Dinsdag 26/05/2020

Erwin Mortier en de collaboratie

‘Ik hield van die nestwarmte, de vlaggen en jongens in korte broek. Maar ik voelde ook: hier klopt iets niet’

Beeld Saskia Vanderstichele

Erwin Mortier (54) werd in 1999 van de ene dag op de andere een naam in onze letteren met zijn roman Marcel. Marcel stond voor zijn grootoom Jozef Lootens, die als SS-grenadier aan het oostfront was gesneuveld. 21 jaar later keert Mortier, met een intussen nog indrukwekkender stilistisch vermogen, naar de bron van zijn schrijverschap terug in de roman De onbevlekte. Het is een geval van ‘reculer pour mieux sauter’. Bevrijd van zijn literaire en echte voorvaderen ziet Mortier een nieuw leven wenken: ‘Nu is het aan mij!’

Waarom heb je teruggegrepen naar Marcel? Was er unfinished business?

Erwin Mortier: “Zeker niet in de zin dat ik nu op een afrekening uit zou zijn. Literatuur is er niet om oordelen te vellen. Als driftige adolescent heb ik weleens gemeend dat ik, met het grote gelijk van de geschiedenis aan mijn kant, mijn grootouders over hun oorlogsverleden moest ondervragen. Nu ben ik een oude doos en besef ik meer dan ooit dat die mensen ocharme twintigers waren toen ze collaboreerden.

“Mijn grootoom, die ik Marcel heb genoemd, was een jongen van 20 toen hij besloot met het Vlaams Legioen naar het oosten te trekken. Een jongen vol testosteron, die gegrepen was door de retoriek van Reimond Tollenaere (volksvertegenwoordiger en propagandaleider van het radicale Vlaams Nationaal Verbond of VNV, red.). Toen die in 1942 bij Leningrad was gesneuveld, zei mijn grootoom: ‘Ik ga zijn plaats innemen!’ Hij was nog maar pas aan het front in Oekraïne of hij werd als kanonnenvlees naar de linies gestuurd. In januari 1944 is hij gesneuveld in Zjytomyr. Hij is begraven in een buitenwijk van Berditsjev, ik heb die plek gevonden op Google Earth. Stalin heeft alle graven laten weghalen, maar de begraafplaats bestaat nog. Daar wil ik echt een keer naartoe, vóór de naburige schroothandel uitbreidt (lachje). Dan pas zal die hele geschiedenis voor mij afgerond zijn.”

Sinds je de eerste keer over dat thema hebt geschreven, is de aandacht voor de geschiedenis van de collaboratie alleen maar vergroot.

Mortier: “Ik vond het fantastisch dat uit de Canvas-serie Kinderen van de collaboratie bleek dat jonge historici zoals Koen Aerts zich daar nu in vastbijten. Tot vandaag is dat verleden nauwelijks verwerkt, en in die reeks kon je leren dat de christendemocraten daar in grote mate verantwoordelijk voor zijn. Om electorale redenen wilden ze dat potje gedekt houden. Daardoor is onze samenleving nog altijd van dat collaboratieverleden doordrongen, in de politiek, in de cultuur, in het bedrijfsleven – hoeveel industriële families hebben hun patrimonium niet deels door collaboratie opgebouwd? Ik kan wel vloeken omdat ons land nooit een waarheids- en verzoeningscommissie heeft gehad, zoals je die in Zuid-Afrika wel had na het einde van de apartheid. Onze naoorlogse cultuur is al te zeer op verzwijgen gestoeld. Je merkt het aan het ontbreken van een debatcultuur. Durf je hier een mening in het publieke domein te gooien, dan zegt er binnen de tien minuten iemand: ‘Daar kun je beter over zwijgen.’

“Aan elke tweet van Theo Francken kun je merken dat de oorlog nog nawerkt. Hij zit nog altijd in die kramp gevangen die ik als kind proefde als mijn grootouders met gelijkgezinden aan de koffietafel zaten – met de rolluiken naar beneden, en met de fotoalbums erbij: ‘Als we toen maar hadden doorgezet, dan was Vlaanderen veel groter geworden!’

“Ik vind de Vlaamse beweging heel sukkelachtig. Ooit stond ze voor sociale en intellectuele emancipatie, maar wat voor sukkels hebben we vandaag! Als De onbevlekte één impliciete boodschap heeft, dan wel dat het in de collaboratie wemelde van de labiele, onvolgroeide figuren. Vandaag is het in het politieke spectrum niet anders. Zie jij daar één min of meer stabiele figuur?”

De zwijgcultuur in je eigen familie heb je al vaak aangeduid als de bron van je schrijverschap.

Mortier: “Als kind voelde ik dat er dingen onuitgesproken bleven. Maar omdat er over Marcel niet gesproken werd, was hij overál. En schrijven was voor mij de beste manier om uitdrukking te geven aan die complexe gevoelens als schuld en schaamte waar het om ging. Als ik het te overdreven mag zeggen: ik moet mijn nazigrootoom zeer dankbaar zijn voor mijn schrijverschap.”

Dat je zijn verhaal een paar decennia na je debuut weer oppikte, had ongetwijfeld te maken met het feit dat je intussen zijn brieven had gekregen van zijn zus, jouw grootmoeder.

Mortier: “In 2008, aan het einde van haar leven, heeft ze zijn brieven en het hele archief aan mij overgedragen: ‘Dit zijn zijn papieren, ze zijn voor jou.’ Ik zag het als een blijk van vertrouwen. Ik had alles trouwens al eens gelezen, het is een wetmatigheid dat kinderen in de brieven van ouders en grootouders neuzen.”

Nu integreer je veel van die brieven in je roman. Brieven van de jongen die naar huis schrijft: ‘We zijn hier even hard geworden als echte SS-mannen’, die zich op het front verheugt en trots een foto met Stahlhelm naar huis stuurde, ‘met nationaalsocialistische groet en een krachtig houzee!’

Mortier: “Ze meenden het echt, hè, die koene Vlaamse strijders. Zoals ik vermoed dat onze Syriëstrijders het ook echt menen. Want die verwantschap tussen hen en de jochies die in het Midden-Oosten de boel gaan opblazen, is me steeds duidelijker geworden. Ze hebben een onstuimige jeugdigheid gemeen, een hang naar directe actie, het driftmatige, het onmiddellijke.”

Je vraagt je af of je zelf even vatbaar zou zijn geweest voor de lokroep der wolven. Zou dat kunnen?

Mortier: “Ja, want uiteindelijk gaat het om de vraag hoe sterk de druk van een omgeving op een individu kan zijn. Wij zien onszelf vandaag als eenduidige, sterke individuen, en dat kunnen we maar omdat we omringd zijn door een vrij stabiele samenleving. Maar een samenleving kan ontwricht raken. En van Anders Breivik en de Molenbeekse jochies kunnen we leren hoe schadelijk de rol van sociale media als Facebook en Twitter kan zijn, die juist op die directheid en impulsiviteit inspelen. Dat zijn adolescente media. Ze zijn trouwens door adolescenten in de garage ontworpen. Neem die Mark Zuckerberg: een eeuwige adolescent, toch? ‘Privacy? Daar hou ik me niet mee bezig.’ Maar intussen rijft hij wel op klassieke wijze miljarden binnen, voor privégebruik.”

ZWARTE WEDUWE

Je grootouders waren allebei VNV’ers. Je grootvader zat na de oorlog gevangen in een kamp in Lokeren. Dat wordt weleens het eerste cultureel centrum van Vlaanderen genoemd, omdat er zo’n grote concentratie was van cultuurdragers die hadden gecollaboreerd.

Mortier: “Ik heb me maar één keer kwaad gemaakt op mijn grootmoeder, en dat was toen ze zei: ‘De brieven die je grootvader naar mij vanuit het kamp van Lokeren heeft geschreven, heb ik verbrand, die waren toch niet interessant.’ Terwijl die documentair geweldig interessant hadden kunnen zijn, want mijn grootvader had daar goede contacten met schrijvers als Filip De Pillecyn of de intussen niet onterecht vergeten Valère Depauw, en hij heeft er als één van de eersten meegezongen in het koor van Gaston Feremans.

“Mijn grootouders zijn altijd de herdenkingen in het kamp van Lokeren blijven bezoeken, ze zochten daar een soort nestwarmte. Ook naar de IJzerbedevaarten sleurden ze me soms mee. Als kind was ik daar wel graag, ik vond die wapperende vlaggen en jongens in korte broek wel wat hebben. In de tenten zaten lieden met bruinzwart gedachtegoed koffie te drinken, onder meer met Florrie Rost van Tonningen (de ‘zwarte weduwe’ van de Nederlandse nationaalsocialistische leider Meinoud Rost van Tonningen, red.).

Dat was wel heel zwarte koffie, want die mevrouw heeft haar bewondering voor Hitler nooit afgezworen. Was jij zelf een hevige flamingant?

Mortier: “Ik voelde daar wel die nestwarmte, maar ook: hier klopt iets niet. Misschien omdat mijn ouders zich daar niet vertoonden. Hun houding was: je doet maar, maar het is niet ons ding. Ik heb ook wel stickers ‘Ik ben Vlaming en daar ben ik fier op’ op mijn portefeuille geplakt. Maar vergeleken met Wilfried Martens, die bij de IJzertoren ooit heeft geroepen: ‘Geef ons wapens!’, stelt dat niet veel voor, toch?

“Mijn grootouders hebben hun hele leven in het flamingantische milieu doorgebracht, maar je had allerlei strekkingen. Op politiek vlak hadden ze het verleden afgezworen. Ik herinner me eind jaren 70 de discussies over het Egmontpact. Ik zat naast mijn grootvader naar zijn nieuwe kleuren-tv te kijken, en hij zat te vloeken omdat de hele Vlaamse beweging dat pact had afgeschoten. En toen daarna het Vlaams Blok opgang maakte, hebben ze dat direct afgewezen. Zij zaten op de lijn van het liberale deel van de Vlaamse beweging, het flamingantisme van Hugo Schiltz en Paul Van Grembergen, dat in de verdrukking is geraakt.”

Is er een duidelijk moment waarop je zelf afscheid hebt genomen van dat Vlaams-nationale erfgoed?

Mortier: “Dat is heel complex, ik ben er nog altijd niet uit. Er komen dus nog veel boeken (lacht). Ik zat als kind soms op de schoot van Leo Tollenaere, de broer van Reimond Tollenaere – ik vond dat hij aangenaam rook naar zijn tabak met de lokkende naam Javaanse jongens. Toen Maurice De Wilde hem in de vroege jaren 80 interviewde voor zijn programma De Nieuwe Orde, was ik als jongen van een jaar of 16 toevallig in zijn huis in Oostakker aanwezig. Dat is een berucht interview geworden: Leo was zwaar ziek, hij had longkanker. En Maurice De Wilde had een redelijk onorthodoxe interviewmethode: hij hield ontzettend lange voorgesprekken en dat werkt niet zo goed als je met een patiënt aan de zuurstoftank in gesprek bent. Leo was uitgeput en hij kon zich de voorgesprekken niet herinneren, wat Maurice De Wilde zowat deed ontploffen. Ik hoorde de ramen kletteren tot in de achterkeuken. Uiteindelijk schreef hij op een karton wat Leo moest zeggen omdat hij het eerder al eens had gezegd: daar is veel kritiek op gekomen. Ik herinner me dat ik compleet van de kaart was: ‘Wat is hier gaande?’

“Het was een periode waarin er véél kantelde voor mij. Ik zat in Oostakker op school, een verloren jaar in wat de richting menswetenschappen heette, een soort vuilnisbak voor onaangepast gebroed zoals ik. Er waren maar twee lichtpunten in mijn leven: Humo, dat dinsdag verscheen, en Vrij Nederland op vrijdag – vensters op een andere wereld, maar voor de school extreem subversieve lectuur. En toen werd ik me ook nog van mijn seksualiteit bewust. Als je verlangens naar mannen uitgaan, word je al vroeg gewaar dat je een outsider bent. Op dezelfde sofa zat ik weer met mijn grootvader naar de BRT te kijken toen er een uitzending over de homoseksuele medemens was, en hij zei tegen mij: ‘Dat zijn toch echt geen normale mensen, hè?’ Voor de rest van mijn leven wist ik dat het opletten geblazen zou zijn. Vrouwen en homo’s, dat zijn de twee groepen die altijd klappen krijgen. Dat is vandaag niet anders.”

Je grootmoeder en je ouders hebben je homoseksualiteit toch vlot aanvaard?

Mortier: “Dat klopt. De grootmoeder van Lieven (Vandenhaute, Radio 1-presentator en de partner van Erwin Mortier, red.), die in 1898 was geboren en bijna 100 is geworden, beschouwde me als één van de familie, ik kreeg ook mijn enveloppe met 50 frank.

“Maar dat wil nog lang niet zeggen dat iederéén vandaag geëmancipeerd is. Ik heb het zelf meegemaakt in Gent, toen ik met een goeie vriend op een septemberavond langs het belfort liep, dat er een auto vol mannelijk jong gebroed stopte om ons uit te schelden. En toen ik aan de Sint-Niklaaskerk van een andere vriend afscheid had genomen met een innige zoen, is een Noord-Afrikaanse medemens naast me op de bus komen zitten, en hij heeft me de hele rit lang gepest door met zijn knie tegen de mijne te drukken, terwijl hij maar bleef zeggen dat hij ‘very good with the fuck’ was. Hoeveel hebben we dan bijgeleerd?

“Toen Lieven en ik begin jaren 2000 in Drongen een huis wilden huren, kon dat alleen met de hulp van onze huisarts, want twee mannen, dat kon toch niet! Bij het programma Nieuwe feiten dat Lieven presenteert, komen er voortdurend opmerkingen binnen: of zijn onderwerpen niet te gay zijn, en of er niet te veel Hollanders aan het woord komen – voor sommigen is dat één pot nat, hè (lacht). Het verkillende is dat in een VRT-enquête naar de waardering van de programma’s precies diezelfde opmerkingen terugkeren.”

Opvallend in De onbevlekte is de vraag of ook Marcel homoseksueel was.

Mortier: “Er zijn geen aanwijzingen, dat heb ik er meer als een geintje in gestopt. Maar vergeet niet dat de sublimatie van homo-erotische verlangens een gegeven was in de nazibeweging. In die rangen ontbrak het niet aan jongens die het adagium ‘I love a man in uniform’ letterlijk namen. Ik hoop het, dat ze daar ver weg ook eens met elkaars wapentjes hebben gespeeld, zodat ze toch iets van de glorie van het bestaan hebben ervaren voor ze door Russische granaten aan flarden werden gereten.”

‘Nog lang niet iederéén is vandaag geëmancipeerd. Toen ik met een goeie vriend langs het belfort in Gent liep, stopte er een auto vol mannelijk jong gebroed om ons uit te schelden.’Beeld Saskia Vanderstichele

STRONTVRIJE MENSEN

De draad van je debuut weer oppakken betekende ook dat je nog een keer terugkeerde naar het idyllische platteland van weleer. Was in Hansbeke de betonstart nog niet gegeven toen je daar opgroeide?

Mortier: “Er werd al flink gebouwd, maar het dorp had het geluk dat het in de jaren 70 nog in handen was van de oude adel, de familie De Bousies-Borluut. Die keerde zich tegen ruilverkavelingen omdat ze graag hoge gezelschappen voor het jachtseizoen uitnodigde. Tot vandaag zijn er allerlei houtwallen bewaard. Driekwart van dat dorp bestond uit boerderijen, de meeste waren pachtboerderijen van het kasteel. Als we het milieu willen beschermen, moeten we misschien opnieuw de feodaliteit invoeren (lacht).

“Ik heb me altijd erg voor de natuur geïnteresseerd. Ik wantrouw nog altijd mensen die niet weten wat hondsdraf of gevlekte scheerling is, of op een wandeling hooguit zien dat het ‘heel groen’ is. Dan denk ik: blind zijn is niet erg, maar je ziet wel weinig. Het landschap waarin ik ben opgegroeid, was geen natuurlijk landschap, maar één dat al eeuwen was bewerkt. In de middeleeuwen behoorden we tot de dichtst bevolkte gebieden van de wereld, en er moest op een zeer klein oppervlak voedsel voor ontzettend veel mensen geproduceerd worden. Witlof, spruiten en de Mechelse koekoek zijn niet uitgevonden om er in Hof van Cleve mee te pronken, maar uit bittere noodzaak. Onze intensieve, destijds zeer milieuvriendelijke landbouw stond echt aan de top, men kwam van heinde en verre kijken. Dat landschap dat nu grotendeels verkaveld en gebetonneerd is, was onze horizontale kathedraal.”

Over je laatste bezoek aan de boerderij van je grootmoeder schrijf je dat een zakentype het nu gauw zal opkopen en laten ‘opkalefateren tot een weekendverblijf om van een strontvrij platteland te genieten’. Kopij die de Boerenbond zal lusten, want die verdedigt dezer dagen de oude plattelandsgewoonten tegen de nieuwkomers in – naar het Franse voorbeeld, waar de wet nu bepaalt dat hanen mogen blijven kraaien.

Mortier: “Eén front met de Boerenbond? Je wilt me in een existentiële crisis storten? Ik vind de gele hesjes belangrijker dan dat soort nostalgie. Je zult daar maar op het platteland wonen, in lieflijke samenhang met de hanen. Maar omdat er geen openbaar vervoer is, moet je de kinderen kilometers ver naar school brengen, en dan krijg je van president Macron en andere city boys nog de boodschap dat je Renault een vervuilende diesel is.

“Ik heb geen romantisch beeld van het boerenleven. Maar die boeren voelden wel aan dat oogsten konden mislukken en dat mensen dan honger leden. Ze beseften dat het leven onvoorspelbaar is. Ik had meer sympathie voor hen dan voor de strontvrije mensen die zich er kwamen vestigen. De eerste was iemand van Agalev (de voorloper van Groen, red.), die pleitte voor het behoud van allerlei dingen, maar aan zijn hek hing wel een parlofoon. En om aan de voordeur te raken moest je tussen de bloedhonden slalommen.”

De grootmoeder in De onbevlekte noem je de ‘hoedster van graven’, ‘draagster van afwezigheden’: zo zie je zelf je rol als schrijver, geloof ik. Denk je nog dagelijks even aan de dood, zoals je al vaak zei?

Mortier: “Gek genoeg ben ik daar pas recent van afgeraakt, sinds de dood van mijn vader. Hij is gestorven op 27 januari van dit jaar. We wisten al lang dat hij zou heengaan. Ik wilde heel bewust veel in zijn buurt zijn. Net als de rest van de familie heb ik ook goed voor mijn moeder gezorgd, toen die op haar 57ste dement was geworden. Ik was haar voogd. Maar toch had ik er het gevoel aan overgehouden dat ik er niet genoeg voor haar was geweest. We konden ook niet meer met elkaar praten. Mijn vader leed soms vreselijke pijnen, maar met hem heb ik tot op het laatst bij vlagen kunnen praten.

“Alle kinderen waren bij hem bij het afscheid. De gewoonheid van zijn dood vond ik heel troostend, de ademhaling die langzaam wegstierf. Ik heb hem voelen doodgaan, mijn hand lag op z'n buik. Ik heb hem in het oor gefluisterd: ‘Goeie reis, ik hoop dat je mama terugziet.’ ‘Hij is vertrokken’, zeiden we tegen elkaar. En dat was het dan.”

Een heel ander heengaan dan dat van uw moeder, dat je zo indringend hebt beschreven in Gestameld liedboek. Ze leed járen aan alzheimer, zonder dat ze het wist.

Mortier: “Het was veel te snel gegaan. Op de boekvoorstelling van Godenslaap was ze er nog bij, daarna is ze in twee maanden van een min of meer bewust leven naar een vegetatief bestaan geëvolueerd. Zes jaar heeft ze nog geleefd, tot ze zich in de winter van 2017 niet meer overeind liet zetten. Het uitdoven op haar bed heeft nog tien dagen geduurd. Wat voor een lijdensweg dat voor ieder van ons is geweest, beseffen we nu pas.”

Je bent ooit aan een roman begonnen die Vadertaal zou heten.

Mortier: “Die roman komt er, dat boek ligt hierboven in een doos te groeien. De titel moet je ironisch opvatten, want mijn vader was een man van weinig woorden. Maar hij heeft me wel hele bibliotheken overgeleverd: ik was nog maar 5 toen hij me aan de hand meetrok naar de bibliotheek.”

Dat jij en Lieven een dagje ouder worden, krijgt een echo in de roman. Je schreef tien jaar geleden al: ‘Is dit wat nu rest: regelmatige controles van kiezen en prostaat, weemoed en ziekenhuiskosten?’

Mortier (lacht): “Je hebt niet te kiezen, maar je kunt het leven wel vieren. Dat ik op een dag Lieven zal moeten achterlaten, of hij mij, daar zit pijn in, dat is onvermijdelijk. Ik heb al van veel mensen afscheid moeten nemen, en wat ik heb geleerd, is dat de pijn die erbij hoort, ook een graadmeter is voor hoe graag je hebt gezien en bemind bent geworden. Als die pijn er níét is, heb je misschien een oppervlakkig leven geleid.”

‘Ik hou erg van de natuur. Ik wantrouw nog altijd mensen die op een wandeling hooguit zien dat het 'heel groen' is. Dan denk ik: blind zijn is niet erg, maar je ziet wel weinig.’Beeld Saskia Vanderstichele

MOOI SNOETJE

Voor het najaar heb je een dichtbundel klaar, getiteld Precieuze mechanieken. Alleen al de verantwoording vooraan is merkwaardig: ‘Onverantwoording’ staat erboven.

Mortier: “Ik ben voor onverantwoord schrijven. Het is vandaag bon ton om te zeggen: ‘Je kunt niks zeggen over de zwarten als je zelf niet zwart bent.’ Dat soort dingen, daar moeten we met de grove borstel door, dat is quatsch. Een schrijver mag over alles schrijven, hij mag zich álles verbeelden, hij mag zich verbeelden dat hij de Himalaya is, of een prehistorische bacterie. Dat en niks anders moet het uitgangspunt van de literatuur zijn.”

Zegt de geprivilegieerde blanke, is dan al gauw de tegenwerping.

Mortier: “Neenee, alsof het DNA op literair gebied iets te vertellen heeft – alsjeblieft, zeg! Dan hebben we het over een omgekeerd racisme. Alle mensen die zich daarop beroepen, hebben de essentie niet begrepen. En zijn het ook geen flauwe schrijvers?

“Het spijtige is dat redacteurs van uitgeverijen – gelukkig niet de mijne – daar wel rekening mee beginnen te houden, nog vóór ze een regel gelezen hebben: ‘O, die heeft een mooi olijfbruin snoetje, leuk voor de flap!’ Ik zou niet graag vandaag moeten debuteren: je weet nooit zeker of je wel wordt uitgegeven op basis van je manuscript.”

Ook in de gedichten pleit je voor een complete vrijheid. ‘Ik zain zo vraai as ne veugel’, zeg je een Antwerpse taxichauffeur na. En in een heel ander register: ‘Vrijheid draagt geen geharnaste dogma’s, maar een kanten onderbroekje’.

Mortier: “Ik draag geen kanten ondergoed, voor alle duidelijkheid (lachje). Maar ik heb inderdaad zin om de komende jaren in alle speelsheid en vrolijkheid en in alle genres en registers te verwoorden wat ik zoal observeer. Ik heb door de ziekte van mijn moeder te lang te veel van mijn vrolijkheid verloren.”

Het moet je hoog gezeten hebben dat je jezelf al te zeer in een korset had gedwongen, want je schrijft: ‘Ik heb me dusdanig met experimentele poëtica’s volgepropt dat ik rustig vijftig Kaaitheaters en Needcompany’s vol zou kunnen schijten met de diarree van hun droge pruimen.’

Mortier: “Eindelijk heb ik een bundel geschreven die bruikbaar is als laxeermiddel! (lacht) Ik kom zo vaak op tentoonstellingen en theatervoorstellingen waar je als toeschouwer vooral zeer onder de indruk moet zijn van de verkondigde theorieën. Luc Tuymans, bijvoorbeeld, lijdt daar erg onder in zijn recentere werk: je moet wel vertrouwd zijn met Alain Badiou! Ik vind Stefan Hertmans een geweldige mens en schrijver, maar soms zou ik willen weten waar zijn Adorno-knop zit, om die even te kunnen uitzetten. Uitstekend dat dat deel uitmaakt van je culturele bagage, maar je moet er niet mee uitpakken. Als kunstenaar werk je voor de toeschouwer, het is niet de toeschouwer die voor jou moet werken.”

De bundel is opgedragen aan je man, ‘mijn redder’.

Mortier: “Mijn algehele redder, ja! Hij heeft er ook voor gezorgd dat ik als schrijver door het leven kan. Lieven begon voor de radio te werken toen we elkaar 31 jaar geleden leerden kennen. Ik ben met hem meegegaan toen hij bij Studio Brussel ging solliciteren. Ik zat op het Daillyplein op hem te wachten: ‘Hoe is het gegaan?’

“Op grond van mijn liefdesbrieven heeft Lieven vanaf het begin gezegd: ‘Jij bent gedoemd om te schrijven!’ En hij wilde me verbieden om te werken.”

Je debuut in 1999 kwam wel vrij laat. In de jaren 90 was je verbonden aan het Museum Dr. Guislain.

Mortier: “Ik was niet gehaast. Maar ik wist wel dat ik wilde schrijven. En ik weet wat ik waard ben, ik ga daar niet vals bescheiden over doen. Ik wilde iets toevoegen aan onze literatuur, ook als dat offers vergde.”

Offers zoals?

Mortier: “Geen voltijdse geregelde baan hebben, geen goed gespekte kas. Omdat ik me ten dele aan het leven onttrek, ben ik ‘een halve vent, een halve vriend, een halve broer, een halve nonkel, een halve kleinzoon waarschijnlijk, en misschien een volle schrijver’, zoals ik in De onbevlekte schrijf. Gustave Flaubert worstelde daar ook mee: ‘Een schrijver mag in de zee des levens waden, maar niet dieper dan tot de navel.’ Maar ik heb het er wel voor over, hoor. En af en toe ga ik ook kopje-onder.”

In je Onverantwoording heb je het over een afscheid van je literaire vaders. Wie zijn dat dan?

Mortier: “Eén van de prettiger dingen bij de verschijning van Marcel was, dat ik op het schild werd gehesen als redder van de moderne literatuur en dat ik een ongelofelijke gulheid mocht ondervinden van schrijvers als Hugo Claus, Jef Geeraerts, Ivo Michiels en Gerard Reve. De onbevooroordeeldheid waarmee ze ‘Welkom!’ zeiden, deed deugd. Maar ik heb grafredes genoeg bezorgd: nu is het aan mij (lacht).”

Volg je intussen ook de cultuurpolitiek op Vlaams niveau met de N-VA aan het roer, en met name Joachim Pohlmann op het kabinet van minister-president Jan Jambon?

Mortier: “Ik zag onlangs in de krant een stuk over hem, en ik raakte gebiologeerd door de foto’s in zijn kabinet: een wonderlijke combinatie van een gestileerde bronzen kalasjnikov met een portret van Mia Doornaert: het pastorale Vlaanderen, laten we maar zeggen.”

Is het een vooruitgang in de Vlaamse iconografie: van Albrecht Rodenbach naar Mia Doornaert?

Mortier: “Mia Doornaert heeft haar verdiensten, ze is niet op haar mondje gevallen. Alleen zou ik op haar leeftijd geen directrice van het Vlaams Fonds voor de Letteren meer worden. ‘Ik heb mijn sporen nu wel verdiend’, zou ik zeggen.

“Er is wel wat van een Kulturkampf te merken. Ik hoor dat er in het Toneelhuis een oorlog gaande is, ze hebben er een zeer moeizame verhouding met hun raad van bestuur. De N-VA probeert dus wel het één en ander, maar misschien moeten we er niet té veel aandacht aan besteden. Bij de volgende verkiezingen gaan ze nog verder achteruit, dat weten ze zelf ook. Het is dus een kwestie van hen uit te zitten en er intussen voor te zorgen dat ze niet te veel stommiteiten uithalen.

“Tomaten naar Jan Jambon gooien ga ik niet doen, dat is zonde van de tomaten. Maar ik vind dat hele kabinet wel een sukkelkabinet. Eerst hebben ze dure praatjes over cultuur, en vervolgens mag iedereen met zijn dossiertje langskomen en wordt er iets geregeld. Dan zijn we terug in de tijd van vóór er cultuurministers waren.”

Heel lang geleden heb je eens Het laatste boek van België aangekondigd.

Mortier: “Héél mijn werk is Het laatste boek van België: dat is het overkoepelende gebouw, zoals Proust zijn A la recherche du temps perdu had. Ooit zal ik mijn boeken ordenen zoals de Bijbelboeken: Godenslaap is dan mijn Genesis en Vadertaal zal mijn Exodus zijn. Marcel I en Marcel II, zoals ik die twee weleens noem, zijn de Parabels, de gedichten zijn de Psalmen, enzovoort.”

Moet je niet voortmaken om het einde van België voor te blijven, als je er Het laatste boek aan wilt wijden?

Mortier: “Nee, België blijft bestaan! We gaan naar een België van vier entiteiten: Vlaanderen, Wallonië, de Duitstalige gemeenschap en Brussel. Alle politici die ik in de laatste twintig jaar heb ontmoet, en dat zijn niet de onnozelste, weten dat. Dat we twee verschillende democratieën zouden zijn, is gezever. De dag dat we in de grondwet een federale kiesomschrijving vastleggen, zijn we weer één democratie, want dan vallen er voor de politici in het hele land stemmen te verdienen. Het spijtige is dat zoveel jonge mensen een afkeer van politiek krijgen, en dat terwijl we alerter zouden moeten zijn: de barbaren staan voor de poorten en zijn her en der al voorbij de poort geraakt, tot in het hart van de democratie.”

In je poëziebundel kondig je een tweede fase in je leven aan. Wat doet je denken dat die ‘misschien wel het beste’ inhoudt?

Mortier: “Als ik nu even weggeweest ben en thuiskom, heb ik nog de reflex mijn vader te bellen. Maar het hoeft, en kan, niet meer. Dan denk ik: eindelijk ben alleen ik nog voor mijn stommiteiten verantwoordelijk.”

Erwin Mortier, 'De onbevlekte’ verschijnt op 7 april bij ‘De Bezige Bij’

© Humo

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met De Morgen?

Tip hier onze journalisten


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234