Maandag 21/10/2019

Reinhilde Decleir

"Ik val altijd terug op dat mededogen, in het echte leven, en in de rollen die ik speel"

Beeld stephan vanfleteren

Straks mag Reinhilde Decleir (68) de Arkprijs van het Vrije Woord in ontvangst nemen voor haar baanbrekende werk met theaterhuis Tutti Fratelli. Op de bühne van deze sociaal-artistieke ontmoetingsplaats krijgt iedereen een tweede kans. "Allemaal broeders zijn we zeker."

Kom, zegt Reinhilde Decleir. "Ik zal je iets tonen." Ze draagt wijde, zwarte gewaden die bijna de grond raken, haar rode schoenen piepen er net onderuit. Als een Minerva Aldering uit Harry Potter tovert ze een brede ringmap - Esselte - tevoorschijn en slaat haar open. De map is gevuld met dunne, doorzichtige plastic mapjes waarin handgeschreven, vergeelde brieven lonken. Een deel van de brieven is met potlood geschreven, een ander deel met pen. Het ene vel is al meer vergeeld dan het andere."

Dat zijn brieven van mijn vader aan mijn moeder", zegt ze, terwijl ze, in haar bureau van theaterhuis Tutti Fratelli, op haar blauwe zitbal neerploft en haar bril opzet. "Mijn moeder is vlak voor de oorlog met Mia, mijn oudste zus, en hun eerste kind naar Saint-Papoul in de Franse Languedoc gevlucht. Van daaruit schreef ze naar mijn vader. En mijn vader schreef mijn moeder terug. Het is een prachtige correspondentie. Intiem en gevoelig, sensueel en diepmenselijk ook."

Ze krijgt een kikker in de keel. Ze zegt dat ze daar almaar vaker 'last' van heeft, van emoties die zich in haar keel vastzetten, en van tranen die beginnen te lopen. "Ik heb deze map gisteren pas gekregen van mijn oudste zus, Mia. Ik moet alle brieven nog laten kopiëren. Het doet iets met me: zo via handgeschreven woorden in de harten van mijn ouders terecht te komen, bij hen binnen te dringen. Ik heb nog niet veel gelezen. Ik moet dit traag doen. Elke dag een paar brieven."

In onze tweede reeks 'Meesters van het doek' vraagt Margot Vanderstraeten acht film- en theatergrootheden de kleren van het lijf. Hun ziel leggen ze bloot voor de lens van Stephan Vanfleteren. Vandaag: Reinhilde Decleir.

Hoe komt het dat u deze brieven uitgerekend nu binnen handbereik hebt?

Reinhilde Decleir: "Omdat we met ons gezelschap Tutti Fratelli midden in de creatieve fase van onze nieuwe productie zitten. Die productie zal over vluchtelingen gaan, zonder dat we dat expliciet zo zullen stellen. Je moet vandaag namelijk zeer op je hoede zijn voor het gebruik van het woord 'vluchtelingen'. Er hangen nogal wat stereotyperingen en vooroordelen aan vast, dat is nergens goed voor, en het is al zeker niet goed voor een voorstelling die de verbeelding wil prikkelen.

"Maar goed, tijdens een van onze brainstormsessies dacht ik plotseling aan mijn ouders, zomaar, in een flits. En ik ben aan hen blijven denken. Ook zij zijn ooit vluchteling geweest. Ik kan dat doortrekken: de geschiedenis van elke Europeaan kent vluchtende ouders en voorouders.

"En toen begon dat hoofd natuurlijk te werken. Ik heb altijd geweten dat onze ouders elkaar tijdens de bezetting brieven schreven. We waren thuis met vijf kinderen. Als we in huis verstoppertje speelden, belandden we al eens in de kleerkast van onze ouders. Onderaan in die kleerkast stonden schoendozen vol brieven. Nu en dan las je, uit nieuwsgierigheid, weleens snel zo'n vel of twee. Maar de belangstelling voor het gevoelsleven van m'n ouders was er toen natuurlijk niet, net zo min als de belangstelling voor hun geschiedenis."

En van hun persoonlijke geschiedenis gaat u een theaterstuk maken dat herkenbaar is voor iedereen?

"O, ik weet nog niet wat ik precies met deze correspondentie zal doen. Ik moet nog veel met de andere medewerkers praten, zo'n productie groeit door samenwerking, ik ben maar een schakel in dit alles. Maar eerst wil ik dus alle brieven lezen. Daarna zal ik een en ander moeten verwerken. En pas daarna zal ik, hopelijk, een duidelijker idee krijgen van wat ik met hun woorden zal doen.

"Ik ben blij dat wij deze documenten nog hebben. Ze betekenen veel voor me. Vandaag ben ik ouder dan mijn moeder - die jong is gestorven - ooit is geworden. Mijn vader is na haar overlijden hertrouwd. De schoendozen hebben een paar verhuizingen doorstaan. Maar gelukkig heeft mijn vader, die uiteindelijk in een rusthuis is gestorven, ze nooit weggegooid; al heeft het niet veel gescheeld. Als mensen hertrouwen en verhuizen, ruimen ze ook hun verleden op. Willen ze bepaalde hoofdstukken uit hun leven klasseren, soms voor zichzelf, soms om het de nieuwe partner te vergemakkelijken, soms om deze twee en nog veel meer andere redenen."

Mensen willen bepaalde hoofdstukken uit het verleden klasseren, zegt u. Zoals het oorlogsverleden van uw ouders? Uw vader, zei uw broer Jan in het interview in de vorige reeks, is na de oorlog zijn burgerrechten kwijtgeraakt. Maar hoe hij zijn tijd tijdens de oorlog precies heeft ingevuld, schijnt geen van de kinderen te weten, of te willen weten.

"Ik denk dat ik via deze brieven meer te weten zal komen. En dat ik daar nu misschien klaar voor ben. Het is waar dat we nooit hebben uitgezocht wat er precies gebeurd is tijdens de oorlog. Mijn vader was Vlaamsgezind. Hij was ook lid van de Orde van het Gebroken Geweer; dienstweigeraars werden als saboteurs beschouwd.

"Ik weet niet wat er heeft plaatsgevonden. Ik was en ben zeker bang voor dat hoofdstuk van hen. Ik denk wel dat mijn moeder, als ze psychologisch stabieler was geweest, ons meer over die oorlogsperiode zou hebben verteld. Mijn moeder is de laatste jaren van haar leven echt niet gelukkig geweest. Makkelijk heeft ze het nooit gehad. Ze kwam uit een welgestelder milieu dan mijn vader. De materiële armoede waarin wij thuis leefden, heeft haar geen deugd gedaan.

"Na de dood van onze oudste broer Dirk (ook acteur, verongelukte in 1974 op z'n 32ste bij een auto-ongeval; MVDS) werd ze erg zwaarmoedig; ze heeft hard moeten vechten tegen haar demonen. Het contrast met de liefdesbrieven waarin ze mijn vader aanspreekt met 'mijn jongen' en 'mijn lieve man' en erg sensueel over de liefde schrijft, is groot en confronterend.

"Ik zal nooit vergeten wat het verlies van een kind met een ouder doet. Mijn moeder is door het verdriet helemaal gebroken. Mijn vader ook, maar op een andere manier.

In het rusthuis ging ik mijn vader regelmatig bezoeken. Eén van die keren riep hij me terug toen ik aan de deur stond, klaar om weer naar huis te gaan. 'Reinhildeken, onzen Dirk, die is niet dood hè', zei hij. Zomaar. Ineens. In geen jaren had hij met mij over Dirk gesproken. En paf. 'Nee', vroeg ik, die het spel meespeelde, 'is die niet dood?' 'Ik heb hem gezien', zei hij. 'Amai', zei ik. 'Dirk loopt hier 's avonds rond', zei hij. Ook bij hem is de overleden zoon altijd in zijn hoofd blijven leven, tot aan zijn laatste adem."

Beeld stephan vanfleteren
Beeld stephan vanfleteren

U zegt: wij zijn allemaal vluchtelingen. Dat is een variant op de naam van uw gezelschap: Tutti Fratelli, we zijn allemaal broeders.

"Allemaal broeders zijn we zeker, maar in het Nederlands klinken die woorden saai, en doen ze ook te veel denken aan de broeders van de katholieke kerk, inclusief diegenen die zich aan jonge jongens vergrepen... Tutti Fratelli klinkt sterk en muzikaal, niet te serieus ook. En toch is de boodschap impliciet duidelijk. Ik heb de naam uit Visconti's film Rocco e i suoi fratelli geplukt. De broers in de film maken op een bepaald moment heftig ruzie. Op een gegeven moment zegt er iemand 'Houd daar toch mee op, siamo tutti fratelli, we zijn toch allemaal broers.'"

Uw boodschap is die van streven naar meer gelijkheid tussen de mensen. Met Tutti Fratelli maakt u, met een gezelschap dat samengesteld is uit sociaal geïsoleerde mensen, al tien jaar theater dat de artistieke lat zo hoog mogelijk legt.

"We zijn nu met dertig spelers. Hun achtergronden zijn erg verschillend: sommigen hebben een psychiatrische problematiek, anderen komen uit generatiearme, Vlaamse gezinnen en zijn zo goed als analfabeet. We werken met nieuwkomers die net in dit land zijn gearriveerd, er spelen enkele gepensioneerden mee die al te vereenzaamd waren, Spirit is dan weer een kindsoldaat uit Angola...

"Ik denk dat alle theater, dat kunst in het algemeen, altijd een vorm van engagement inhoudt. Maar wat wij doen is anders; wij halen de sociale diversiteit in huis en bieden die een professioneel podium. Onze spelers dragen de hele productie. Wij staan niet te schitteren náást hen. Zij schitteren, en zij alleen. Ik vond dat heel belangrijk. Dat we alle verantwoordelijkheid en ook alle applaus bij 'ons mannen' zouden leggen. Ze staan niet in de schaduw van professionele spelers. Maar ze krijgen wél een hoogwaardige, professionele omkadering, van a tot z. In ruil daarvoor moeten ze keihard werken. Op artistiek vlak doen we geen toegevingen, in geen enkele fase.

"Het blijkt een formule die voor alle partijen werkt. Onze voorstellingen zijn in een mum van tijd uitverkocht, en dan moet je weten dat we vooral in grote zalen spelen. Het publiek is ontroerd en maakt een grensoverschrijdende avond mee. Wij zijn zeer content. En onze spelers nog meer; er zijn er die zeggen dat het spelen hen beter helpt dan een pilletje. Samen werken aan een project. Creatief zijn. Aangesproken worden op lagen in jezelf die tot dan toe onontgonnen bleven, een beroep doen op je verbeelding: dat doet zowel ons als het publiek en de spelers deugd, en maakt dat wij allen sterker en vreedzamer in het leven staan."

Dat klinkt bijna te mooi om waar te zijn.

"Gisteren stond hier nog een jongen van twintig aan de deur. Hij kon niet lezen of schrijven, zo zijn er jammer genoeg meer dan je zou denken. Hij kwam hier solliciteren. Wilde absoluut deel uitmaken van ons gezelschap. Ik heb lang met hem gepraat. Hij mag meedoen. We kunnen toch geen groter compliment voor onze werking krijgen dan zo'n stoere gast die hier bijna komt smeken om mee te mogen spelen? Omdat hij denkt dat het spelen hem van de straat zal houden, hem iets zal geven om naar uit te kijken, om iemand te zijn. Maar het is hard werk. Ik kan niet alleen Tutti Fratelli doen. Ik heb ook andere intellectuele zuurstof nodig. Daarom dat ik nog andere voorstellingen help maken. Of aan een tv-reeks meewerk. Daarom ook dat ik veel naar het theater ga. Ik ben geen sociaal assistente. Ik ben al zeker geen moeder Teresa of een Pater Damiaan. Ik ben een actrice.

"Ik herinner me nu dat ik ooit, ongeveer vijfentwintig jaar geleden, een zeer specifieke droom had. Ik had ergens opgevangen dat er in Engeland, dat natuurlijk een lange en sterke theatertraditie heeft, iemand het idee had opgevat om rond te reizen, in dorpen neer te strijken en om vervolgens samen met inwoners van die dorpen een toneelstuk te maken. Iedereen deed mee: de bakker, de apotheker, de kinderen, de mensen die geen baan meer vonden, de mannen van de vuilniskar, de huisarts...

"Toen ik dat hoorde, was ik aangedaan. Ik vond dat prachtig. Zo'n project, zo'n samenwerking over alle sociale grenzen heen beantwoordde helemaal aan mijn idee van theater, wat theater kon zijn, hoe theater een gemeenschap kon veranderen, hoe het spel mensen kon verbinden... Toen heb ik, uit gebrek aan tijd en lef, met die droom niets gedaan. Vandaag zit ik er middenin."

Tutti Fratelli zingt graag.

"Ja. Liederen zijn bij ons erg belangrijk, dat is zo gegroeid. Wie 'zingen' zegt, zegt natuurlijk ook bewegen! Bewegen is voor ons minstens even belangrijk. Niet voor niets werken we nu met Nienke Reehorst, die jarenlang bij Wim Vandekeybus' Ultima Vez, heeft gedanst. Nienkes knieën zijn kapot, en nu is ze onze coach. De oefeningen die ze met 'ons mannen' doet, zijn in eerste instantie erg elementair. Heel eenvoudige bewegingen, zoals het zwaaien met de armen of het diep voorover buigen, groeien dankzij haar uit tot een verhaal.

"Ik behoorde zo ongeveer tot de laatste lichting studenten van Lea Daan (bewegingspedagoge, pionier van de moderne dans in Vlaanderen; MVDS), de vrouw die voor mij de enige Vlaamse beweging belichaamt waar ik voor de volle honderd procent achtersta. Lea Daan, die bijzonder streng was, leerde ons omgaan met ons lichaam, ze maakte ons bewust van hoe we dat lichaam konden gebruiken, konden inzetten in functie van wat we wilden of probeerden uit te drukken.

"Ik vond haar lessen in ruimte- en bewegingsleer boeiend, maar ik vond in die tijd alles boeiend wat er op de Studio gebeurde. Pas later, zo gaat dat altijd, heb ik haar bijdragen naar waarde kunnen schatten, en heb ik pas doorgehad hoe invloedrijk ze was, en hoe toonaangevend voor ons, vrouwen. Ze was een van de enige vrouwen in de hele Studio. In mijn klas waren we in die tijd bijvoorbeeld ook maar met twee meisjes, van die medestudente - een Nederlandse - heb ik nooit meer iets gehoord.

"Als ik zeg dat ik uit gebrek aan lef niet eerder iets met die droom van het dorpstheater heb gedaan, is dat zeker ook omdat ik als vrouw dat lef niet durfde opbrengen. Kiezen om je ding te doen, is al moeilijk. Pionier zijn is nog moeilijker. Mijn broer Dirk, die toen afgestudeerd was, werd nu en dan al gevraagd om een gastles in de Studio te geven en om in een jury te zetelen. Ik herinner me hoe opgetogen hij was als Lea Daan ook in zo'n jury zat. Hij vond haar visie essentieel en had grote waardering voor haar. Ik heb alle oefeningen van Lea Daan nog. Ze staan in Dirks schriftjes. Hij tekende haar oefeningen nauwkeurig op. Ik was veel slordiger."

Hebt u zich als actrice minderwaardig gevoeld ten opzichte van uw broers acteurs?

"Minderwaardig heb ik me nooit gevoeld. Maar achteraf bekeken denk ik wel dat ik te lang in volle bewondering voor mijn broers heb gestaan en dat die houding, ook binnen het gezin, mijn ontvoogding heeft vertraagd. Thuis, aan tafel, domineerden de redevoeringskunsten van de jongens. Wij, drie meisjes, lieten ons overschaduwen zonder dat het ons veel kon schelen. Bovendien was ik dus een van de weinige vrouwen in de mannelijke theaterwereld. De tijdgeest dicteerde deze ongelijkwaardigheid. In die zin dat wij vrouwen gewoon accepteerden dat wij het onderspit delfden. De toenmalige directeur van de Studio, Fons Goris, voedde dat gevoel voor minderwaardigheid ook letterlijk. Als vrouwelijke studenten in de Studio al eens sterk uit de hoek kwamen, kon hij die kracht snel de kop indrukken. 'Gij kunt dat niet. Bovendien zijt gij een vrouw!' Ik hoor het hem nog steeds zeggen."

Beeld stephan vanfleteren

Had u voorbeelden om zich aan op te trekken?

"Heb je ooit de Nederlandse poppenspeler Jozef van den Berg aan het werk gezien? Jozef, die in 1989 bij de aanvang van een voorstelling bekendmaakt dat hij nooit meer zal spelen, ook die avond niet, en die aan de toeschouwers zegt dat ze hun geld terugkrijgen... Heb je zijn stuk Moeke en de dwaas gezien? Jozef kon toveren met niets. Hij stond daar, speelde met zijn handen en vingers, en het publiek was gebiologeerd. De bezieling van die man. Zijn charisma. De eenvoud van zijn toverkunsten. De wijze waarop hij een verbintenis tussen hemzelf en het publiek aanging: als hij speelde, dialogeerde hij.

"Als ik naar hem keek, vroeg ik me telkens af: wat doet hij toch, hoe doet hij dat? Hij deed zo weinig. En het was tegelijkertijd zo ontzettend veel. Mijn broer Jan heeft die magie ook, vind ik. Ik heb hem altijd al bewonderd in zijn vak, ook nu nog, elke keer als ik hem zie optreden. Dat vuur. Dat engagement. Die zin in het spel. Er zijn er niet veel die dat zo sterk hebben. Julien Schoenaerts had dat ook, in zijn beste jaren dan toch. Of denk aan Albert Finney, in The Dresser. Als je naar die mannen kijkt, zie je dat kleine jongetje vol spelplezier in hun oude lijven doorschemeren. Ze spelen met liefde, pure liefde."

Waarom noemt u geen vrouwen die dat vuur ook hebben?

"Omdat ik aan voorbeelden uit mijn beginjaren denk. Maar natuurlijk zijn er! Vooral in Groot-Brittannië, lang het gidsland in theater. Vanessa Redgrave. Glenda Jackson. Judi Dench. Maggie Smith. Redgrave en Jackson hebben zich ook politiek geëngageerd. Ook op dat vlak zijn ze mijn voorbeeld."

U hebt nooit Medea gespeeld, de moeder die in Euripides' tragedie haar kinderen vermoordt. Hoe aantrekkelijk vindt u de slechte kanten van de mens?

"Die kanten hebben we allemaal. De scherpte ervan hangt sterk af van het leven dat je hebt geleid, de kansen die je kreeg. Spirit, die als kind in Angola als soldaat werd ingezet en daar zowel gruweldaden heeft gezien als zelf heeft gepleegd, is een van de schoonste mensen die ik ben tegengekomen. Mededogen maakt dat je de mensen niet in goed en slecht indeelt. En ik val altijd terug op dat mededogen, in het echte leven, en in de rollen die ik speel.

"Medea heb ik inderdaad nog nooit gespeeld. Maar ik vertolkte wel de taaie Hekabe, in die andere tragedie van Euripides, Trojaanse vrouwen. Hekabe is kapot van verdriet. Verdriet dat van een mens een kreng kan maken. En in Yukio Mishima's toneelstuk Madame de Sade speelde ik Madame de Montreuil, de moeder van Renée, de vrouw van de sadistische markies. Madame de Montreuil is op de hoogte van de perverse seksuele uitspattingen van haar schoonzoon, maar blijft hem verdedigen. Ze is medeplichtig aan zijn wreedheden, maar verkiest die leugen boven gezichtsverlies. Toen ik Madame de Montreuil speelde, heb ik geprobeerd om die wreedheid die ook haar kenmerkte, tot een subtiele onderlaag van haar karakter om te vormen. Wreedheid is zo veel echter als ze deel is van een complex geheel."

Zijn er mensen voor wie u geen mededogen kunt opbrengen?

"Mensen niet. Maar instituten wel. Als het van mij zou afhangen moet Vaticaanstad, waar men zo graag de broederlijkheid predikt, de deuren openzetten voor meer dan twaalf symbolische vluchtingen. Ik vind dat een grap, een schaamteverwekkende grap voor zo'n serieus probleem. Het feit dat vluchtelingen nergens terechtkunnen, maakt me écht kwaad, zo kwaad dat ik hardop, ook als ik alleen ben, kan beginnen roepen en schelden.

"Ik heb veel van Tsjechov geleerd. Ik denk dat deze negentiende-eeuwse Russische schrijver bij mij altijd de snaar van de medemenselijkheid heeft weten te raken. Ik heb Tsjechov, en dat diepe mededogen dat hij voor elke mens kan opbrengen, in de jaren negentig ten gronde leren kennen, vooral via theatergroep Amai, in het Nederlandse dorpje Geldrop, waar acteur en regisseur Jochem Royaards jarenlang een oude textielfabriek te zijner beschikking kreeg. Daar hebben we veel Tsjechov gespeeld. De bewoners van Geldrop speelden trouwens ook vaak mee in het stuk; kleine maar onmisbare rollen. Dus ook daar had je dat sociale facet al. Dat willen verbinden van mensen met elkaar. Dat gedachtegoed achter Tutti Fratelli."

Volgende week: Jo De Meyere

Wie is Reinhilde Decleir

• Geboren op 16 mei 1948

• Speelde als actrice onder andere mee met de Blauwe Maandag Compagnie, Het Toneelhuis en Theater Antigone Regisseerde onder andere Overleie, The Best of Skakespeare, Just of Faust en de Luizenopera

• Speelde mee in een aantal Vlaamse films en tv-reeksen waarvan de recentste: Marsman (2014), Cordon (2014), De Ronde (2011), Van vlees en bloed (2009)

• Is de bezielster en artistiek leider van theaterhuis Tutti Fratelli, dat mensen wil samenbrengen via de kunsten

• Won met haar werk net de Arkprijs van het Vrije Woord

• Is de zus van acteur Jan Decleir en de overleden Dirk Decleir

• Heeft een zoon met de in 2012 overleden acteur Paul Wuyts

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met De Morgen?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van De Morgen rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234