Dinsdag 29/11/2022

InterviewValentijn Hoogenkamp

‘Ik schrijf om iemand te vinden die van me houdt’: Valentijn Hoogenkamp gaat in ‘Antiboy’ op zoek naar zichzelf

Als Valentijn Hoogenkamp (35) te horen krijgt dat hij een verhoogde kans heeft op kanker, ondergaat hij een borstamputatie. ‘Wil ik wel voort als vrouw?’, vraagt hij zich dan af. Het relaas van zijn queer queeste schreef hij neer in Antiboy. ‘Ik ben nu op een andere planeet.’

Julie Cafmeyer

Wanneer ik Valentijn Hoogenkamp ontmoet, ben ik zenuwachtig. Ik ga het gesprek hakkelig in. Ik zeg hem dat ik bang ben om iets fouts te zeggen. Wat als ik per ongeluk ‘zij’ zeg in plaats van ‘hij’? Wat als ik hem te veel als een vrouw ­behandel, terwijl hij dat niet is? “Ik ben ook vaak bang”, stelt Hoogenkamp me gerust. “Het is niet omdat je queer bent dat je een handleiding hebt om op de juiste manier over gender te ­praten.”

“Oneindig”, antwoordt hij op mijn vraag wat zijn definitie van queer is. “Er is niets wat er niet in past.” En zo neemt Hoogenkamp me mee in zijn radicale zoektocht naar identiteit, en vertelt hij me hoe hij voortaan open kan zijn over zijn non-binariteit. Hij wilde zich niet langer identificeren als alleen man of vrouw, maar als iets wat daartussen of daarbuiten valt.

“Toen ik in 2018 te horen kreeg dat ik een verhoogde kans had op eierstok- en borst­kanker, door een genafwijking, werd ik meteen heel bang om dood te gaan. Instant. Kennelijk was mijn lichaam erop uit om me pijn te doen. Tegelijkertijd dacht ik: als ik zomaar kan ­sterven, is er ook veel dat ik van mezelf heb ­verstopt. Misschien heb ik straks een begrafenis voor mensen die me niet kennen.

“Vele zaken werden scherpgesteld. Hoe wil ik eruitzien? Hoe wil ik mijn tijd besteden? Wat wil ik van mezelf tonen? Toen kwam er een gesprek over mijn borsten. Ik kon ze houden, maar dan was het een kwestie van wachten tot ik ziek werd, en dat vond ik te eng. Tijdens een ­gesprek met een arts dacht ik aan de fantasieën uit mijn jeugd. Als kind dacht ik vaak: wat als ik niet de ontwikkeling moet doormaken om ­borsten te krijgen? Plots kreeg ik de toestemming om die borsten niet meer te hoeven.”

En toen moedigde de arts u toch aan om ­implantaten te nemen. Volgens hem krijg je zonder implantaten een ‘esthetisch ongewenst effect’. Het moet heftig zijn om u in een ziekenhuis tot die dwingende schoonheidsidealen te verhouden.

“Ja, ik wilde over andere thema’s spreken met die arts. Ik wilde hem zeggen dat ik heel bang was om kanker te krijgen en dat ik verward was over mijn gender. Maar dat gesprek kreeg ik niet, het was meer van: ‘Hoe zullen we ervoor zorgen dat jij straks niet lelijk bent?’ En met ‘niet lelijk’ bedoelde hij heel specifiek: borsten hebben om over het strand te dartelen in je ­bikini.

BIO

• Nederlands schrijver, dichter en columnist • geboren in 1986 • studeerde psy­cho­logie, wri­ting for performance • debuutroman: Het aanbidden van Louis Claus (2021) • liet vanwege een erfelijke genmutatie preventief borsten verwijderen en maakte bekend non-binair te zijn • gaat sinds februari onder de naam Valentijn Hoo­gen­kamp (hij/hem) door het leven

“Ik was in de war, ik twijfelde over wat ik al jaren over mijn borsten voelde. De chirurg in kwestie had veel ervaring. Hij had veel mensen naar tevredenheid geholpen. Wat hij me probeerde te verkopen, is iets wat vele vrouwen wél willen. Het voelde alsof ik de verkeerde gevoelens had voor dit gesprek. We waren over een fictief meisje aan het praten dat er niet echt was.”

En er ook niet meer zou komen?

“Ik vind dat ik best hard heb geprobeerd om dat meisje te manifesteren. Maar ja, als het over je lichaam gaat, houdt het op. Een jurk aantrekken is iets anders dan implantaten onder je huid plaatsen die je, zoals ik schrijf, ‘niet kan uittrekken voor het slapengaan’.”

Had u er vroeger ook moeite mee om een jurk aan te trekken?

“Ik voelde dat er bij mij iets niet was dat er wel had moeten zijn. Het gevoel: ik ben heel duidelijk een jongen of een meisje. Lang dacht ik dat dat voor iedereen zo was: dat niemand echt een gender heeft, dat je kon kiezen. Als je man bent, doe je mannendingen, als vrouw vrouwen­dingen.

“Dat bracht me bij de vraag wanneer vrouwen zich vrouw voelen. Veel vrouwen zeiden me dat ze zich vrouw voelen als ze worden lastiggevallen, als ze zich op een bepaalde manier kleden, als ze hun haar verven, als ze ’s avonds in het donker naar huis lopen, als ze uitgemaakt worden voor hoer. Tijdens gesprekken merkte ik dat ze zich bewust waren van de ongemakken die bij het vrouw-zijn horen, maar dat ze zich ook vrouw vóélen. Voor sommige vrouwen voelt hun gender als écht.

“Dat doet me denken aan een ankedote. Mijn moeder had de gewoonte om met oude, zwarte onderbroeken het huis schoon te maken. Toen ik alleen ging wonen, gaf ze me een stapel van haar uitgerekte onderbroeken mee. Op een ­bepaald moment komt er dan iemand bij je thuis die een glas water omgooit. Het moment dat je dan een oude onderbroek van je moeder aanreikt, zie je een vreemde gelaatsuitdrukking. Dat was mijn ­ervaring toen ik over gender sprak. Het was als: ‘O, ik herken wel iets van wat je zegt, maar ik vind het vooral heel raar.’ Een onderbroeken­moment dus!” (lacht)

U schrijft: ‘Ik heb altijd gedacht dat je goed moest luisteren naar wat er in je leefde, dat je zo in je echte leven terechtkwam.’

“Ik begin het boek met de zin: ‘Ik kom uit een lang geslacht van leugenaars.’ Ik was geobsedeerd door het idee van liegen. Als je praat over gender, zijn mensen soms kritisch. Ze zeggen dat je hebt gelogen over wie je eerst was. Er zijn ook mensen die denken dat genderdiversiteit niet bestaat, dus in hun ogen lieg je sowieso.

“Kun je liegen over iets wat je niet begrijpt? Als je alle informatie die je hebt nooit bij elkaar optelt, ben je dan aan het liegen? Misschien ­negeer je het niet expres, maar moet je wel wegkijken omdat het te groot is. Je kunt het vergelijken met in een slecht huwelijk blijven omdat je negeert waar je werkelijk naar verlangt.

“Voor ik aan dit boek begon, dacht ik dat je je waarheid kon onderzoeken en dan als vanzelf in je ware leven terechtkwam; daar ben ik op teruggekomen. Er is geen ware zelf in je aan het wachten die je alleen maar moet uitkerven. Het gaat er ook om wie je ouders zijn, wie je ontmoet. Ik denk wel dat je kunt kiezen tussen je wel of niet uitspreken, je wel of niet naar iets toe bewegen. En zo kom je hopelijk dichter bij een plek die goed en als een thuis aanvoelt.”

Wie heeft u geholpen in die zoektocht?

“Sommige mensen duwen je een kant op waardoor je denkt: misschien ben ik toch niet zo gek als ik dacht. In het boek schrijf ik over het personage Slimane, een trans man. Die moedigt het juist heel erg aan om luidop te zeggen hoe je je voelt. Zo kun je iets verkennen.

“Het gesprek met die arts die zegt: ‘We gaan je mooi maken in bikini’, duwt je weer een heel andere kant op. Dan zet je weer een stap achteruit. Er zijn ook mensen die het te verwarrend vinden, die liever met je praten als je alles zelf honderd procent begrijpt. En zo bots je tegen allerlei mensen aan, als een bal in een flipperkast. Zelf hoop ik steeds meer mensen tegen te komen die zeggen: ‘Zo mag je zijn, super!’”

U schrijft ook over uw moeder, die enkele ­jaren geleden is overleden aan borstkanker. Ook zij was belangrijk in uw zoektocht naar uw identiteit.

“Klopt, in het boek zoek ik uit of mijn moeder queer was. Ik wilde zo graag dat het zo was – wat raar is, want als mijn moeder voor een vrouw had gekozen was ze misschien niet met mijn vader getrouwd, en bestond ik nu helemaal niet! (lacht)

“En toch was ik op zoek naar tekens, aanwijzingen uit mijn moeders leven die me konden helpen. Na haar begrafenis stuurde een van haar vriendinnen me een kaartje met een regenboogroos. Was dat een hint? Misschien was mijn moeder wel queer, dat wil ik niet uitsluiten. Een queer vrouw kan natuurlijk ook kinderen krijgen met een man. Maar naar mijn weten heeft ze het niet actief nageleefd. Ze was heel geheimzinnig.

“Toen ze ziek was, droeg ze haar pruik niet omdat ze te hard jeukte. Door haar kale hoofd overvielen mensen haar in de supermarkt met de vraag: hoe gaat het? Ze kon niet ontkennen dat ze ziek was en dat vond ze vreselijk. Misschien was openlijk queer zijn wel niets voor mijn moeder geweest.”

Reageren mensen zo fel op uw queer zijn?

“Toen ik een jurk droeg en lang haar, konden mensen me beter inschatten. Ik voel dat ik bij mensen voor een zeker ongemak zorg, omdat ze langer naar me moeten kijken en me niet meteen kunnen plaatsen. Ik zit in een gek gebied, een soort van tussengebied.”

Maar u komt wel voor uzelf op in dat tussengebied.

“Tijdens het schrijven heb ik vaak geworsteld en me verdrietig gevoeld. Ik was bang dat ik het beeld gaf dat queer zijn een lange lijdensweg is. Ik voelde het als een verantwoordelijkheid om trots op mezelf te zijn en de kracht ervan te laten zien. Maar ik schaamde me vaak. En als ik me schaam over queer zijn, zeg ik dan dat queer zijn niet oké is? Die angst om het niet goed te doen, is nog niet per se verdwenen.”

Ik vind het boek geen lijdensweg, maar een zegetocht. Het doet me denken aan een pijnlijk dagboekfragment dat u vond van uw moeder. Over haar huwelijk schreef ze: ‘Niet denken, niet praten, niet voelen als hij erbij is.’ Jij probeert juist wel te denken en te ­praten in het bijzijn van je geliefden.

“Ik las dat dagboek na haar dood op de wc en het brak mijn hart. Iemand vroeg me laatst waarom de dagboeken bij ons op de wc lagen – nog eens zo’n onderbroekenmoment. Ik weet ook niet waarom mijn moeder onze dagboeken als een soort van leesvoer op het toilet bewaarde. Kennelijk is dat weird. Maar goed, uiteindelijk gaf dat fragment me een extra zetje om me wel uit te spreken. Ik moest erop gokken dat er van me gehouden kon worden als ik uitsprak wie ik was.”

En zo is belangrijke kennis doorgesmokkeld.

“Ja, op de wc! (lacht) Bijna alsof je een opdracht krijgt om iets níét te doen. Je hoeft je niet te ­verstoppen.”

Het is een ontroerende vraag: wie gaat er van me houden als ik toon wie ik werkelijk ben?

“Ja, het is mijn antwoord op de vraag: wist je het altijd al? Ik was bang dat ik een niet-­wenselijke zelf zou tonen. Iets dat ik niet mocht laten zien.”

Schrijver, filosoof en trans man Paul B. ­Preciado getuigde in de podcast Dans le ­genre dat hij sinds hij man is pas beseft hoe moeilijk het leven voor een vrouw is. Als man word je altijd en overal beter behandeld. Merkt u daar ook iets van?

“Ik ben natuurlijk geen man. Ik hou het op ‘geen vrouw’ en non-binair. Nee, het is niet zo dat ik privileges van mannen aan het binnenharken ben. Dit najaar was mijn haar heel kort en droeg ik een hoody. Ik liep ’s avonds over straat en een vrouw keek over haar schouder en stak over. Ik moest even nadenken: voor wie doe jij dit? Toen besefte ik dat het door mij kwam. Ik stond nu aan een heel andere kant van de wereld.

“Vroeger kleedde ik me supervrouwelijk en nu steken vrouwen de straat over als ze me zien! Misschien is dat wel de reden dat ik me zo vrouwelijk kleedde: om een zusterschap te ervaren. Je hoort erbij, want we herkennen elkaar in de moeite die we doen om een bepaald soort vrouwelijkheid na te streven.”

Wat vergt goed worden in vrouw-zijn dan?

“Vrouwen horen automatisch bij elkaar omdat ze proberen vorm te geven hoe je vrouw moet zijn. Je moet er op een bepaalde manier uitzien, je op een bepaalde manier gedragen. Nu ik erover praat, merk ik dat ik het vergeten ben. Ik kan me zelfs niet meer herinneren waar ik al die jaren mee bezig was. Misschien is dat de grote verandering? Een ontspanning, iets als: oké, dit hoeft niet meer.

“Als ik dit interview enkele jaren geleden had, zou ik bij vele vragen denken, bijna onbewust: wat moet ik als vrouw antwoorden? Er was altijd die filter, altijd die vertraging. Altijd die gedachte: laat mij nog vrouwelijker overkomen. Dat heb ik niet meer. Het lijkt bijna alsof de kleur van het licht is veranderd. Ik ben op een andere planeet.”

Is het leven zoveel aangenamer nu u geen vrouw meer hoeft te zijn?

“Ja, best wel. Ik ben opgehouden met een aantal dingen die ik van mezelf moest. Nu komt er een sloot van tijd vrij. Maar goed, ik heb niet plots gekozen om niet langer een vrouw te zijn. Ik voel me non-binair, dat was altijd al zo. Ik verzwijg het niet meer, ik spreek me uit: dát is de verandering. Ik wilde open zijn over iets wat al lang in mij leefde. Het gaat niet over ‘iets niet meer willen zijn’ maar ‘iets niet of nooit zijn geweest’.”

Heeft u veel gelezen over queer zijn?

“Toen ik opgroeide, las ik weinig verhalen over mensen die queer waren. Er werd een hetero­seksuele canon op me afgeschoten. Heel af en toe kwam ik in mijn tienertijd in aanraking met een verhaal waarin iemand een coming-out deed. Dan dacht ik: hoe zou mijn coming-out zijn? Dat had ik veel minder als ik een huwelijk in een sprookje of op tv zag. Ik heb nooit gedacht dat ik dat zou hebben. Er werd me alleen aangeleerd dat ik dat zou willen.

Spijt van Carry Slee heeft best wel een impact op me gehad. Ik denk dat veel Nederlandse ­kinderen dat boek kennen. Het verhaal heeft best een sick plot. Een jongetje dat gepest wordt, pleegt zelfmoord. Dat jongetje is maar een neven­personage. De hoofdpersonages, een populair meisje en jongen, worden verliefd op elkaar. Pas wanneer het gepeste jongetje dood is, beseffen ze dat ze elkaar echt heel leuk vinden. Dus het loopt min of meer goed af omdat twee veertienjarigen elkaar hebben gevonden – en daarvoor moest het gepeste kind doodgaan.

“De informatie die ik daar als kind uit haalde was: het loopt slecht met je af als je afwijkt. Je moet terecht zien te komen in de hoofdspelersplot, in de heteroseksuele ‘wij-zijn-verliefd-op-elkaar-plot’. Dat is de voorgrond. De afwijkende persoon op de achtergrond verdrinkt zichzelf in een meer. Om die reden wilde ik graag kunstenaar worden, want dan kon je ongestoord gek zijn. Maar hoe dan ook liep het altijd slecht af met diegenen die vreemd zijn.”

Heeft u inmiddels boeken gevonden die wel inspireren?

Rubyfruit Jungle van Rita Mae Brown is heel mooi en Detransition, Baby van Torrey Peters is ook geweldig. Toen ik opgroeide, had ik niet echt volwassenen aan wie ik kon vragen hoe ik moest leven. Nu ben ik blij dat er boeken zijn met andere ideeën en rolmodellen. Er wordt een script van wijsheid en avontuur aangereikt.

“Toen ik op de hoogte werd gesteld van mijn genafwijking kon niemand me vertellen wanneer ik ziek zou worden. Ze konden me opereren, maar ik moest zelf beslissen wanneer. Ik voelde me uitgespeeld. Er was niemand aan wie ik het kon vragen, niemand hogerop. Het was alleen mijn keuze. Dat gaf me een nieuwe kijk op mijn verwarrende gendergevoelens.

“Niemand kan je ooit vertellen wat je precies moet doen. Er komt niet op een dag een brief die zegt: je bent queer genoeg of non-binair genoeg om het aan de mensen te vertellen. Ik moest mezelf toestemming geven om hierover te praten. Dat is het mooie aan lezen en ­schrijven over gender. Veel mensen zitten te wachten op toestemming om te mogen zijn wie ze willen zijn.”

Is dat de reden waarom u schrijft, om hen ­gerust te stellen?

“Ja, maar ook om iets te begrijpen. Ik heb mezelf een jaar gegeven om hierover te schrijven. Lichamelijk en geestelijk vergde het veel van me. Hoe schrijf je over de leegte? Hoe schrijf je over een afwezigheid van iets? Hoe schrijf je over iets dat je zelf niet snapt? Ik bleef ­herschaven en schrijven tot ik er vat op kreeg. Maar uiteindelijk schrijf ik om iemand te vinden die van me houdt.”

Bedoelt u dat u hoopt om een geliefde te ­vinden dankzij dit boek?

“Dat bedoel ik.”

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234