Woensdag 16/10/2019

Interview

“Ik heb de code van het leven begrepen”

Kader Abdolah: “Ik schrijf altijd in twee jaar tijd een nieuwe roman.” Beeld Stefaan Temmerman

Schrijver Marcel Proust beantwoordde ze ooit in een vriendenboekje, nu geeft De Morgen er een eigenzinnige draai aan. Vijfentwintig directe vragen, evenveel openhartige antwoorden. Vandaag: schrijver Kader Abdolah (64). Wie is hij in het diepst van zijn gedachten?

1. Hoe oud voelt u zich?

(lacht)” Soms voel ik mij honderd. Soms zelfs driehonderd jaar oud, want ik heb zoveel meegemaakt. Heel veel dingen verrassen mij niet meer. Soms heb ik het gevoel dat ik op de top van een hoge berg sta en naar beneden kijk. Een man met driehonderd jaar ervaring.

“Tegelijk voel ik me vaak een jongen van rond de dertig. Ik heb nog altijd diezelfde energie en nieuwsgierigheid naar het leven, diezelfde drang om iets nieuws te proberen. Ik heb begrepen dat je op mijn leeftijd twee mogelijkheden hebt: ofwel bind je geleidelijk in ofwel creëer je nieuwe uitzichten. De afgelopen veertig jaar bijvoorbeeld, heb ik altijd hardgelopen, 12 à 15 kilometer per week. Tot ik op mijn 64 besloot om een marathon te lopen. Ik heb er nu twee achter de rug, en ben van plan om er nog acht te lopen. (
lacht) Tot mijn 75 en dan zullen we zien of het leven het nog toelaat. Je moet het willen, en het leven biedt het je.

“Dat geldt ook voor mijn werk. Ik schrijf altijd in twee jaar tijd een nieuwe roman. Ik was ervan overtuigd dat ik een hardwerkende schrijver was, tot ik besefte dat ik nog méér kan werken. Een bewerking, een vertaling erbij. Ik dacht dat ik daarvoor de tijd niet had, maar ik vergiste me. Natuurlijk hebben we tijd. Het is gewoon zaak vroeger op te staan en langer door te gaan.

“Dus hoe oud voel ik me? Driehonderd en dertig tegelijkertijd.”

Wie is Kader Abdolah?

• geboren als Hossein Sadjadi Ghaem­maghami Farahani, op 12 december 1954 in Arak (Iran)

• groeide op in een religieuze Perzische familie, als zoon van een doof­stomme tapijt­restaurateur

• studeerde natuurkunde (Universiteit van Teheran), werd politiek actief en ageerde tegen het bewind van de sjah en later de ayatollahs

• publiceert sinds 1980 onder de naam Kader Abdolah, een eerbetoon aan twee geëxecuteerde vrienden • ontvluchtte in 1985 Iran en vestigde zich in 1988 als politiek vluchteling in Nederland

• populaire schrijver van boeken als Spijkerschrift, Het huis van de moskee, De Koran en De bood­schapper (resp. een vertaling en een vertelling), Het gordijn (2017) en de recente roman Het pad van de gele slippers

• woont in Delft

• getrouwd, heeft twee doch­ters

2. Wat vindt u een belangrijke eigenschap van uzelf?

“Juist door die driehonderd jaar ervaringen ben ik in staat om zelfs uit de meest ellendige situaties schoonheid te puren. Ik heb geleerd dat er in de kern van elk ongeluk een gouden zaadje van geluk zit. Je moet het alleen naar boven zien te spitten.

“Ik kom uit een goede, oude, culturele familie, die me alles meegegeven heeft, maar toen ik hier in Nederland belandde, na mijn vlucht uit het vaderland (Perzië, nu Iran, red.), was ik alles kwijt. Het was pure ellende. Ik was een man van 33, wilde een schrijver zijn in het vaderland, en opeens was er niets. Ik was mijn taal kwijt, mijn lezers, mijn identiteit. Maar ik ben erin geslaagd om die ellende om te zetten in iets moois. Via de nieuwe taal. Ik heb immers een wijsheid ontdekt: hoe dieper je valt, hoe dichter je bij goud terechtkomt. Ik weet niet of het waar is, maar ik heb het waargemaakt. Het kan. Ik denk gewoon dat ik de code van het leven begrepen heb. De mens kan de grootste ellende omzetten in geluk. Hij moet alleen ontdekken hoe hij dat doet.

“De vlucht en de worsteling met een nieuwe taal hebben die wijsheid in mij naar boven gebracht. Omdat ik een nieuw ik moest creëren en een nieuw soort literatuur en daardoor een nieuwe kijk op het leven.

“Waarom ik precies naar Nederland wilde? Dat heeft het toeval bepaald. Van Iran ben ik naar Turkije gevlucht, waar ik me aanmeldde bij het bureau van de Verenigde Naties. Ik werd geaccepteerd, kreeg de status van erkend vluchteling en moest wachten tot er zich een delegatie aandiende uit een van de VN-lidstaten. Op een dag kwam er een delegatie uit Nederland die een gesprek met me wou. Een van hen vroeg: ‘Wat ga je doen als we jou meenemen naar Nederland?’ Ik had nog nooit van Nederland gehoord, laat staan van Nederlandse literatuur, maar ik antwoordde: ‘Ik ga in het Nederlands schrijven.’ En de man zei: ‘Oké, we nemen je mee.’ Een tweede vraag kwam er niet. Was het een delegatie Fransen geweest, ik schreef nu in het Frans. Of Zweden, dan schreef ik nu in het Zweeds. Ik wilde gewoon schrijven.”

3. Wat is uw passie?

“Een doel bereiken. Ik kan bijvoorbeeld niet zomaar wandelen, ik moet een doel hebben. Naar Antwerpen lopen bijvoorbeeld, en daar een bos bloemen kopen. Ik kan ook niet zomaar schrijven. Pas als ik het laatste zinnetje van mijn boek ken, begin ik te schrijven, twee jaar lang, tot ik het bereik. Ik wil eerst de top van de Everest zien voor ik de berg beklim.”

4. Is het leven voor u een cadeau?

“Ik dank het leven. Driemaal. Het leven heeft me geleerd (klopt zich herhaaldelijk op de borst) om te luisteren naar mijn lichaam, naar mijn innerlijke zelf. Om te vertrouwen op mezelf, en op de duizenden jaren ervaring die in onze cellen vervat zitten. Als je in contact bent met jezelf, kies je de juiste richting en bereik je wat je wilt.”

5. Welke kleine, alledaagse gebeurtenis kan u blij maken?

“Kijk, elk moment kan het leven afgelopen zijn, dus ik geniet van elk kleinste ding. Maar dat is niet zo vanzelfsprekend. De kunst bestaat erin kleine dingen te verheffen tot iets groots. Ik geef een voorbeeld. Ik heb twee kleinkinderen, twee jongens van 4 en 7. Ze wonen 5 kilometer verderop. Op een dag dacht ik: hoe kan ik nu met die kinderen echt in contact komen? Wel, ik geef ze Perzische les! Iedere dag om 4 uur trek ik mijn sportschoenen aan en wandel ik vijf kilometer om hen vijf minuten Perzische les te geven. Daarna trek ik mijn jas weer aan en wandel ik terug. Daar geniet ik van, en zij ook. Ik maak dus niet zomaar een wandeling, ik geef ze ook een doel. Als je een doel hebt, als je iets betekenis geeft, kun je iets gewoons tot iets groots verheffen. Als ik dood ben, zullen ze deze wandelingen nooit vergeten.”

6. Wat is uw zwakte?

“Boeh. Kinderen. Als ik iemand geweld zie plegen jegens kinderen word ik razend. In mijn verbeelding neem ik het recht in eigen handen en sla ik die persoon gewoon in elkaar.

“Mocht iemand mijn kleinkinderen iets aandoen? Ow, die vraag mag je niet stellen! Dat is een van mijn angsten: dat Kader Abdolah op de voor­pagina van de kranten staat voor doodslag. (
lacht) Niemand mag aan kinderen raken, en zeker niet aan degene die ik Perzische les geef.” (lacht)

Beeld Stefaan Temmerman

7. Waar hebt u spijt van?

“Spijt ken ik niet. Want ik heb een goed contact met mijn lichaam. Ik luister naar mijn innerlijk om te handelen en aanvaard alle consequenties daarvan. Ik probeer altijd een goede man te zijn, een oprechte man, maar het kan ook misgaan, dat is des mensen, en dan ben ik bereid om daarvoor te boeten.”

8. Wat is uw grootste angst?

“Faalangst. Kijk, ik ben de zoon van een doofstomme vader. Mijn vader was een simpele man die niets van de wereld wist. Daarom droomde hij ervan om een horende, sprekende, sterke zoon te hebben. Niet alleen hij, ook mijn moeder. Mijn moeder heeft me een naam gegeven, maar ze heeft die nooit gebruikt. Ik heet Hossein Sadjadi, maar ze heeft mij altijd ‘Man’ genoemd. Vanaf mijn geboorte hebben ze een Man van mij gemaakt. Daardoor torste ik een enorme last op mijn schouders. Ik moest alles waarmaken. Ik moest een plaatsvervangende vader zijn voor mijn familie, en een man voor mijn moeder. In hun ogen mocht ik dus nooit falen. En nooit kind zijn. Mijn moeder liet zelfs niet toe dat ik op haar schoot kroop. Ik moest een man zijn. Ik moest de beste zijn. Ik moest groots zijn. En ze stuurde me de harde wereld in. Daardoor is er een enorme faal­angst in mijn hart geslopen, die me nooit meer met rust heeft gelaten.

“Maar zonder die faal­angst, die ik telkens opnieuw moet zien te over­winnen, zat ik hier wellicht niet tegenover jullie. Want ze heeft me ook gemaakt tot wie ik ben.”

9. Wanneer hebt u het laatst gehuild?

“Ik heb gehuild op twee cruciale momenten. De eerste keer was toen mijn jongere broer geëxe­cu­teerd werd. Hij was 19, student en keek naar me op. Ik was lid van een ondergrondse partij en hij volgde mij. Op een dag viel de politie binnen, hij werd gearresteerd, ik wist weg te vluchten. Toen ik telefonisch te horen kreeg dat hij geëxecuteerd was: ooo, heb ik zo gehuild! Het huis trilde van mijn gehuil. De tweede keer was in Nederland, toen ik telefonisch te horen kreeg dat mijn vader overleden was. Ooo, de ramen trilden van mijn gehuil!”

10. Wanneer bent u ooit door het lint gegaan?

“Na een hele dag achter de computer of na het hardlopen heb ik heel veel adrenaline en dan kan het weleens misgaan. De literatuur en de sport kunnen mij tot agressie drijven. (lacht) Verbale agressie bedoel ik. Dan heb ik niet veel nodig om een enorme tirade af te steken. Nu, intussen ken ik mezelf en heb ik dit vrij goed onder controle, maar ik herinner mij een mooie anekdote. Ik was gaan hardlopen, had me gedoucht en trok de stad in om iets te halen. Je moet weten: in Delft hebben we heel nauwe stoepen, waardoor je af en toe de stoep af moet en de straat op. Toen ik dus even de stoep af stapte, kwam er net een fietser voorbij, een van die racistische types, en hij riep: ‘Hey, in dit land hebben wij ook stoepen!’ En hij fietste weg. Ik ben hem achterna­gelopen. Van ontreddering fietste hij de weilanden in. ‘Kom me maar eens tonen waar hier een stoep is!’ riep ik hem na.

“Of ik soms terug­grijp naar het Perzisch om te schelden? Neen. (lacht) Perzisch klinkt te poëtisch. ‘Wat zegt die man? Hij zegt poëzie op.’ (proest het uit) Neen, je moet gewoon harde, hoekige boerentaal gebruiken. Het Nederlands is daarvoor perfect.”

11. Welk kunstwerk heeft u gevormd of heeft een blijvende indruk nagelaten?

“De Koran. Dat boek heeft niet alleen op mij indruk gemaakt, maar op alle grote Perzische schrijvers, kunstenaars en denkers, van wie ik een leerling ben.”

12. Hebt u ooit een religieuze ervaring gehad?

“Ik kom uit een religieuze familie, maar op mijn vijftiende begon ik te twijfelen aan het bestaan van God en ik probeerde er op allerlei manieren achter te komen. In die tijd was ik verliefd op mijn buurmeisje. Ze woonde in het begin van onze steeg, op de hoek. Ik verlangde er zo naar om haar even te zien en schreef in mijn dagboek: ‘God, ik twijfel of je bestaat. Geef me een bewijs dat je bestaat. Ik ben verliefd op dat meisje. Ik ga me nu aankleden en om 13 uur loop ik naar haar huis. Als je bestaat, laat haar dan even naar buiten komen.’ Ik trok mijn kleren aan, deed wat parfum op, wat gel in m’n haar en vertrok. Het was drie minuten voor, twee minuten voor, één minuut voor. Ik bleef nog vijf minuten voor haar deur staan. Maar zij kwam niet naar buiten. Ik kwam terug thuis en schreef in mijn dagboek: ‘God, je bestaat niet.’ En hij bestaat op die manier nog altijd niet, maar op een andere manier wel. Ik belde zelf aan. Het meisje opende de deur.”

13. Hoe kijkt u naar uw lichaam?

“Kijk, wat je ziet ben ik niet. Ik ben rijker, ouder, wijzer dan mezelf. Kader Abdolah is niet alleen de man die tegenover jullie zit, maar ook de man die oorlogen heeft meegemaakt, in grotten heeft gewoond, die religie, liefde, ziekte heeft gekend. Hij is een ervaren wezen. Een capsule van gegevens die miljoenen doorgegeven hebben, van overgrootvader op grootvader op vader op zoon. De ik die voor jullie zit, bestaat uit duizenden ikken, met duizenden ervaringen. Het is een heel machtige computer­machine. Het leven heeft je die machine te leen gegeven. Je mag een tijdje mee. Om je eigen ik te ontwikkelen. Om de wonderen van de wereld te ontdekken. Om de betekenis van het leven te doorgronden. Om iets toe te voegen. Om iets door te geven. Die machine moet je dus goed verzorgen. Je kan ze vervuilen, je kan ze vernietigen, maar het is je enige kans. Maak er dus goed gebruik van. En ik doe mijn best.”

14. Wat vindt u erotisch?

“Het mooiste binnen het heelal is voor mij de vrouw. Een jonge naakte vrouw in een landschap is het mooiste wat er bestaat. Haar schoonheid, haar borsten, haar billen, daar kan ik met plezier naar kijken.”

15. Wat is uw goorste fantasie?

“Dat ik een misdadiger pak die aan kinderen heeft gezeten. Oooo, dan ben ik mezelf niet meer, dan ben ik een beest.”

16. Welk dier zou u willen zijn?

“Ik zou het niet willen zijn, ik bén het. Heel vaak heb ik het gevoel dat ik een paard in me heb. Een zwart, wild paard dat schittert in het licht. Een oerpaard dat nu en dan tegen de rotsen slaat en kapotte hoeven heeft van hard te rennen.”

17. Hoe is/was de relatie met uw ouders?

“Ik heb mijn vader altijd als mijn gehandicapte zoon gezien. Ik was verantwoordelijk voor hem, voor zijn vrouw en dochters.

“En mijn moeder? Ik wist niet dat ik haar zo hard haatte tot ik
Spijkerschrift schreef (roman uit 2000, red.). Ik had haar zo lelijk neergezet, met zoveel haat, dat ik het aan niemand durfde te laten zien. Die haat was helemaal niet terecht, maar zat blijkbaar verstopt in de diepste lagen van mijn herinneringen. Ik heb dat boek zes, zeven keer moeten herschrijven om die haat weg te werken. Toch laten die herinneringen mij niet met rust. Het waren jaren van pijn en ellende. Maar ook een bron van literatuur, dat wel.”

Kader Abdolah: “Ik wist niet dat ik mijn moeder zo hard haatte tot ik ‘Spijkerschrift’ schreef.” Beeld Stefaan Temmerman

18. Hoe definieert u liefde?

“De liefde. (hoest, zwijgt even, denkt na) De liefde is. Zonder de liefde zouden we onmogelijk kunnen zijn. Ik bedoel niet wij als individuen, maar als geheel. Zonder de liefde komt er geen energie vrij. De liefde heb je nodig om je ik te ontwikkelen. De liefde verbindt je met de schoonheid. De liefde is het paard dat je voor je karretje spant om te galopperen.”

19. Bent u een goede vriend?

“Ik ben heel betrouwbaar en standvastig in mijn vriendschappen, zelfs naar hen toe die het niet waard zijn. Ik probeer waarachtig te zijn in mijn contacten. Als liefde het paard is dat je kar voorttrekt, is vriendschap degene die naast je zit in de kar. Het is goed om een betrouwbaar iemand naast je te hebben. Daarvan moet je je bewust zijn. Vriendschap moet je onderhouden net als een tuin, anders verwelkt ze.”

20. Hoe zou u willen sterven?

“Zoals de mannen uit mijn familie of zoals mijn grote voorbeelden, de wijze mannen uit de Perzische literatuur. Ze vallen om als een oude boom. Boem en klaar. Mijn vader is ook gevallen. Op straat, langs een bomenrij langs een rivier, en klaar. Mijn oudste oom is gevallen. Op straat, langs een bomenrij langs een rivier, en klaar. Ik val ook om als een oude boom, en klaar. (lacht) Daar ben ik zeker van.

`“Wat ik zou wensen als laatste avondmaal? Simpel eten. Ik hou van vers, warm brood met kaas en rode druiven. Simpel, goddelijk, paradijselijk. Alles zit erin.” (lacht)

21. Wat is voor u de hel op aarde?

“IS. En het regime van de ayatollahs in Iran. Ik ben tegen oorlog, tegen geweld, maar in mijn verbeelding vlieg ik soms boven de paradijzen van de ayatollahs en bombardeer ik ze. In mijn boeken heb ik vaker mensen gedood. Wat zich in mijn fantasie afspeelt, doe ik in de literatuur.

“De hel op aarde zijn de mensen die namens een religie hun wil opleggen aan het vaderland. Dat ik het graf van mijn vader niet kan bezoeken wegens die ayatollahs. Ze moeten weg. IS moet weg. Met alle kracht, ja.”

22. Hebt u zichzelf ooit betrapt op racistische gevoelens?

“Absoluut. Wie zegt dat hij geen racistische gevoelens heeft, geloof ik niet. Racisme is net als liefde, jaloezie, angst, des mensen. De mens wil geen vreemdeling in zijn omgeving. Maar omdat ik een mens ben, heb ik die gevoelens onder controle. Als je je bewust bent van je gedachten, kun je goed handelen.

“Als ik iemand niet mag, nodig ik hem uit bij mij thuis. We eten, drinken, praten en de racistische gevoelens ebben weg. Je moet je armen openen. Als je herhaaldelijk tegen iemand zegt: ik haat je, ik haat je, ik haat je, begin je te beseffen: o ik mag je. (lacht) Dat is de formule.”

23. Wat betekent geld voor u?

“Ik wil meteen zeggen: niets. Ik heb nooit arbeid verricht puur om geld te verdienen. Maar het leven heeft me veel gegeven en daar ben ik dankbaar voor.

“Ik zal een mooie anekdote vertellen. Toen mijn dochter haar huis wilde renoveren, heb ik haar geld gegeven om haar ramen te vervangen. Op een dag liep ik langs haar huis en zag ik een hijskraan de ramen optillen om ze te plaatsen. En ik dacht: kijk, dit is zo mooi. Ik zit achter mijn computer, ik bedenk verhalen, en mijn verbeelding wordt raam. Dat vond ik bijzonder. Ik heb nooit geschreven met de bedoeling om ramen te kunnen kopen.” (lacht)

24. Wat is uw vreselijkste vakantieherinnering?

“Ik ga nooit met vakantie, maar ik reis heel veel. Ik ben overal in de wereld geweest waar mijn boeken vertaald zijn. Zo was ik ooit uitgenodigd in Egypte voor de Arabische vertaling van Het huis van de moskee (roman uit 2005, red.). Ik dacht: ik neem mijn vrouw en twee dochters mee en maak er een vakantie van. Maar de dag waarop we aankwamen, kreeg mijn jongste dochter telefoon dat ze een herexamen had. Ze moest dus snel terug naar Nederland. Ik heb mijn lezing gegeven, een jeep gehuurd en honderden en honderden kilometers gereden om in een halve dag tijd de Vallei der Koningen te bezoeken. Ik kreeg het benauwd van zoveel schoonheid en zoveel geschiedenis! Ik wilde alles zien, maar dat kon niet. Dat was een onvergetelijk schone nachtmerrie van vakantie. (lacht) Nee, nachtmerrie is te negatief, een merrie, een belevenis in de slaap, laat ik het zo zeggen.”

25. Wie zou u hier uw gedacht willen zeggen?

“O. (zwijgt even) De profeet Mohammed. Ik bewonder hem als persoon, maar toch wil ik hem groeten en zeggen: kijk toch eens wat voor soep je gemaakt hebt van je dromen!”

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met De Morgen?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van De Morgen rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234