Vrijdag 18/10/2019

Interview

‘Ik heb niet veel geduld, nee’: Peter Goossens (Hof van Cleve)

Peter Goossens. Beeld Kevin Faingnaert

De man die zijn volk torentjes leerde bouwen op het bord, staat op eenzame hoogte, althans in ons land. En dat zou Peter Goossens (55) graag anders zien, zolang het niet met te veel schuimpjes en toefjes gepaard gaat. ‘Stoverij met friet, natuurlijk moet dat in de Vlaamse canon.’

“Voilà.” Peter Goossens kruist de armen. Klaar. Shoot. Smalltalk is tijdverspilling.

Zoals alles in het Hof van Cleve, is ook de tijd van Goossens uiterst precies afgemeten. “Ik ben zo geworden, denk ik. Je staat altijd onder tijdsdruk, alles moet nu gebeuren.” Met de wijsvinger op tafel benadrukt hij zijn woorden. Als de chef ‘nu’ zegt, dan is het echt ‘nu’. “Dat is in mij gekropen, en dat schud ik niet meer van me af, zelfs als ik hier buiten stap. Ik heb niet veel geduld, nee.” Hij glimlacht. “Tijd en gezondheid, dat zijn de twee zaken die iedereen nodig heeft en die je niet kan kopen.”

In het Hof van Cleve is de dag al flink op gang getrokken. Rond ons worden plooien gladgestreken in de gesteven ­linnen tafelkleden. Bestek en glaswerk wordt met militaire precisie op tafels geschikt. Binnen tweeëneenhalf uur ­arriveren de eerste gasten hier voor de middagservice.

Beeld Kevin Faingnaert

Het is geen geheim dat Goossens niet erg dol is op interviews. De periode dat hij elke week in de boekskes stond, ligt ver achter hem. De kans dat u chef Peter Goossens nog ziet opduiken in een tv-format, is trouwens zo goed als nihil. Hoe aanlokkelijk de vele voorstellen ook zijn, het BV-schap heeft hij met plezier van zich afgeschud. Zijn plaats is hier, in de keuken van het enige driesterrenrestaurant dat ons land rijk is. “Ik heb dat met veel plezier gedaan, programma’s als Mijn restaurant. Maar sindsdien sta ik met nog meer goesting hier in de zaak.” De godfather van de Belgische keuken lijkt ondertussen ook voldoening te vinden in een nieuwe missie. Jong talent ondersteunen, ons culinair ­erfgoed bewaken en de overheid wakker schudden.

Zo was Peter Goossens een van de drijvende krachten achter de schermen om de uitreiking van de World’s 50 Best Restaurants volgend jaar naar Antwerpen te halen. De ‘Oscars van de gastronomie’ zijn een initiatief van het Britse magazine Restaurant en worden in tegenstelling tot de Michelin-keuring niet samengesteld door inspecteurs, maar door een duizendtal chefs, journalisten en foodbloggers wereldwijd. De top 10 werd dit jaar aangevoerd door het Franse Mirazur. Het hoogst geplaatste Belgische restaurant was Hof van Cleve op de 43ste plaats. Ook The Jane van Nick Bril (plaats 99) en Chambre Séparée van Kobe Desramaults (plaats 111) kregen een vermelding. Maar we verdienen beter, vindt Goossens.

Bent u van nature competitief?

“O ja. Altijd geweest. Ik moest altijd de beste zijn. In alles. Niet dat ik ooit veel tijd heb gehad voor andere dingen. Sport of spelletjes, dat bestond bijna niet voor mij. Maar in mijn beroep was ik altijd brandend ambitieus.”

U was even uit de top 50 getuimeld en was flink gestegen dit jaar in de 50 Best. Vindt u dat nog belangrijk, na 35 jaar in het vak?

“Het doet zeker deugd, voor het hele team is die erkenning belangrijk. Maar ik wil niet in mijn eentje in die lijst staan als oude krokodil. We moeten aan de verjonging blijven ­werken. Daarom ben ik zo trots dat we die uitreiking naar hier kunnen halen. Als al die chefs en restauranteigenaars en journalisten volgend jaar hierheen komen, dan ontdekken die invloedrijke mensen ook onze andere topzaken. Dat is belangrijk voor de komende jaren, om de nieuwe ­generatie op de kaart te zetten. Samen met Bartel Dewulf (van Belgocatering, ook bekend als chef-kok van de Rode Duivels, EM) zijn we met Toerisme Vlaanderen gaan praten, voor steun en financiering, en dat is gelukt.” (De uitreiking van de 50 Best in Antwerpen wordt ondersteund door EventFlanders, een initiatief van de Vlaamse Regering om ­evenementen met internationale uitstraling naar Vlaanderen te halen, EM)

Dat is best bijzonder. U zou ook kunnen zeggen: laat mij maar op eenzame hoogte staan, de concurrentie moet het zelf maar redden.

“Maar nee, het gaat over het behoud van onze culinaire ­traditie. Het is tijd voor vers bloed. Ik heb met het Hof van Cleve 19,5 op 20 in de Gault Millau, drie Michelinsterren, ik sta in de lijst van de 50 Best. Het kan haast niet meer beter. Ik ben 55 en ik wil nog vele jaren verderdoen hier. Maar er is zoveel talent in ons land, die verdienen meer erkenning.”

Peter Goossens. Beeld Kevin Faignaert

In de top 10 van de 50 best staan twee Spaanse restaurants en twee Deense. In die landen heeft de overheid zwaar ­geïnvesteerd in de promotie van hun culinaire toppers.

“Absoluut, en je ziet dat dat resultaten geeft. Wij lopen ­achter op dat vlak. Terwijl je dat zo terugverdient. Het potentieel van ons gastronomisch toerisme is enorm. Mensen komen vanuit de hele wereld naar Brugge, Antwerpen, Gent, Brussel, en heel vaak koppelen ze dat aan iets culinairs. De Belgische keuken heeft internationaal nog altijd een geweldige reputatie, maar de overheid laat kansen liggen. Dat is typisch Belgisch. De horeca, dat zijn ­ondernemers, die moeten maar gewoon hard werken en zo geraken ze er wel. Die hebben geen steun nodig, zeker?”

Peter Goossens is niet de enige chef die zich weleens heeft uitgelaten over een gebrek aan erkenning van de overheid. De Rode Duivels worden na een goede prestatie ­feestelijk ontvangen op het Paleis, dus zou het toch leuk zijn als een topchef eens een kaartje kreeg met felicitaties van de koning, minister of minister-president? Vanuit het buitenland komt die appreciatie er wel. “Ik kreeg een tijd geleden per post een uitnodiging in de bus vanwege het Elysée. Dat betekent toch iets. Daar vinden ze dat heel evident, om de culinaire top van overheidswege in de kijker te zetten.”

Peter Goossens

geboren in 1964 in Zottegem

opende in 1992 Hof van Cleve

in Kruishoutem

haalde in 1998 twee ­Michelinsterren, sinds 2005 heeft hij er drie

eind 2010 werd Goossens benoemd

tot ridder in de Leopoldsorde

werd bekend als jurylid in

het tv-programma Mijn ­restaurant

richtte mee de kookzender Njam! op

getrouwd, heeft drie kinderen

Wat houdt zo’n plechtigheid bij President Macron in?

“Alle driesterrenchefs uit Frankrijk werden geïnviteerd op het Elysée en ik mocht daarbij zijn, als enige Belgische drie­sterrenchef. Verder werd daar niet over gecommuniceerd, we wilden dat heel discreet houden. Ik zie dat vooral als een mooi eerbetoon, omdat ik ook altijd de Franse ­gastronomie in ere ben blijven houden. Hoe je het draait of keert, de klassieke Vlaamse of Belgische keuken is voor een groot deel Franse cuisine.

“De Franse gastronomie is erkend als immaterieel cultureel erfgoed door Unesco. Zij zien het culinaire als deel van hun patrimonium, het zit in hun cultuur en daar wordt niet aan geraakt. Daarom staan ze nog steeds op het hoogste niveau, en kom je Franse chefs tegen in alle toprestaurants in Tokio, New York en LA. Wij Belgen hebben zoveel talent in huis, laten we dat ook wat meer in de kijker zetten.”

Nederland heeft ons in de Michelingids voorbijgestoken, zij hebben nu drie restaurants met drie sterren. Is de Belgische gastronomie er slecht aan toe?

“Akkoord, in Nederland zijn er op dit moment meer ­driesterrenrestaurants dan in België, maar dat zegt niks. Het niveauverschil met de andere zaken is daar enorm. Ze ­hebben daar een toplaag, maar daaronder is het een pak minder. Daar kan je in een bistro nog weleens erwtjes uit blik als garnituur op je bord krijgen. In België kan je op elk moment van de dag lekker eten. Wij vinden dat evident, voor elk budget krijg je hier kwaliteit, van een goeie ­spaghetti in een brasserie tot de absolute gastronomische top. Dat is de Belgische gastronomische traditie. We ­beseffen niet voldoende hoe goed onze keuken is.”

Peter Goossens. Beeld Kevin Faingnaert

Er wordt gesproken over een canon van de Vlaamse identiteit, welk gerecht zou u daar graag in opnemen?

“Dat is een van mijn grote stokpaardjes, onze culinaire ­traditie maakt absoluut deel uit van onze identiteit. Laten we al eens beginnen met onze frieten, die de Fransen ­hebben geclaimd als French fries. En daarbij een goeie ­stoverij met varkenswangetjes, ik heb dat 30 jaar geleden gelanceerd en het is ondertussen een klassieker. Dat is nog lekkerder dan rundsstoofvlees, en varkenshouderij is ook echt oer-Vlaams. Klaargemaakt met Belgisch bier en Belgische mosterd, natuurlijk.”

Er was een periode dat Peter Goossens zeven levens met elkaar leek te combineren. Hij richtte mee de kookzender Njam! op, was niet van het scherm te branden dankzij ­populaire VTM-programma’s als Mijn restaurant en De beste hobbykok van Vlaanderen, startte een brasserie op in het Museum voor Schone Kunsten in Brussel. Tot de ­onvermijdelijke crash en een annus horribilis in 2012. Sindsdien schroefde Goossens al zijn nevenactiviteiten terug. Hij heeft leren nee zeggen, hoewel hij moet toegeven dat de goesting groot was om nog eens in een nieuw tv-avontuur te stappen.

“Ik heb enkele heel interessante voorstellen gekregen, het kriebelde wel om erop in te gaan. Maar de knoop is doorgehakt: ik doe het niet. Ik moet hier zijn, in mijn ­restaurant. Voor mijn klanten. De mensen die naar het Hof van Cleve komen, moeten supercontent buiten gaan, dat is altijd het allerbelangrijkste. En vooral: ik had geen zin in alles wat erbij komt kijken. Interviews, mijn privéleven dat te grabbel wordt gegooid. Ik heb ondervonden wat de keerzijde van de medaille is. Niemand weet iets over mijn kinderen, bijvoorbeeld, en dat is heilig.”

Hebt u spijt van uw televisieoptredens?

“Nee, want ik heb dat heel graag gedaan. Koks waren toen nog geen bekende koppen, ik wilde tonen wat er allemaal komt kijken bij onze job. Dat is niet zoals thuis koken, naar de supermarkt gaan en een lekker bordje maken. De ­organisatie van een restaurant, de keuze van de juiste ­ingrediënten en leveranciers. Het is niet dat wij hier ­binnenwandelen en even een showke geven. Een restaurant, dat is ’s ochtends in alle vroegte hier staan voor de ­leveringen, tot ’s nachts voor de opkuis. Ik wilde graag het respect tonen voor dat vak.”

Eigenlijk was u enkel in uw rol als chef te zien op het scherm. Terwijl ze u vast ook hebben gevraagd voor Sterren op de dansvloer.

“Voor alles hebben ze mij gevraagd. (lacht) Maar nee, dank u.”

De hype rond de kookprogramma’s zorgde even voor een boost in het aantal inschrijvingen voor koksopleidingen. Maar het blijft een knelpuntberoep. Vindt u het moeilijk om goede jonge werkkrachten te vinden?

“Dat blijft een challenge, ja. Even was er een hype, maar het kaf werd snel van het koren gescheiden. Het verloop blijft groot, ik heb nu vijftien man in de keuken, en ik vind het nog altijd leuk om die jonge gasten te coachen, dat houdt mij jong.”

Goossens was zelf amper 22 toen hij na enkele stages in Parijs meteen besliste om zijn eigen restaurant op te starten. “Ik was het beu daar in de grote stad.” Dus streek hij hier neer, in een bucolisch stukje Oost-Vlaanderen, op het ­hoogste punt tussen de Scheldevallei en de Leievallei. “We zitten hier op de eerste heuvel van de Vlaamse Ardennen, daarom is het uitzicht hier zo mooi.” En laat ons ook de ­minder romantische redenen niet vergeten. Wie het ­geldspoor volgde, kwam hier terecht. “Dit was het Texas van Vlaanderen, alle textielnijverheid zat hier. Zeker in de ­beginjaren draaiden we tijdens de week op businesslunches. Voor een zaak als deze heb je mensen met geld nodig, en wij zitten vlak bij Sint-Martens-Latem, Wortegem-Petegem. Je mag de allerbeste chef zijn, in het hol van Pluto gaan ze u niet vinden. Je moet alle dagen je mensen kunnen betalen, en ik ben ondertussen verantwoordelijk voor meer dan ­twintig werknemers. Ik besefte heel snel dat locatie en bereikbaarheid het belangrijkste zijn.”

Beeld Kevin Faingnaert

Tweeëntwintig is erg jong om niet alleen chef maar ook zaakvoerder te zijn. Waar haalde u dat businessinstinct vandaan?

“Vroeger was een koksopleiding iets waar op werd neergekeken. De gasten die niet goed mee konden op school, die werden daar weggestoken. Ik wist al heel jong dat ik kok wilde worden en een eigen zaak zou starten. Op Michelin-niveau, dat was de ambitie. Van mijn ouders moest ik eerst mijn humaniora afmaken, en dat heeft me geen windeieren gelegd. Ik kwam op de hotelschool met wat meer bagage dan de andere studenten.

“Mijn vader zei: ‘Je moet één ding onthouden (steekt ­rechterwijsvinger in de lucht): excelsior!’ Altijd hoger, altijd beter, zo was hij. Dat heeft mij gemotiveerd. Ik legde voor mezelf de lat al hoog, maar ik wilde ook mijn ouders trots maken. Mijn vader leeft niet meer, moeder is niet meer heel goed. Maar de derde ster, in 2005, dat hebben ze allebei nog heel bewust meegemaakt. Ik denk dat ze dat toch wel bijzonder vonden, ja.”

Heeft vader ooit gezegd: goed gedaan?

(Zwijgt, knikt nee) “Dat bestond niet toen, schouderklopjes. Hij hielp wel veel, ik denk dat dat een manier was om te ­zeggen dat ik goed bezig was. Dat was een andere generatie. Zeggen: chapeau, dat heb je goed gedaan. Nooit, nee.”

Doet u dat zelf wel met uw kinderen?

“O jawel. Zeker.”

Er is maar één ding dat we weten over uw kinderen: ze gaan u niet opvolgen in de zaak. Vindt u dat erg?

“Enerzijds wel, ik had het wel een mooi idee gevonden natuurlijk, als ik de zaak die ik heb opgebouwd aan een ­volgende generatie had kunnen overlaten. Aan talent geen gebrek trouwens, ze koken zeer graag. Maar ik snap het ook wel.”

Even raden: ze willen vast geen leven zoals hun vader?

“Voilà, dat is het denk ik. Ze hebben ook wel gezien wat voor opofferingen het vraagt. De jongere generatie wil dat misschien niet meer, hun hele leven geven voor de carrière. Hebben ze daar ongelijk in? Je hebt maar één leven hé. Ieder moet zijn goesting doen. En het zou ook geen cadeau zijn, om altijd te worden vergeleken met hun vader.”

Het is zorgwekkend hoeveel topchefs aangeven het ­moordende werkritme en de mentale druk van het vak niet meer aan te kunnen. De enige twee andere driesterrenzaken van ons land verdwenen, toen Geert Van Hecke en Gert

De Mangeleer respectievelijk de deuren van De Karmeliet en Hertog Jan dichttrokken. Beide chef-koks ruilden hun ­prestigezaak in voor een kleinschaliger restaurant. Recent kondigde ook Bart Desmidt aan dat hij op zijn vijftigste het tempo wat wilde terugschroeven: na 25 jaar gaat hij zijn tweesterrenzaak Bartholomeus sluiten. Het is geen Belgisch fenomeen: De Zweed Magnus Nilsson sluit in december zijn tweesterrenrestaurant Fäviken “om fysiek en mentaal weer fitter te ­worden”. De Franse chef Sébastien Bras vroeg zelfs aan Michelin om de drie sterren van Le Suquet terug te nemen, omdat hij na tien jaar meedraaien aan de top niet meer tegen de dagelijkse druk kon.

Wat denkt u als u hoort dat zoveel collega’s de handdoek in de ring gooien?

“Je kan nooit weten wat de motivaties zijn voor andere ­mensen, ieder heeft zijn eigen leven. Ik denk dat een Michelinster nog altijd de hoogste onderscheiding is en ik heb nog geen enkele chef die een ster binnenhaalde horen zeggen: ‘Nee, dit wil ik niet’. Maar het volhouden, dat vraagt veel van een mens, dat is een feit. Vrijdagen en zaterdagen, als andere mensen feesten, dan sta je te werken. Communies, trouwfeesten, verjaardagen, je mist heel veel.

“Het is fysiek ook een erg zwaar beroep. Ik heb op mijn 55ste al een nieuwe heup en een nieuwe knie. Lange dagen rechtstaan, het is allemaal heel belastend voor de gewrichten. Ik ben als een oldtimer, de ­carrosserie en de motor zijn nog goed, maar er zitten al wat wisselstukken in. (lacht)

“Ooit zal ook ik het weleens rustiger doen, ik blijf hier ook niet meer tot 1 uur ’s nachts. Maar stoppen, dat is nog lang niet aan de orde.”

Beeld Kevin Faingnaert

Vindt u het mentaal ook een zwaar beroep?

“Ik ben hier nog elke dag graag, dit is altijd mijn leven geweest. Zodra ik wakker word, denk ik aan wat ik allemaal moet doen en regelen voor de zaak. Niemand anders legt mij die druk op, ik wil het zo.

“Mensen vragen mij soms: ‘Is dat moeilijk?’ Maar wat moet ik zeggen? ‘Mannen, het steekt niet zo nauw, smijt er maar met uw klak naar?’ We gaan het terras eens niet schoonmaken vandaag. Dát zou ik moeilijk vinden.”

Bent u milder geworden?

“Zeker. Toen ik 25, 30 was, was ik een stier in de keuken. Ik beukte door tien muren als het moest. Maar vanaf je 50ste word je toch wat kalmer. Mijn vrouw is daar ook goed in, om me af en toe een spiegel voor te houden. En om me ­duidelijk te maken dat er nog iets bestaat buiten het werk.”

Wat met het cliché van de koleirige chef? Hebt u ooit pannen naar iemands hoofd gegooid?

“Nee, die tijden zijn sowieso voorbij. Ik heb dat zelf nog wel meegemaakt, toen ik als negentienjarige stagiair aankwam in Parijs. Je werd er gewoon ingesmeten. Mijn laatste schoolstage was drie maanden in Le Pré Catelan. Dat was werken als de beesten. Langoustines kuisen, geen vijf kisten, maar 50 kisten. Tot uw handen bloeden. Ik weet nog dat ik eens verantwoordelijk was voor de saus, die niet helemaal was zoals de chef het wilde. Ik kreeg een stomp in mijn maag, ‘Foutez-moi cette ordure dehors.’ (Gooi die rotzooi buiten, EM). Dat was de stijl toen. Maar ik kreeg wel het aanbod om te blijven.

“Maar pas op, een service, dat is altijd heftig. Als in mijn keuken iemand de saus verknoeit, dan worden er geen stompen uitgedeeld, maar er is ook geen tijd voor een ­therapeutisch babbeltje. Het is niet: ‘Allez, we gaan eens ­rustig overleggen, scheelt er iets?’ Nee, het is: ‘Opnieuw, nu!’ Het gaat er heftig aan toe. Mensen die nog nooit in een keuken zijn geweest, schrikken daar misschien van.”

Peter Goossens. Beeld Kevin Faingnaert

Toen u op televisie kwam als jurylid, werd u vaak neergezet als de bullebak. Maar toen uw sous-chef Michaël Vrijmoed zijn vertrek aankondigde, zagen we u traantjes wegpinken in een reportage op Telefacts.

“Natuurlijk. In ons beroep sta je elke dag, meer dan twaalf uur lang, dicht bij elkaar in die kleine keuken. Dat is niet zoals in een bedrijf waar de baas ergens ver weg zit in een kantoor, en je elkaar af en toe eens in een ­meeting ziet. Wij leven dag in dag uit met elkaar, je deelt goeie momenten en tegenslag.

“Als ik in Gent of Hasselt of eender waar ben, dan ga ik eten bij ex-chefs van mij. Michaël (van restaurant Vrijmoed, EM) doet het fantastisch, zijn opvolger Maarten (Bouckaert, van restaurant Castor, EM) ook. We zien elkaar nog regelmatig.”

Loïc Van Impe, de nieuwe VTM-kok, heeft hier twee dagen stage gelopen. Was u onder de indruk van zijn kwaliteiten?

(zwijgt) 

Oei. Hij heeft naar het schijnt leren koken door veel naar kookprogramma’s te kijken.

“Hij is heel erg gepassioneerd en dat is goed, maar hij moet nog veel leren. Dat is logisch. Jonge mensen denken soms te vlug dat ze het al kunnen. Het is niet omdat je twee bakken prei in julienne hebt gesneden, dat je goed julienne kan ­snijden. Als je twee camions met prei in julienne hebt ­gesneden, dat is een begin.

“Dat vind ik zo mooi aan Japan. Daar is zo veel respect voor traditie, voor metier. Het is daar niet meer dan ­normaal dat je tien jaar lang oefent tot je perfect rijst kan koken, voor je iets anders mag doen.

“Er is een prachtige documentaire over een bekende ­sushichef in Tokio (‘Jiro Dreams of Sushi’, over de Japanse ondertussen 94-jarige chef Jiro Ono, EM). De passie waarmee die man praat over elk detail van wat hij doet, ik krijg ­kippenvel van daarnaar te kijken. Dat is zo puur en verfijnd. Rijst, vis, sojasaus en wasabi, dat is het. Maar elke handeling moet helemaal juist zijn. Zijn zoon werkt al 30 jaar bij hem in de zaak, en hij vond dat hij het een beetje begon te ­kunnen. Er is in Japan zoveel ontzag voor de ouderen en respect voor hun expertise en ervaring. Dat missen we hier soms. Natuurlijk moet je kansen geven aan jonge mensen, en je kennis overdragen.”

Peter Goossens previews Beeld Kevin Faingnaert

Onlangs werd de optelsom gemaakt: u hebt al meer dan 150 mensen hier opgeleid die nu elders aan de slag zijn. Wat wilt u meegeven aan de jonge chefs van vandaag?

“Je moet blijven vernieuwen, maar de traditie niet verliezen. Niet constant meegaan met alle experimenten. Ik zie vaak hoe iedereen elkaar begint na te doen. Dan heeft iedereen plots rolletjes of stipjes gel, iets wat ze op foto hebben gezien. Of ze maken er een hele bloementuin van! Een gerecht mag nooit vanuit de presentatie vertrekken. (op dreef) Het is niet omdat je twintig kleurtjes en gels en ­streepjes en schuimpjes op het bord tovert, dat je een goed gerecht hebt. Het moet mooi ogen, maar uiteindelijk moet je het in je mond steken, en de smaak moet top zijn. Daar heb je geen trucjes voor nodig, dat moet niet roken en ­schuimen.

“Pas op, wat Ferran Adrià heeft gedaan met de moleculaire gastronomie, dat was een revolutie in de keuken. Hij heeft de grenzen opengebroken, er is ruimte voor meer experiment. Maar wij zijn een Vlaams restaurant, dat is voor mij belangrijk. Ik heb graag een goede bouillon, een goede saus, daar zit heel veel expertise achter. De opbouw van een gerecht is en blijft altijd hetzelfde: product, cuisson, saus, garnituur en dan presentatie. Dat is de hiërarchie. De smaak is de essentie.”

Klopt het dat u de eerste was die torentjes bouwde?

“Toen was dat spectaculair, begin jaren 90. Ik heb ­magazinecovers gehaald, met een prachtige foto van ­foodfotograaf Tony Le Duc. En pas op, daar zat smaak in, dat was niet om zomaar voor de presentatie eens iets ­speciaal te doen, het klopte helemaal.

“Natuurlijk zijn er modes en trends, je moet blijven ­evolueren. Haute gastronomie is zoals haute couture. Modehuizen als Armani, Yves Saint Laurent en Chanel, die vernieuwen ook constant, maar ze blijven trouw aan hun stijl. Als chef moet je ook je eigen identiteit neerzetten.”

Wat zou uw laatste avondmaal zijn?

“Iets zeer Belgisch in ieder geval. Doe maar een mooie côte à l’os met pepersaus en frietjes. Eenvoudig, maar het moet wel perfect zijn. Met groene peperbolletjes in de saus.”

Peter Goossens. Beeld Kevin Faingnaert
Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met De Morgen?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van De Morgen rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234