweest. Het beste dat we hadden kunnen doen, was natuurlijk de verspreiding van het virus voorkomen. Maar zodra we ons bewust waren van de vernietigende kracht ervan, was het daar helaas te laat voor.”

Wordt er in Italië minder gemopperd en minder gefulmineerd tegen de ‘gezond­heids­dictatuur’?

“De mopperaars hebben pas onlangs de overhand gekregen. Er is veel woede en frustratie over de seconda ondata: de tweede golf met de bijbehorende tweede lockdown. Met als gevolg dat de solidariteit, die het land door de eerste golf heeft geholpen, voor een stuk is verdampt. Mensen zijn boos: op de overheid die die tweede uitbraak niet heeft kunnen voorkomen, op hun medeburgers die in de zomer met vakantie zijn geweest, die feest hebben gevierd of zich anderszins onverantwoordelijk hebben gedragen.

“Het is ook heel zuur voor veel mensen. Neem de horeca, een sector die ik van nabij in de gaten heb kunnen houden omdat ik in het epicentrum van het Genuese uitgaansleven woonde: Piazza delle Erbe. De horeca heeft hier onnoemelijk veel moeite, tijd en geld geïnvesteerd om zich rigoureus aan alle veiligheidsmaatregelen te kunnen houden, en toch werden bars en restaurants als eerste weer gesloten. Dus, ik acht de kans klein dat er nog veel mensen bereid zullen zijn om straks weer aria’s op hun balkon te gaan zingen, elke dag om zes uur ’s avonds. Het gevoel van samenhorigheid is goeddeels weg.”

Op het hoogtepunt van de eerste golf noemde u de pandemie in Humo ‘mogelijke brandstof voor een ouderwetse socialistische revolte’. Dat is er niet van gekomen.

“Nee. Al blijf ik hopen dat de pandemie zal leiden tot grondige maatschappelijke reflectie. Bijvoorbeeld tot het inzicht dat solidariteit en sterke collectieve voorzieningen essentieel zijn om rampen als deze in de toekomst te vermijden. En dat we dus niet zo snel mogelijk moeten terugkeren naar hoe het was, want de samenleving en de economie in haar oude glorie herstellen zal niet volstaan.

“Ik ben niet pessimistisch. Ik stel vast dat er over het algemeen nu meer vertrouwen is in de overheid, meer steun voor de maatregelen dan velen hadden verwacht, en meer vertrouwen in de wetenschap dan we in lange tijd hebben gezien.

“En wat die ‘brandstof’ betreft: die zal niet geleverd worden door de lockdowns en de stilstand, maar door de sociale en economische misère die er het gevolg van is. Met het opmeten van die schade moeten we nog beginnen.”

Maar...

“Ik weet wat je gaat zeggen: de pandemie heeft ook aanleiding gegeven tot hardnekkige complottheorieën en heel veel fake news. Dat is waar. Ook de conservatieve krachten en de negationisten hebben er brandstof aan ontleend. Het is nog te vroeg om te weten of we uiteindelijk de juiste lessen gaan trekken.”

Heeft de pandemie u iets geleerd over de mens en de mensheid dat u nog niet wist?

(denkt na) “Niet zozeer iets wat ik nog niet wist, wel iets wat ik voorheen te wéínig besefte: dat er grenzen zijn aan de vrijheid. Dat individuele vrijheid die op niks anders stoelt dan op egoïsme en eigenbelang, geen echte vrijheid mag heten. Dat is voor mij de meest waardevolle les. Vrijheid komt met verantwoordelijkheid. Vrijheid betekent: bij alles wat je doet, rekening houden met de ander.”

Zegt u zonder een zweem van ironie, als een leraar moraal. Dat was ook een klacht over uw quarantainecolumns: dat ze zo bloed­serieus waren, dat u schreef als de boek- houder van de tragiek die zich ontrolde.

“Ja, met name mijn zusje klaagde daarover, dat er zo weinig te lachen viel. De omstandigheden waren er niet naar om uitgebreid ironisch te zitten doen, vond ik. Ironie was niet het stijlmiddel waarmee ik de vreselijke waarheid recht kon doen. Ik moest opschrijven wat er gebeurde, verslag uitbrengen van wat ik om mij heen zag, hoe het virus levens beëindigde en levens verwoestte. Het zou niet gepast zijn geweest om bij voortduring te proberen mijn lezers aan het lachen te brengen.

“Ik heb wel m’n best gedaan om zo goed mogelijk te schrijven, zoals steeds. Hier en daar kon je me wel op een frivoliteit betrappen, maar aan een spervuur van dubbele bodems hadden we even geen behoefte. Ik was in die maanden ook geen opgeruimd mens, luchthartig van gemoed...”

Zijn er momenten geweest dat u dacht: was ik nu maar in Nederland?

“Nee, helemaal niet. Wat mij in heel die periode staande hield, was juist het feit dat ik hier was, met Stella aan mijn zijde. Ik was blij dat ik mij in een land bevond waar in ieder geval de ernst van de situatie werd ingezien. Ik maakte mij zorgen over de zorgeloosheid in Nederland. Ik maakte mij zorgen over mijn ouders. In Nederland zou ik me minder beschermd hebben gevoeld.”

Over Stella gesproken: zij spookt door Quarantaine als de angstige, panische, hypochondrische eega die u de straat op jaagt voor boodschappen en u van kop tot teen ontsmet als u weer thuiskomt. Hoe gaat het met haar?

“Zij is totaal paranoïde wat het virus betreft. Nog steeds. Haar extreem oplettend en voorzichtig noemen is een understatement. Ik ben haar daar heel dankbaar voor. Zo beschermt ze mij en anderen. (lacht) En ik was blij dat ik af en toe naar buiten kon. Ik deed ook de boodschappen voor Stella’s moeder.”

Bent u er al achter waarom er in Italië zo veel hypochonders zijn, en meer apotheken dan waar ook ter wereld?

“Ik ben daar een beetje anders naar gaan kijken. Wij Hollanders zijn stoer. Wij zijn nooit ziek, en als we eens een keertje verkouden zijn gaan we gewoon werken. Achtendertig graden koorts, daar blijven wij niet voor thuis! Vroeger, voor de pandemie, was ik ook zo. Als ik liep te snotteren, vroegen mijn Italiaanse vrienden altijd bezorgd welke medicijnen ik nam. Ik lachte hen in hun gezicht uit. Nu heb ik al iets meer ­begrip voor die Italiaanse neiging om voor het minste geringste naar de dichtstbijzijnde ­drogist te lopen, of recht naar de spoedeisende hulp.

Beeld Joris Casaer

“Eigenlijk is het heel erg dom om stoer te doen. Het is dom om met een griepje onder de leden en wat lage koorts toch naar kantoor te gaan, om daar vrolijk de collega’s te besmetten. Waarmee ik niet wil zeggen dat ik zelf een hypochonder ben geworden. Zo ver is mijn integratie nog niet gevorderd.” (lacht)

U was in die periode ook obsessief bezig met de cijfers: de besmettingscijfers, de dodentol, het reproductiegetal.

“Ja, het dagelijks coronabulletin van 18 uur werd in korte tijd even belangrijk als het weerbericht en de horoscoop, en die zijn in Italië razend belangrijk. We zijn die cijfers ook gaan beschouwen als rapportcijfers, die ons vertellen hoe goed we het doen, of hoe slecht, en aan de hand waarvan we worden beloond of gestraft. Er was ook voortdurend discussie over de betrouwbaarheid van de cijfers.

“Volgens de een waren het onderschattingen, volgens de ander overschattingen.

“Toen ze in juni gingen dalen, schreef ik: ‘In ieder geval zijn de onbetrouwbare cijfers van nu lager dan de onbetrouwbare cijfers van een tijd geleden.’”

Het coronavirus bezorgde u een writer’s block. U kon over niks anders meer schrijven, aan gedichten of romans kwam u niet meer toe. Lukt dat inmiddels weer wel?

“Ik moet opletten dat ik niet te veel klaag, want ondanks alles was ik in heel die periode nog bevoorrecht. Mijn werk, dat is thuis achter een tafel zitten, wat voor me uit staren en af en toe iets opschrijven. En dat kon ik gewoon doen. Ja, ik had het tijdens de quarantaine zwaar, maar dat was dus volslagen ten onrechte. Onnoemelijk veel mensen hadden het veel zwaarder dan ik.

“Het klopt dat ik me tijdens die eerste lockdown nauwelijks op iets anders dan op dat virus kon concentreren. Maar dat lag ook aan onze praktische situatie. Op een gegeven moment waren er acht vriendinnen van Stella besmet. Dat betekende: acht telefoontjes per dag om na te gaan hoe het met ieder van hen ging. En daarna acht lange gesprekken met Stella om de nieuwe informatie te analyseren en te evalueren. En tegelijkertijd had je dat ­bombardement van nieuws, elke minuut van de dag: alerts, updates, pushberichten, alles was ­breaking.

“Het was een erg verwarrende periode, een tijd van grote onzekerheid, ook al omdat we toen nog niet veel over het virus wisten.

“Inmiddels kan ik me wel opnieuw op andere dingen concentreren, maar het blijft lastig. Je weet dat ik graag buiten werk. In alle hoeken van de stad zijn er terrasjes die ik als geheim kantoortje gebruik. Die zijn nu weer allemaal gesloten.”

Nooit de aandrang gevoeld om opnieuw naar de fles te grijpen en de corona-ellende weg te drinken?

“Gelukkig niet. Integendeel: als ik me probeerde voor te stellen hoe de bohemien die ik ooit was die periode zou hebben doorstaan, dan sloeg de schrik me om het hart. Ik weet echt niet hoe ik dat zou hebben aangepakt. No way dat ik mijn leven als beroepsdrinker tijdens de quarantaine gewoon had kunnen voortzetten. Ik prijs me nog elke dag gelukkig dat ik een nieuw leven voor mezelf heb weten te creëren, samen met Stella.”

In uw eerste dagboek uit Genua, de Brieven uit Genua, was afkicken van de drank de rode draad. In Quarantaine gaat het over afkicken van het leven zelf.

“Ja, zo heb ik het ervaren, als ophouden met leven. Het was zoals ik het schrijf: ‘Niet leven is moeilijk.’ En dan ben ik nog niet eens ziek geworden of mijn baan kwijtgeraakt.”

Het quarantainedagboek stopt abrupt op 26 juni. Bent u die dag ook opgehouden met schrijven over het virus, of mogen we over afzienbare tijd nog een deel 2 verwachten?

“Toen ik stopte, lag de quarantaine precies veertig dagen achter ons. Dat vond ik wel een mooi ­eindpunt. Het virus was nog niet overwonnen, maar het leven ging min of meer terug zijn gewone gang.

“Na de zomer verscheen Grand Hotel Europa in vertaling in Italië en een aantal andere landen, dus toen moest ik weer wat reizen om het boek te gaan presenteren. Dat was allemaal heel ingewikkeld en raar.

“Even heb ik overwogen om daar columns over te schrijven, over de herneming van het leven onder het regime van social distancing. Maar ik hield er rekening mee dat er een tweede golf zou komen, ook al dachten we daar in de zomer liever niet aan. Ik ben nog altijd tevreden over de laatste zin van Quarantaine: ‘In de zomer denkt niemand aan de herfst.’”

U staat nu ook op de literaire kaart in Italië. Hoe lopen de vertalingen van La Superba en Grand Hotel Europa? Heeft de Italiaanse lezer u in de armen gesloten?

“Ik mag niet klagen. La Superba heeft de shortlist van de Premio Strega Europeo gehaald en is inmiddels aan zijn vierde druk toe. Het zijn kleine oplagen, maar de uitgever is meer dan tevreden, dus ik ook. Met Grand Hotel Europa zitten we geloof ik aan 5.000 verkochte exemplaren. Dat is niets in vergelijking met de 250.000 boeken die in het Nederlandse taalgebied over de toonbanken zijn gegaan, maar het is hier ook nog maar net begonnen. In Duitsland loopt het heel goed. Daar heeft Grand Hotel Europa twee weken in de bestsellerslijst van Der Spiegel gestaan.”

‘Ik denk niet dat er nog veel mensen op hun balkon aria’s zullen zingen.’Beeld Joris Casaer

Er is een relletje geweest in Venetië, las ik. De ex-directrice van de Galleria dell’Accademia, Paola Marini, heeft verhinderd dat u Grand Hotel Europa kon presenteren in het prestigieuze Ateneo Veneto. Waarom?

“Die mevrouw maakte bezwaar omdat ze zichzelf in een personage uit het boek had herkend. Dat was ook niet zo moeilijk, want dat personage draagt de naam Paola Marini en is om den brode directeur van de Galleria dell’Accademia. De presentatie waarvoor mijn uitgever een zaal in het Ateneo Veneto had afgehuurd, werd op het allerlaatste moment geannuleerd. Omwille van de pandemie, werd gezegd. Dat kon niet kloppen, want tal van andere events konden er wel gewoon plaatsvinden. Na lang aandringen kreeg mijn uitgever te horen dat men onder druk van Paola Marini had afgezegd.”

Kende u die vrouw op het moment dat u Grand Hotel Europa schreef?

“Helemaal niet. Ik heb haar gewoon gegoogeld. Ik had de directeur nodig van de Accademia, de instelling waar Clio, mijn vrouwelijk hoofdpersonage, aan de slag was als kunsthistorica. En dat was die mevrouw Marini. In het boek is zij een buitengewoon onbelangrijk nevenpersonage geworden. Zij dient eigenlijk enkel om duidelijk te maken waarom Clio op het einde een baan in Abu Dhabi accepteert.

“Ik heb Paola Marini beschreven als een typisch Italiaanse baronessa, die haar macht gebruikt en misbruikt, en die de Italiaanse carrière van Clio dwarsboomt. En dat blijkt nu gewoon de waarheid te zijn! De echte Paola Marini heeft haar invloed bij het Ateneo Veneto gebruikt om de presentatie van mijn boek te laten cancelen. Dus ik vraag me af waarover ze klaagt.

(lacht) “Oké, ik beken, er is een probleempje met de chronologie: ik heb de waarheid geschreven lang voor ze zich openbaarde. Dat is nu eenmaal het lot van de visionaire schrijver.”

Marini heeft de zaak zelfs in handen gegeven van advocaten. Is dat vervelend, of goeie publiciteit?

“Mijn uitgever heeft een brief gekregen van haar advocaat, waarin ze eist dat de resterende exemplaren uit de handel worden genomen, dat in alle drukken en vertalingen die nog op stapel staan de naam van het personage wordt veranderd, en dat er een schadevergoeding wordt betaald. Mijn uitgever heeft geantwoord dat hij op die eisen niet kan ingaan. Zover zijn we nu.

“Mocht het daadwerkelijk tot een rechtszaak komen, dan is dat zeker vervelend voor mijn uitgever. Hij is verantwoordelijk, ik ben juridisch ingedekt. De kunst is inderdaad om uit zo’n relletje van niks publicitair voordeel te halen. In Venetië en omliggende is dat alvast gelukt.”

Is de publicatie van Grand Hotel Europa in Italië, zo pal in de pandemie, geen geval van ongelukkige timing? Iederéén verlangt nu naar een relance van de economie, ook van het massatoerisme dat in uw boek in vraag wordt gesteld. Wás Europa nog maar een pretpark!

“Een deel van de Italiaanse bevolking verlangt daar zeker naar. En ook de politiek heeft grote haast om alles zo snel mogelijk terug te brengen naar hoe het vroeger was. Maar er zijn er ook genoeg mensen die beseffen dat deze pauze een ideaal moment is om alles te herdenken.

“Er is in Italië nog altijd geen groot openbaar debat over het toerisme. Misschien kan Grand Hotel ­Europa helpen het op gang te brengen. (lacht) Dan zou het een geval van perfecte timing zijn.”

Gelukkig hadden jullie in die droeve maanden van eenzame opsluiting een perspectief: het nieuwe thuis in het Palazzo Bendinelli-Sauli.

“Ja, we hadden een droom. En wat het zo mooi maakte, was dat het een gemeenschappelijke droom van Stella en mij was. De weg naar de droom was evenwel een opeenvolging van vaak uiterst vervelende beslommeringen. Daar konden we ons dan fulltime druk over maken, we hadden toch niks anders te doen. Twee jaar zijn we er mee bezig geweest. Het is een uiterst ingewikkelde rit doorheen de Italiaanse bureaucratie geworden. Maar het is gelukt.”

Heeft het project door corona op de helling gestaan?

“Ja, maar telkens als we de wanhoop nabij waren, gebeurde er een wonder. Er bleken overal ook mensen te zitten die het belangrijk vonden dat er in die ellendige periode nog dromen gerealiseerd werden. Ik denk dat we alles bij elkaar twee maandjes vertraging hebben opgelopen. Dat zou zonder corona misschien ook zijn gebeurd.”

‘Stella, mijn geliefde, is totaal paranoïde wat het virus betreft. Haar extreem oplettend en voorzichtig noemen is een understatement.’Beeld Joris Casaer

Hebt u al visioenen gehad over het eerste boek dat u gaat schrijven op de nieuwe plek?

“Nee. Ik heb wel al het visioen gehad dat ik op die plek heel erg goed ga schrijven. Maar dat is niet verbonden aan een concreet onderwerp.”

Mogen we verwachten dat de luister en de elegantie van het 17de-eeuwse palazzo waar u schrijft, gaat doorschemeren in hoe u schrijft?

“Ook niet. Ik betwijfel dat ik mij stilistisch ga aanpassen. Ik was al barok genoeg.”

Voor Stella en u wordt het een kerst met zicht op de kathedraal van Genua. Vanaf uw balkon kunt u God smeken ons van dat duivelse virus te verlossen.

“Ja, en je gaat zien hoe snel die bede, zodra wij hier wonen, gehoor vindt.”

Ilja Leonard Pfeijffer, Quarantaine - Dagboek in tijden van besmetting, De Arbeiderspers, 228 p., 22,50 euro. 

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234