Maandag 20/05/2019

Memoires

‘Ik probeerde mijn penis tegen Trumps jas aan te wrijven’: de memoires van rockster-bingedrinker Moby

Beeld Corbis via Getty Images

Door het succes van het album Play uit 1999 belandde Moby’s muzikale carrière in overdrive. In zijn pas verschenen memoires vertelt hij vrijuit over die liederlijke jaren. ‘Een cocktail van ecstasy, champagne en vodka’, en naar bed met iedereen die ‘ja’ zei. ‘Ik probeerde geluk te kopen.’

New York City, 2008: aan de grond 

Ik wilde doodgaan. Maar hoe? Het was 5 uur in de vroege morgen en ik had 15 glazen, voor 200 dollar cocaïne en een handvol Vicodin-pijnstillers naar binnen gewerkt. Al enkele jaren zakte ik steeds dieper weg in een depressie en waren nachten als deze vaste prik. Ik was een eenzame alcoholist en wanhopig op zoek naar iemand van wie ik hield en die me liefde teruggaf. Maar zodra ik probeerde een mens te benaderen, werd ik overvallen door verlammende paniekaanvallen die me terugdreven in mijn isolement en eenzaamheid.

Ik had enkele jaren met succes muziek gemaakt en verkocht tientallen miljoenen platen, maar nu sputterde mijn carrière. Liefde of succes vond ik niet, dus probeerde ik letterlijk geluk te kopen. Drie jaar eerder had ik 6 miljoen dollar uitgegeven aan een luxueuze penthouse­flat in de Upper West Side van Manhattan. Het was mijn droomhuis: de vijf hoogste verdiepingen van een iconisch kalk­stenen gebouw die uitkeken op Central Park.

Aangezien ik was opgegroeid met voedselbonnen en bijstandsuitkeringen, ging ik ervan uit dat de verhuis naar een kasteel in de wolken me geluk zou brengen. Maar zodra ik er introk, werd ik even triestig en angstig als in mijn kleine loft van weleer. Ik verkocht mijn luchtkasteel, ging weer downtown wonen en leidde een losbandig bestaan. Ik dekte de ramen af met aluminiumfolie en ging mijzelf te buiten aan weekendlange orgieën met alcohol en drugs. Maar hoe meer ik wegzakte in de decadentie, hoe meer ik ging walgen van mezelf en hoe eenzamer ik me voelde.

Wie is Moby?

• geboren als Richard Melville Hall op 11 september 1965 in New York
• wereldberoemd als artiest en dj onder de naam Moby
• werd als under­ground­producer een pionier in de dance-scene van de 90’s
• brak in 1999 door met elektro­nisch triphop­album Play
• leidde een losbandig leven, ging in 2008 bij de AA
• overtuigd veganist
• bracht in 2017 zijn recentste album uit, Everything Was Beautiful, and Nothing Hurt
• publiceerde zopas het tweede deel van zijn memoires Moby. Then It Fell Apart, waarin hij openhartig schrijft over zijn drank- en drugs­verslaving en angst­­stoornissen 

De wereld van roem en succes die mijn leven betekenis en legitimiteit had bezorgd, ontglipte me. En de enige uitweg uit de angst en de depressie waren de enkele nachtelijke uren waarin ik boordevol vodka en cocaïne op zoek ging naar iemand die wanhopig en eenzaam genoeg was om mee te nemen naar huis. Ik woog alle mogelijke opties tegen elkaar af voor een gemakkelijke en pijnloze manier om uit het leven te stappen.

De meeste van mijn albums had ik hier bij mij thuis gemaakt. Ook Play uit 1999, waarvan 10 miljoen exemplaren waren verkocht. Ik had hier gedineerd met mijn moeder en mijn grootmoeder, die nu allebei overleden zijn. Ik had hier Lou Reed mijn studio getoond. Op mijn Deense sofa van 8.000 dollar speelde ik samen met David Bowie ‘Heroes’ op mijn akoestische gitaar. De lange muur die van mijn voordeur naar de keuken leidde, hing vol met honderden gouden en platina platen, en toch voelde ik me ellendig. Na een leven lang van peilloos verdriet gaf ik me gewonnen. Ik had dit huis gebouwd en hier zou ik sterven. “Sorry, God”, fluisterde ik, en ik sloot mijn ogen.

Beeld SCREENSHOTJES ISOPIX

9 jaar eerder: de filmster en ik

“Waar is Natalie Portman?” “Ze staat bij de backstagedeur.” We hadden net een optreden afgewerkt in Austin, Texas. Het was in 1999. Ik liep naar de deur van de backstage in de overtuiging dat het om een misverstand of een grap ging. Maar kijk, daar stond Natalie Portman geduldig te wachten. Ze keek me aan met haar donkere ogen en zei: “Hi.” “Hi”, zei ik. Alsof dit normaal was, alsof we elkaar kenden, alsof filmsterren zomaar kwamen opdagen na mijn optredens. Ik leidde Natalie de backstageruimte binnen en haalde haar een flesje water. Ik dronk een biertje terwijl mijn band en de crew rustig, maar wat ongemakkelijk in de kleedkamer rondhingen. Nooit eerder hadden we backstage het bezoek gekregen van een filmster en geen van ons wist wat te zeggen of te doen. Ik was nerveus, dus begon ik wat over koetjes en kalfjes te kletsen. “We vertrekken binnen enkele dagen naar New York”, zei ik. “Voor de VMA’s.” Ze glimlachte en keek me recht in de ogen. “Ik ben dan ook in New York. Spreken we af?”

Dat was me even schrikken. Ik was een kale bingedrinker die leefde op een appartement dat rook naar schimmel en oude bakstenen, en Natalie Portman was een pracht van een filmster. Maar hier stond ze in mijn kleedkamer te flirten met mij. “Ja, laten we afspreken in New York”, zei ik, en ik probeerde meer zelfvertrouwen uit te stralen dan ik ooit in mijn hele leven had gevoeld. 

Een week later stond ik op een mezzanine in Lincoln Center platen te spelen tijdens de reclameblokken op de MTV Video Music Awards. Na mijn optreden verscheen Natalie op het balkon waar mijn draaitafels stonden opgesteld. “Wat doe je hierna?”, vroeg ze. “Ik doe een laat­avond­show voor Donatella Versace”, zei ik. “Wil je er mee naartoe?” “Oké’, zei ze en ze legde haar arm op mijn versleten gouden glittermouw en leidde mij zelfverzekerd weg uit het Lincoln Center. Ik was 33 en zij was 20, maar dit was haar wereld. Ik voelde me op mijn gemak in kroegen, stripclubs en veganistische eethuizen, maar award­shows en rode lopers waren mijn ding niet.

Beeld Moby

Natalie had een limo, een chauffeur en een bewakingsagent die haar opwachtten, en voor we naar het Versace-evenement trokken, gingen we eerst even langs op de VMA-afterparty. In de limo discussieerden we wat ongemakkelijk over onze favoriete vegetarische restaurants, terwijl haar bewakingsagent zich zo onzichtbaar mogelijk probeerde te maken.

Toen we op de party aankwamen, stapten we uit haar limo en kwamen terecht in een schare flitsende flashlichten en schreeuwende fotografen. “Natalie! Hierheen, Natalie!” “Natalie en Moby, deze kant op!” De paparazzi kenden mijn naam. Ik was nooit eerder gefotografeerd door paparazzi. Niemand had voorheen ooit mijn naam geschreeuwd, tenzij uit woede. Ik wilde daar blijven staan en genieten van de flitsende flashlichten, maar Natalie nam mijn hand en trok me mee naar het hotel.

Vlakbij zag ik Joe Perry en Steven Tyler van Aerosmith staan. Perry keek me in de ogen. “Hey, ben jij Moby?”, vroeg hij nederig. “Dat ben ik, en jij bent Joe Perry.” “Man, ik wou je alleen maar zeggen hoe goed ik je album vind.” “Is dat zo?” vroeg ik.

Genoeg mensen hadden me dat al eerder gezegd, zodat het me niet meer verraste, maar toch raakte ik er nog steeds van in de war. “Ben jij bij Natalie Portman?” “Daar lijkt het wel op”, zei ik. “Ze is zo sexy”, zei hij en ging ervandoor. Ik dronk mijn glas leeg en dat van Natalie ook. We gingen naar de Versace-party, waar ik om middernacht voor een optreden werd verwacht. Toen we vertrokken, begonnen de paparazzi opnieuw te roepen: “Natalie!” “Moby!” “Natalie.” “Ze zijn zo irritant”, zei Natalie toen we in haar limo stapten. “Oh, ja”, loog ik. Ik hield van paparazzi – want ze riepen mijn naam.

We kwamen aan op de party en weer waren er de paparazzi. Ik had maar twee glazen binnen, maar het leek wel alsof ik een hele distillerie vreugde binnen had.

Ik groeide op als een linkse punk­rocker en ik had altijd de celebritycultuur verketterd. Nu vond ik dat mijn ontluikende roem als een warme gloed aanvoelde, die me omhulde met een gevoel van eigenwaarde dat ik voordien nooit had waargenomen. Ik wist dat coole celebrity’s verondersteld werden zich voor te doen als zelfbewust en onaangetast door roem, maar elk grijntje aandacht viel bij mij als een druppel water op een uitgedroogde spons. Mijn gewone bestaan was tot nog toe vervuld van twijfel, maar dit nieuwe leven was magisch.

Klap in het gezicht

Wanneer ik een ernstige date overwoog met iemand, raakte ik in paniek: slapeloosheid, verkrampte spieren, zweten en niet aflatend, op hol geslagen gepieker. Voor ik de universiteitsdeuren achter me dichttrok in 1984, had ik maandenlang zonder problemen relaties gehad. Maar nu begon ik al na de eerste date te panikeren.

Jaren eerder, toen weer eens een relatie mislukte door de paniek, bereikten mijn nachtelijke frustratie en woede een kookpunt en begon ik mezelf in het gezicht te meppen. Ik mepte éénmaal. Daarna nog een keer. En nog eens, heel hard, tot ik achterover op de vloer viel. Een ogenblik lang voelde het goed aan en als mijn verdiende loon, want ik had mezelf in mijn waardeloos gezicht geslagen. Toen werd ik bang, omdat ik niet langer wist of ik niet gek aan het worden was. Over het algemeen slaan normale mensen zichzelf niet in het gezicht tot ze erbij neervallen. En geestelijk gezonde mensen panikeren niet in hotelkamers omdat ze enkele leuke afspraken hebben gemaakt met een vriendelijke, mooie en vegetarische film­ster.

Enkele weken lang had ik geprobeerd om Natalies vriendje te zijn, maar dat lukte niet. Ik meende dat ik haar moest vertellen dat mijn paniek te kolossaal was om in een echte relatie te kunnen functioneren, maar op een nacht belde ze me op en zei ze dat ze iemand anders had ontmoet. Ik was opgelucht dat ik haar niet had hoeven te vertellen hoe erg ik eraan toe was.

Zelfs na de breuk bleven Natalie en ik vrienden. Toen ik op tournee was in Australië, was ze in Melbourne naar mijn show komen kijken en had de cast van de Star Wars-prequels meegebracht. Na de show dronk ik in mijn kleedkamer champagne en vodka met Ewan McGregor. Ik nam het besluit om naakt op stap te gaan en me te bezatten. Sandy, mijn tour­manager, drong aan dat ik tenminste een handdoek om me heen zou slaan. Dus ging ik in centrum Melbourne op stap met een handdoek om me heen. Geen schoenen, geen kleren. Alleen een handdoek.

Ewan en ikzelf strompelden van bar naar bar en werden zatter en zatter. Naar het eind van de nacht toe belandden we in een ondergrondse bar vol Australische celebrity’s. Ik had 10 tot 15 glazen op en ging naar het toilet om te plassen. Daar stond ik bij het urinoir naast Russell Crowe. Hij ritste zijn broek dicht, duwde me tegen de muur van het toilet en begon tegen mij te schreeuwen.

“Euh, we hebben elkaar nooit eerder ontmoet”, probeerde ik te zeggen. “Waarom sta je zo te schreeuwen tegen me?” Maar hij bleef me tegen de muur geklemd houden en riep en schreeuwde onophoudelijk. Na een minuut verslapte zijn interesse, hij vloekte enkele keren en strompelde uit het toilet. Ik ging terug naar de bar en zei tegen Ewan: “Russell Crowe stond daarnet te gillen tegen me.” “Fucking, maat”, zei hij. “Daar zou ik me niet te veel zorgen om maken. Hij schreeuwt tegen iedereen.”

Zelfingenomen? Moi?

Mijn album Play was nu een van de best verkopende platen van de wereld. Ik gaf het aan niemand toe, maar ik vond het keitof mezelf in magazines te zien. Telkens wanneer ik bij me thuis in New York was, had ik een vrijdags ritueel om naar de winkel om de hoek te lopen en mezelf te bekijken in de magazines die in de rekken stonden. Telkens als ik mijn naam of foto afgedrukt zag staan, voelde ik me bevestigd in mijn bestaan. Hoe meer aandacht ik kreeg, hoe meer aandacht ik wilde. Hoe meer bezit ik vergaarde, hoe meer bezit ik wou. Ik wilde meer op tournee gaan, meer pers krijgen, meer alcohol drinken, meer uitnodigingen van celebrity’s krijgen en meer one­night­stands hebben. Mijn leven was perfect, en ik wilde dat het net zo zou blijven.

Steenkoude Jagger

“Moby, ken je Mick?” Ik spoelde mijn tweede ecstasy­pil door met een glas champagne toen Richard Branson me introduceerde bij Mick Jagger. “Neen”, zei ik, terwijl ik slikte. “We hebben elkaar nooit ontmoet.” Ik stak mijn hand uit. Mick nam ze aan en keek behoedzaam naar me. De meest iconische rock­ster van de wereld stond hier voor me en gaf me een hand als een dooie vis. “Moby heeft het fantastische album Play gemaakt”, zei Branson tegen Mick. “Ken je het?” “O, ik heb ervan gehoord”, zei Mick botweg, liet mijn hand los en keek de andere richting uit. Ik stond daar, wat onhandig, niet goed wetend of ik met Mick Jagger kon praten als gelijke. 

“Wel, dan ga ik terug naar de party”, zei ik uiteindelijk. “Leuk je te hebben ontmoet, Mick.” Maar hij was al weg en begon te flirten met Sophie Dahl, die naast hem op de couch zat. Ze was dertig centimeter groter en 40 jaar jonger dan Mick, maar hij bleef er onverschrokken bij en zij leek verzot op hem.

RocksterCocktail

Mijn label had een voormalige bank afgehuurd en er een party in georganiseerd. Ik had enkele vrienden uitgenodigd op het vip-balkon, waar we gratis champagne dronken en ecstasy slikten. Ik was al enkele jaren een zware drinker, maar sinds kort liep dat op tot 10 à 15 drinks per nacht, overal gecombineerd met ecstasy waar ik eraan kon komen. Ik had zelfs mijn eigen ‘rockster­cocktail’ samengesteld: twee of drie ecstasy­doses, een fles champagne en een fles vodka. Ik strompelde naar de bar en vroeg de barman een fles Veuve Clicquot. “De hele fles?” vroeg hij. “Het is oké”, verzekerde ik hem, op een aanstellerige toon: “Mijn album betaalt voor deze fuif.” Hij gaf me de fles toen ik de mooiste vrouw spotte die ik ooit had gezien. Ik ging naar haar toe. “Hi,” zei ik, “jij bent de mooiste vrouw van de planeet.” Ze lachte: “En jij bent Moby en je bent high.” “Dat is waar wat je zegt”, zei ik. “Wil je meegaan naar Sway?” Ze nam mijn hand en leidde me weg uit de fuif. 

We arriveerden bij Sway, mijn favoriete decadente bar in New York, waar je drugs in overvloed vond. Er stond een rij aan te schuiven voor de ingang, maar een portier herkende me en wenkte ons naar binnen. “Bono is hier”, zei hij, terwijl hij ons door de opeengepakte menigte leidde. “Ik breng je tot bij hem.”

Met Bono en Michael Stipe. Beeld Getty Images

Bono en Salman Rushdie

Bono, in het zwart gekleed en met zijn lavendelkleurige zonnebril op, zat er samen met enkele vrienden. “Moby!” riep hij, terwijl hij recht sprong. We gaven elkaar een knuffel en hij stelde me voor aan Michael Stipe. “Ik ken Michael!” zei ik en gaf hem ook een knuffel. De jongste maanden waren we nachtelijke celebrityvrienden geworden. Toen introduceerde Bono me bij Salman Rushdie, die me toelachte van achter zijn professorenbril. Bono en ik sprongen recht en begonnen te dansen op een song van de Buzzcocks. “Where in the world are we?” zongen we mee. “Everything is fake, nothing’s real.”

“O ironie”, zei Bono, terwijl hij me toelachte. De ironie was zo sterk als de alcohol: twee voormalige punk­rockers die champagne dronken van 300 dollar per fles in het hol van de baarlijke duivel en die meezongen met een oude punkrock­song met de titel ‘Paradise’.

Knob touch met Trump

In 2001 was ik op weg naar een party op Park Avenue. Opwindend was die fuif niet echt. Het liep er vol zakenlui en vastgoedontwikkelaars, van wie de bekendste Donald Trump was. Hij stond enkele meters verderop, terwijl hij luid inpraatte op enkele andere gasten. “Moby, doe eens de knob touch met Donald Trump”, zei een van mijn vrienden. Knob touch betekent dat je je penis uit je broek haalt op een party en hem tegen iemand aanwrijft. Ik nam een shot vodka om me op te peppen, trok mijn slappe penis uit mijn broek en liep onopvallend voorbij Trump en probeerde mijn penis tegen de rand van zijn jas aan te wrijven. Gelukkig maar leek hij niets op te merken. Ik keerde terug bij mijn vrienden en bestelde nog een drankje. ‘Ik denk dat ik mijn penis tegen Donald Trump heb aangewreven’, zei ik.

Dineren met Bowie

David Bowie kwam naar mijn appartement om te repeteren voor een liefdadigheidsevenement waarvoor we samen zouden optreden. Hij kwam uit de lift en stak me een koffie toe en zei: “De loopjongen is hier!” Hij ging op mijn zitbank zitten en ik nam mijn gitaar uit de koffer. “Ik heb een idee”, zei ik. “Wat als we voor het event ‘Heroes’ speelden op akoestische gitaar?” Hij lachte vriendelijk en zei: “Zeker, laten we eens proberen.” Op een of andere manier was ik toch in staat om te spelen, hoewel ik een buitenlichamelijke ervaring voelde: David Bowie zat in mijn huiskamer op de sofa terwijl hij de mooiste song aan het zingen was die er ooit was geschreven.

Beeld WireImage

David vertelde me dat hij de daaropvolgende week in zijn appartement zou dineren met Lou Reed en Laurie Anderson. Hij glimlachte en zei dat hij het leuk zou vinden dat ik ook zou komen. “Iman en ik kunnen je iets veganistisch klaarmaken”, zei hij.

Ik was al zo’n 15 tot 20 keer op hun flat geweest, maar telkens als ik bij hun voordeur kwam en wilde aankloppen, stond ik als aan de grond genageld. Binnen enkele seconden zou ik over de drempel stappen van David Bowies appartement met zijn lange gangen, zijn hypermoderne, maar warme chefkeuken, zijn bibliotheek in donker hout en de grote ramen die uitkeken op het gat in de lucht waar ooit de Twin Towers hadden gestaan.

Ik klopte aan en hoorde voetstappen. De deur ging open en daar stond David. Hij droeg een grijze broek en een zwart T-shirt en hij rook naar dure zeep. We liepen de keuken in, waar Iman stond te praten met Laurie Anderson. Lou Reed droeg een glanzende metaalkleurige jas en had een glas in zijn hand. “Hi, Lou”, zei ik. Hij gaf me een lange, warme knuffel. Ik verwachtte altijd van Lou dat hij mij haatte, zoals hij de meeste mensen haatte. Maar om een of andere reden – ik heb nooit ontdekt welke – leek hij mij te mogen.

Tijdens het diner keuvelden we honderduit – behalve Lou, die voldoende had aan zijn eten en zijn vodka soda. We hadden het over de oorlog in Irak, over onze afkeer voor Republikeinen, over de nieuwe films, over de kou, onze nieuwe albums, over alles eigenlijk. Mijn veganistische maaltijd was matig, maar dat kon me weinig schelen, want ik dineerde met de goden en de godinnen op de Olympus.

Moby en Lou Reed. Beeld Getty Images/AFP

Strippers en Hells Angels

Ik was een avondje vrij in Dallas en dus ging ik naar een solo-optreden van Tommy Lee van Mötley Crüe kijken. Ik maakte me klaar om de locatie te verlaten en naar mijn hotel te trekken, toen Vinnie Paul en Dimebag Darrell van de heavy­metal­band Pantera backstage opdaagden met een bende van hun Hells Angels-vrienden. Vince schreeuwde: “Je moet allemaal naar The Clubhouse komen!” Ik had al gehoord van The Clubhouse, Pantera’s striptease­club aan de rand van Dallas, en ik ging onmiddellijk op de uitnodiging in. Toen ik in het midden van de jaren 90 naar stripteaseclubs begon te gaan, voelde ik schaamte en schuld. “Wie zijn deze vrouwen?” vroeg ik me af. “En ben ik een slecht mens als ik hieraan meedoe?” Maar mijn schuldgevoel nam af toen ik me realiseerde dat sommige strip­meisjes met me gingen daten en vriendelijk waren voor me.

We reden naar het Clubhouse en stapten er binnen als demonische koningen. Een mager stripmeisje met kort blond haar zat naast me en keek me bedeesd aan. “Hi, ik ben Cassie”, zei ze terwijl ze me de hand schudde. Ze droeg een klein zilverkleurig bikinibroekje en was topless. “Hi Cassie, ik ben Moby”, zei ik. “Kijk, ik weet dat je aan het fuiven bent, maar ik wilde je zeggen dat jouw muziek mij door een erg moeilijke periode heeft geholpen.” De uitdrukking op haar gezicht werd week en haar ogen werden vochtig. “Dank je”, zei ik, en ik hield haar hand vast.

Twee strippers die naast me zaten begonnen met elkaar te flikflooien. Ik keek rond mij op zoek naar Cassie, maar ze was verdwenen. Een van de stripmeisjes draaide zich naar mij, kuste me met haar mond wijd open en zei: “Man, ik neem je mee naar huis vannacht.” Het andere stripmeisje nam een grote slok van een fles vodka en zei: “Wel, schat, als je hulp nodig hebt bij het wippen, laat het me dan weten.”

Met Madonna in Barcelona

Door zes meter hoge ramen keek ik uit op de Middellandse Zee. Het was 2002 en ik was in Barcelona voor een optreden op de European MTV Awards. In de kroon van het luxe­hotel waar ik verbleef, bevonden zich vier vorstelijke appartementen. Mijn penthouseburen waren Madonna en P Diddy.

De uitreiking van de MTV Awards had ’s anderendaags plaats, dus zou ik vanavond een party geven in mijn suite voor mijn band, mijn crew en enkele mensen van de platenmaatschappij. Ik had nog enkele uren voor mijn gasten zouden aankomen, dus wandelde ik door de hall naar de andere drie duplexappartementen. Ik klopte aan bij P Diddy.

Ik had hem het voorbije jaar al enkele keren ontmoet in verschillende clubs en award­shows. Goed kende ik hem niet, maar telkens als ik hem zag, was hij onverminderd even vriendelijk. Dus mocht ik hem wel. “Er komen wat mensen bij me langs straks, als je even wilt binnenwippen”, zei ik. “Dank je wel, ik ga dineren met Bono en Jay”, zei hij. “Maar je moet later naar mijn party afzakken. Ik huurde een villa buiten de stad. Het start rond 1 uur.”

Party met P Diddy en Heavy D. Beeld WireImage

“Oké, dank je, misschien zien we elkaar later”, antwoordde ik. Ik gaf hem een handdruk en ging naar buiten. Ik wandelde verder in de hall en klopte aan bij Madonna. De chef van haar security deed open. “Hi, is Madonna daar?” vroeg ik. “Ze is bezig met haar kapsel”, zei hij. “Kan ik je helpen?” “O, er komen wat mensen bij me langs straks, als ze wil langskomen”, zei ik. “Oké, ik zeg het haar. Hoe laat?” “Om negen uur?” zei ik onzeker. Ik was opeens wat nerveus geworden bij de bedenking dat ik het lef had gehad om Madonna op een party uit te nodigen. Maar ik kende haar al jaren.

Scott, mijn drummer, en Steve, mijn geluids­technicus, waren de eersten die aankwamen om 9 uur. De deurbel rinkelde. Ik opende de deur en daar stond Madonna, samen met haar veiligheidsagent en enkele parasieten. “Moby, hi!” zei ze hartelijk. “Hi, kom je erin?” vroeg ik, verbluft door Madonna’s verschijning. “Neen, ik ga eropuit. Ik wilde alleen eens gedag komen zeggen.” “Hi”, zei ik opnieuw, wat onhandig. We keken elkaar een ogenblik aan en dan zei Madonna: “Een leuke avond nog. Tot morgen.”

Ik was een rock­ster in een suite met drie slaapkamers aan de Middellandse Zee. Ik had van alles duizend keer meer gekregen dan ik ooit had durven dromen. Ik had het voorbije jaar 10 miljoen euro verdiend en de gang in mijn New Yorkse loft hing vol gouden en platina platen. Ik zei tot mezelf dat ik er niet om hoefde te malen dat het voor deze ene nacht niet zou verlopen zoals ik had gehoopt, maar ik geloofde mezelf niet en voelde me alleen. “Fuck!” riep ik en morste champagne op de sofa.

Het werd steeds moeilijker om te genieten van wat me was overkomen de voorbije jaren. Ik moest meer gaan drinken om dronken te worden. Ik moest met meer mensen slapen om mij bevestigd te voelen. Ik moest in meer magazines staan om mijn bestaan een betekenis en waarde te geven. Ik opende nog een fles champagne en ging naar boven. Ik struikelde op de glazen trap en viel. Mijn scheenbeen begon te bloeden, maar ik negeerde het.

Ik zat op de trap, nam een grote slok van de fles en begon te huilen. Dit was niet zoals het hoorde te zijn. Ik ging verder naar boven en hoopte dat ik me uit een van de ramen zou kunnen gooien in mijn slaapkamer. Maar neen, de ramen openden enkele centimeters om frisse lucht binnen te laten, maar dat was niet genoeg om er mij doorheen te wringen. Ik ging languit op het dikke tapijt liggen. Snikkend verontschuldigde ik me bij God en mijn dode moeder dat ik zo’n mislukkeling was.

Make It Go Away

Mijn slinkende roem maakte me doodsbang. Enkele jaren terug werd ik elke dag van de week uitgenodigd op party’s. Party’s van rocksterren, van filmsterren en van beroemde politici. Maar nu werden de invitaties schaarser en occasioneler en werden de party’s steeds minder prestigieus.

Ik was kwaad, angstig en beschaamd. Kwaad op mezelf omdat ik geen hit meer kon schrijven. Angstig omdat mijn carrière in een neerwaartse spiraal zat. En beschaamd omdat ik bij de jonge hipsters een trieste grap was geworden: een uitgedoofde ster die nog steeds elke nacht uitging, dronken werd en naar huis trok met om het even wie die ‘ja’ zei.

Een week voordien had ik mijn vijf verdiepingen tellende penthouse, mijn luchtkasteel, verkocht aan een gescheiden Texaanse. En ik had me van heel wat meer ontdaan de afgelopen maand. Ik had mijn 24 hectare grote landgoed in de staat New York verkocht aan een hefboomfondsmanager. Fareed Zakaria van CNN had mijn vastgoed aan het strand in de Dominicaanse Republiek gekocht. En ik had een huis in Beverly Hills van de hand gedaan, dat ik maar één keer had bezocht.

Ik had deze eigendommen gekocht met de bedoeling geluk en een bevestiging in mijn bestaan te vinden. Maar op een avond zat ik op café met een oude vriend. Ik vertelde hem over de romp­slomp die kwam kijken bij al dat verafgelegen vastgoed, waarop hij mij een simpele vraag stelde: “Ben je gelukkig?” “Neen, ik ben niet gelukkig”, zei ik, verslagen. “Waarom ontdoe je jezelf dan niet van al die dingen als ze je niet gelukkig maken?” De volgende dag belde ik mijn advocaat en bedacht het letterwoord ‘MIGA’, dat staat voor Make It Go Away. Ik had toen ook een sessie met mijn therapeut en vertelde hem dat ik al mijn overtollige eigendom van de hand ging doen. “Ben je van plan om jezelf van kant te maken?” vroeg hij mij botweg. Ik was van mijn stuk. “Dat week ik niet, waarom?” “Mensen verkopen soms hun bezit voor ze zich van het leven benemen”, zei hij. Ik wist dat therapeuten een cliënt aan de politie moesten rapporteren wanneer ze vermoedden dat hij suïcidaal was. Dus lachte ik en zei: “Kijk naar me, ik voel me prima!”

De scherven bijeengeraapt

Oktober 2008. Ik probeerde zelfmoord te plegen, maar mijn voorouderlijke overlevings­mechanismes namen de overhand. Toen ik de volgende morgen wakker werd, leefde ik nog steeds. Toch wilde ik blijven drinken. Dat had ik de afgelopen 33 jaar gedaan, al sinds ik er in 1975 als tienjarige mee begon.

Toen ik buitenkwam, zag ik dat het een mooie dag was: geen wolkje aan de hemel. Ik wandelde naar de enige Anonieme Alcoholici-­ontmoetings­plaats die ik kende. Ik was er het voorbije jaar enkele keren naartoe getrokken, maar telkens was ik ervan overtuigd dat ik eigenlijk niet verslaafd was.

Maar er waren ook die andere waarheden: ik kon geen vrouwen benaderen zonder slopende paniekaanvallen te krijgen. Als ik uitging, dronk ik nooit minder dan 15 glazen. De meeste dagen was mijn kater te groot om uit bed te komen. En elke namiddag toen ik wakker werd, was ik triest dat ik niet in mijn slaap was gestorven. Ten langen leste gaf ik aan mezelf toe dat dit onhoudbaar was geworden.

En nu was het 18 oktober 2008 en bevond ik me op een AA-bijeenkomst en staarde naar de vloer. Ik wilde opkijken om te zien wie er nog aanwezig was, maar ik was te beschaamd.

Roem en rijkdom hadden me moeten beschermen en mijn leven zin geven. Ze hadden alles moeten genezen. Maar ik had gefaald. Roem had mijn problemen niet opgelost en zelfs mijn laatste toeverlaten, alcohol en verval, hadden hun uitwerking verloren. Ik bleef in mijn stoel zitten en dacht, het is ermee afgelopen. De spanning verdween uit mijn lijf, ik capituleerde en begon te wenen. Ik stak mijn hand op en was nog steeds niet in staat op te kijken of iemand in de ogen te kijken. Ik wilde het niet zeggen. Maar ik wist eindelijk dat het zo was. “Ik ben Moby en ik ben alcoholist.”

Moby, Then It Fell Apart, Faber & Faber Inc., 320 p., 20,99 euro.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met De Morgen?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van De Morgen rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar info@demorgen.be.