Donderdag 06/08/2020

Red Zebra40 jaar 'Can't Live in a Living Room'

‘Ik besefte niet dat mijn woorden voor zoveel mensen zo'n diepe betekenis hadden’

Beeld RV

I can’t piss in the toilet. Can’t sleep in my bedroom. There’s no food in the kitchen. I can’t live in a living room.‘ Het lijken profetische woorden, nu we allemáál het gevoel kennen dat de muren op ons afkomen. De klassieker van belpoppioniers Red Zebra wordt 40 jaar en dat jubileum zet de Brugse postpunkband luister bij met de uitgave van de verzamelplaat Songs and Stripes.

In 1980 kwamen er een aantal belangrijke postpunksingles uit, zoals ‘Love Will Tear Us Apart’ van Joy Division, ‘Happy House’ van Siouxsie and the Banshees en natuurlijk ‘Innocent People’ van Red Zebra. Op de B-kant van die laatste staat het nummer ‘I Can’t Live in a Living Room’, als een bijgedachte bijna, omdat de groep het potentieel ervan niet zag. Toch blijkt het tot op vandaag één van de meest herkenbare en populaire liedjes uit de belpop van de jaren 80. Eerder dat jaar was Red Zebra ontsproten aan de Brugse punkgroep The Bungalows: de ‘klassieke’ punk ruimde plaats voor een nieuw geluid, de band nam een manager en een nieuwe drummer onder de arm en nam deel aan Humo's Rock Rally. Plots was the sky the limit...

Peter Slabbynck (zang): “Wij waren vier 16-jarigen die samen bij de scouts zaten in Sint-Kruis, een deelgemeente van Brugge. Twee van onze leiders waren met muziek bezig en wij keken naar hen op. We hadden hen zien optreden op school. Dat was een groot succes, dus leek het ons wel wat om in een groepje te spelen. Eén van die gasten, Johan Isselée, zou later de tweede drummer worden van Red Zebra.”

Johan Isselée: “Mijn maat en ik waren drie jaar ouder. We hadden een versterker geleend van een vriend en er was ook nog ergens een stuk van een drumstel opgedoken, en we zijn wat muziek beginnen te spelen in ons scoutslokaal. Klassieke rock, maar toch al met punkinvloeden.”

Jan D’hondt (bas): “In 1978 hebben The Bungalows ook een scoutslokaal ingepalmd als repetitiekot. Ik was niet gebeten door de muziekmicrobe, maar wel door de punkbeweging. We wilden tegen de schenen schoppen. We zaten op een katholiek college en waren een beetje rebels en tegendraads.”

Slabbynck: “De boodschap van punk, dat je niet moet kunnen spelen om muziek te maken, kwam voor gasten zoals wij als geroepen.”

D’hondt: “Ik koos voor de basgitaar als instrument omdat mij dat het gemakkelijkste leek. Onze gitarist, Geert Maertens, was een goede muzikant. Als hij liedjes hoorde, kon hij die direct naspelen. Hij moest mij altijd zeggen wat ik moest spelen.”

Isselée: “Punk, dat was alles zelf doen. Iedereen die toen muziek speelde, was eerst en vooral ne rare. Niemand deed dat. Een drumstel kopen? Dat bestond niet. In Brugge had je alleen een winkel met accordeons. Mijn eerste drumstel was een samengeraapt ding, met plastieken vellen. Rommel dus.”

Waaruit bestond jullie repertoire in het begin?

Slabbynck: “Ons eerste nummer was een cover van ‘Mongoloid’ van Devo. Dat was redelijk eenvoudig. Ik heb nog ergens een tape liggen waarop we dat twee keer te traag spelen, maar Jan roept: ‘Hé, gasten, niet zo snel!’”

D’hondt: “Volgens mij is die cassette versleten en speelt hij daarom te traag (lacht).”

Slabbynck: “We begonnen echt from scratch. Ik vond een boek van The Clash, met de partituren van hun eerste plaat. Ik weet nog dat we daarnaar keken alsof het Chinees was. Een cover van ‘Blitzkrieg Bop’ van de Ramones lukte wel, maar dan in ‘t Brugs: ‘Schoepen in de Sarma. We weten nog niet wa-ha!’ Door eenvoudige punkliedjes te coveren, leerden we beter spelen, en niet veel later zijn we eigen nummers beginnen te maken.”

Beeld Geert De Pauw

Isselée: “De eerste keer dat ik The Bungalows live zag, konden ze amper spelen. Maar ze waren jong en enthousiast en Peter kon het natuurlijk goed brengen. Ze hadden direct de zaal mee.”

Slabbynck: “Eerst heetten we Erect Eric & the Bungalows, maar omdat niemand dat kon uitspreken, werd het gewoon The Bungalows (lacht). Er werd veel gelachen met die naam. Ergens in het begin van 1980 werden we The Red Zebras. Soms ook The Red Zebra of een keer A Red Zebra. Uiteindelijk kozen we om het zo kort mogelijk te houden. Het was de tijd van de Italiaanse Brigate Rosse en de Duitse Rote Armee Fraktion, vandaar de kleur rood.”

D’hondt: “Ik weet nog dat we naar een optreden van The Kids gingen en nadien met hen stonden te babbelen. Toen Ludo Mariman (frontman van The Kids, red.) hoorde dat wij The Bungalows heetten, moest hij lachen: ‘Waarom niet The Caravans?’ Dat was precies toch niet zo’n stoere punknaam (lacht).”

Rond diezelfde tijd mochten jullie plots het voorprogramma spelen van The Cure. Hoe kwam dat?

Slabbynck: “Het optreden van The Cure was een paar dagen uitgesteld, omdat er bij de douane problemen waren met hun materiaal. Daardoor kon het voorziene voorprogramma zich niet vrijmaken, en onze manager Dirk De Pauw heeft kunnen regelen dat wij hen mochten vervangen. Wij wisten niet hoe die dingen werkten. Er was ons verteld dat we op de installatie van The Cure mochten spelen, dus wij hadden zelfs geen versterkers bij. Ze bedoelden natuurlijk dat we de PA mochten gebruiken. Wisten wij veel...”

D’hondt: “Wij stonden daar met enkel onze instrumenten. Dirk heeft nog hemel en aarde moeten bewegen opdat wij de versterkers van The Cure mochten gebruiken.”

Hoe belangrijk was dat optreden voor jullie?

Slabbynck: “The Cure was destijds gewoon een veelbelovende groep, dus we stonden daar voor een paar honderd man te spelen. Maar het concert vond plaats in Gent, en dat was een bevrijding. Voorheen speelden we enkel in Brugge. Of in Sijsele, Zedelgem, Oedelem of Beernem. We wilden vooruit raken, dan heeft het geen nut om altijd voor je nonkels en tantes te spelen.”

Waarom stopte Luc De Prest daarna als drummer?

Slabbynck: “Lucs ouders waren geen grote fans van het feit dat hij in een punkbandje speelde. Ook al waren wij brave punks. Wij waren allemaal gasten die naar school gingen en wilden verderstuderen.”

D’hondt: “Luc is nooit echt een punker geweest, hij liep rond in gewone klederdracht. Maar hij had inderdaad het meeste last met z’n ouders. Ik heb natuurlijk ook dingen voor hen verzwegen. Als we gingen optreden in Nederland, zei ik dat ik op weekend ging met de scouts. Mijn ouders waren ervan overtuigd dat ik een brave jongen was (lacht).”

Peter Slabbynck: 'De boodschap van punk, dat je niet moet kunnen spelen om muziek te maken, kwam voor gasten zoals wij als geroepen.'Beeld Guy Roose

ONBEVANGEN STIJL

1980 was ook het jaar waarin jullie deelnamen aan Humo’s Rock Rally.

Slabbynck: “Onze preselectie had plaatsgevonden in de parochiezaal van Eernegem en de groep voor ons speelde de allerbraafste folk, met teksten als: ‘Appel, ik heb in je gebeten.’ (lacht) Wij werden daar zot van, dus stonden we geweldig scherp. We hadden ook een grote fan mee die fel begon te dansen en zo het publiek opjutte.”

Isselée: “Die mannen voor ons hadden nog vlechtjes in hun haar (lacht). Wij waren eigenlijk de enige groep die géén kleinkunst of klassieke rock speelde.”

Jullie mochten naar de finale. In Humo stond te lezen dat een deel van de jury jullie ‘sympathiek maar gedemodeerd’ vond. Maar ook dat ‘Living Room’ ‘een kreet van existentiële wanhoop’ was en ‘Innocent People’ een ‘vanzelfsprekende single’.

D’hondt: “Ik weet niet wat ze zo gedemodeerd aan ons vonden, want het was pas 1980.”

Slabbynck: “Wij waren zeker één van de minst professionele groepen. We vonden het al ongelooflijk dat wij geselecteerd waren voor die finale, want we zagen ook wel dat groepen zoals The Machines echt goed konden spelen.”

Was het de eerste keer dat jullie ‘I Can’t Live in a Living Room’ voor een publiek speelden?

Slabbynck: “Misschien hadden we het al eens eerder getest. In Eernegem niet, maar in de finale zeker wel, en het werd goed ontvangen.”

D’hondt: “Het was toen al een ambiancenummer. Het is heel herkenbaar, dus lokt het reacties uit van het publiek.”

Weten jullie nog hoe dat nummer precies is ontstaan?

D’hondt: “Liedjes maken deden we door te jammen. Geert had een merkwaardige riff bedacht, waar we iets rond hebben gebouwd met drum en bas. Zo is dat gaandeweg gegroeid.”

Slabbynck: “Michael Caine (Brits acteur, red.) zei ooit in een interview dat een acteur beter niet te hard nadenkt over wat hij moet zeggen, omdat het Engels vol zit met rare woorden zoals ‘living room’. Ik vond ‘I can’t live in a living room’ gewoon een toffe zin, maar al snel ging die een eigen leven leiden, omdat ze voor veel mensen echt betekenis had. Maar dat besef was er niet toen ik die woorden neerpende. Ik heb dat niet geschreven vanuit de gedachte: nu ga ik eens een diepgeworteld gevoel weergeven. ‘Living Room’ is iets speciaals geworden. Er zullen altijd jongeren én ouderen zijn die zich nergens thuisvoelen of niet weten welke kant ze uit moeten met hun leven. En voor hen is dat nummer een soort strijdkreet geworden. Of een hulpkreet.

“Het draait natuurlijk niet alleen om de tekst, ook de riff is belangrijk. Ik denk niet dat een geschoolde gitarist daar ooit zou opkomen. Er is iets raars met die riff, hij komt duidelijk van iemand die zeer onbevangen gitaar speelt. Geert heeft heel snel een eigen stijl ontwikkeld.”

Verliepen de opnames van jullie eerste single vlot?

Slabbynck: “We hadden al eens één liedje opgenomen, maar dat was geen positieve ervaring: de producer was ziek die dag, dus zaten we opgescheept met enkel een verveelde technieker. Daarom wilden we voor onze eerste single alles zelf regelen. We zijn naar Studio Aaltrack getrokken, op een boerderij in Zomergem. Dat was gewoon een deel van de schuur. We hoorden de muizen er rondkruipen, maar eigenlijk was dat best een goeie studio. Die opnames hadden iets schoolreisachtigs.”

Isselée: “Het was een met eierdozen geïsoleerde stal. Op één dag hebben we daar drie liedjes opgenomen. ’s Avonds moesten we zelfs nog gaan optreden.”

Slabbynck: “Volgens mij is er niet veel aan die opnames geprutst. Het was maar een simpele studio. Ik denk dat alles zoveel mogelijk in één keer op tape is gezet, en dat misschien de zang apart werd opgenomen.”

Wílden jullie die single zelf uitbrengen, of was dat uit noodzaak?

Slabbynck: “Sommige groepen, zoals The Machines, werden dankzij de Rock Rally gecontacteerd door platenfirma’s. Maar op ons kwam er niemand afgestapt. Punk ging voor mij niet om het uiterlijk – de hanenkammen en de safety pins – maar om de do it yourself-mentaliteit. We hebben gewoon zelf twee keer duizend exemplaren laten persen.”

D’hondt: “Ik weet nog dat we allemaal een doos met honderd singles mee naar huis kregen, om die in familie- en vriendenkring te verkopen.”

Isselée: “Er is toen een boom geweest van Belgische plaatjes, en wij waren bij de eersten, en allemaal in eigen beheer. Ik weet nog dat Jean-Marie Aerts van T.C. Matic ons vroeg hoe we dat gedaan hadden. ‘Gewoon opnemen en naar een perserij gaan.’ (lacht)”

Slabbynck: “The Scabs begonnen toen ook singles op te nemen en die wisselden we uit. Wij verdeelden hun singles in Brugge en regelden optredens voor elkaar. Dat was de essentie van punk.”

Isselée: “We verkochten tijdens onze optredens ook platen van De Brassers, Luc Van Acker, enzovoort. Wij steunden elkaar allemaal. Op een bepaald moment ben ik met Dirk naar Londen getrokken, met ons plaatje en met dat van De Brassers. Bij Rough Trade Records hebben we de singles op een pick-upje gelegd en men zei ons direct: ‘Lever maar een doos.’”

KNULLIG CHARMANT

Waren jullie verrast toen ‘Living Room’ een eigen leven begon te leiden?

Slabbynck: “Dat mag je wel zeggen. We hebben het potentieel van die song lang niet gezien.”

D’hondt: “‘Innocent People’ was de A-kant, dát nummer zou de hit te worden.”

Slabbynck: “Ik zeg altijd dat ‘Living Room’ zelfs maar de C-kant is, aangezien er drie nummers op die single staan. Maar ook ‘Mia’ van Gorki was een B-kant. Dat is het mooiste bewijs dat sommige dingen gewoon verkeerd ingeschat worden.”

Isselée: “Marc Didden heeft ‘Living Room’ destijds in de TTT-lijst gezet. Op nummer 1. Hij heeft daar eigenlijk de A-kant van gemaakt. John Peel heeft ook een nummer van ons gedraaid op BBC Radio, al weet ik niet meer welk.”

Slabbynck: “Pas in 1982 begonnen ze dat nummer hier op de radio te draaien. Radio-dj’s als Gust De Coster bleven in hun programma’s een aantal oudere nummers spelen, waaronder ‘Living Room’. Velen denken dat dat een instant hit was, maar het is maar dankzij dj’s zoals hij dat die nummers levendig bleven.”

Isselée: “En dan zijn ze dat al die jaren overal op fuiven blijven spelen. Als je het volk aan het dansen wilde krijgen, moest je dat opleggen. Dat is van vaders op zonen en dochters overgegaan.”

Het nummer blijft ook opduiken in allerhande lijstjes. In ‘De 100 van eigen kweek’ stond het op nummer 3. In de ‘Belpop 100’ van Radio 1 op nummer 6.

Slabbynck: “Er zijn een paar belpopnummers uit die periode aan elkaar gewaagd, zoals ‘O la la la’ van T.C. Matic, ‘There Will Be No Next Time’ van The Kids en het onze. ‘O la la la’ is lang veel populairder geweest. Natuurlijk is Red Zebra sinds een paar jaar opnieuw actief. We spelen veel optredens, daardoor stemmen de mensen wat rapper voor ons, ze hebben ons nog maar net live gezien.”

D’hondt: “In de ‘Belpop 100’ stonden we laatst op nummer 6, maar we hebben ook al op 28 gestaan en op de 60ste en de 70ste plaats. Maar zelfs dan was ik trots. Dat doet deugd, omdat we in 1980 nooit gedacht hadden dat dat nummer veertig jaar later nog gedraaid zou worden.”

Slabbynck: “Ik denk dat onze frisheid en naïviteit van toen mooi vervat zitten in ‘Living Room’. Als je ‘De tijdloze’ beluistert, is het misschien het nummer dat technisch het minst goed klinkt, maar waarschijnlijk zit daar de charme juist in.”

Zijn jullie er een beetje in het reine mee dat ‘Living Room’ jullie muzikale nalatenschap is?

Isselée: “Het is een zegen en een vloek, want het plaatst de rest ook een beetje in de schaduw. Het is redelijk knullig gespeeld en vrij slecht opgenomen. Je hoort dat we piepjong waren en geen ervaring hadden. Maar er is natuurlijk die riff, die je na één seconde herkent. En die tekst spreekt jonge mensen aan. Ik ben nu 60 en geef al heel mijn carrière les. Mijn studenten komen nog elk jaar op mij af: ‘Tiens, u bent de drummer geweest van Red Zebra.’”

Slabbynck: “Uiteindelijk hebben ik en Red Zebra alles te danken aan dat nummer. We treden nu op met een nieuwe bezetting en ‘Living Room’ wordt nog altijd het meest enthousiast onthaald. En we spelen niet alleen voor leeftijdsgenoten.”

D’hondt: “Ik heb drie kinderen en het is leuk voor hen dat ze kunnen zeggen dat hun ouwe dat liedje geschreven heeft. Het wordt nog steeds gedraaid als ze gaan fuiven. Dat streelt mijn ijdelheid toch een beetje (lacht). Het blijft merkwaardig dat het een stuk erfgoed is geworden.”

De nieuwe single ‘My Boss, the Robot’ is te downloaden via Wool-E Discs op Bandcamp. Het verzamelalbum Songs and Stripes verschijnt op 18 april.De geplande jubileum-optredens van Red Zebra in april en mei zijn uitgesteld.

Beeld RV

© Humo

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234