Zaterdag 14/12/2019
Anna Franziska Jäger: ‘Ik voel me nogal vaak een kluns, die niet goed weet hoe zich door de wereld te bewegen.’

Interview Anna Franziska Jäger

‘Ik ben opgegroeid in een tsjevenfamilie. Ik voel me voortdurend schuldig’

Anna Franziska Jäger: ‘Ik voel me nogal vaak een kluns, die niet goed weet hoe zich door de wereld te bewegen.’

Haar acteerdebuut maakte ze naast Matthias Schoenaerts, als het kleine meisje in het grootse My Queen Karo. Tien jaar, slechts een handvol kortfilms en een weldra afgeronde opleiding aan het Gentse KASK Conservatorium later, schittert ze met overgave in Cleo, een ontroerende film met muziek van Mauro Pawlowski over een 17-jarige Brusselse die op jonge leeftijd beide ouders verliest. Anna Franziska Jäger is de dochter van choreografe Anne Teresa De Keersmaeker, maar laat zich (echt) niet graag aan bloedbanden leggen. ‘Als mensen me beter leren kennen, bekijken ze me niet langer als het kind van mijn ouders.’

We ontmoeten elkaar in het Brusselse art-nouveaucafé Le Cirio, op amper een paar honderd meter van De Munt, waar – excuses, laatste keer – haar mama tussen 1992 en 2007 artist in residence was.

Cleo-regisseur Eva Cools beweert dat jouw castingvideo haar rillingen op de rug had bezorgd. Weet je zelf waarom?

“Nee, dat heeft ze me nooit verteld. Het was nochtans gewoon een filmpje dat ik had opgenomen in de gang op school. Ik deed er niets bijzonders in. Mogelijk straalde ik de juiste emoties uit die zij zocht voor de film? Ik zei ook: ‘Ik kom uit Brussel, kan pianospelen en spreek zowel Nederlands als Frans.’ Dat zijn toevallig drie dingen die ik gemeen heb met het personage Cleo. (schouderophalend) Misschien zijn er gewoon niet zoveel actrices die die drie eigenschappen combineren en ook nog eens kunnen doorgaan voor een meisje van 17?”

Je doet jezelf tekort. Op het filmfestival van Rome won je enkele weken geleden een prijs voor je rol in Cleo. Wat betekent dat voor jou?

“Als ik eerlijk ben: enorm veel. Eerst had Cleo daar al de debuutprijs gewonnen, later kreeg ik er inderdaad ook nog de Rising Star Award. Ik moest er zelfs een beetje van huilen. We hadden met het hele team zo lang aan die film gewerkt, en als iemand je dan zegt: ‘Wat jij daar gedaan hebt, stelt écht iets voor’, dan is dat een mooi compliment...”

Voor iemand van 22 won je al opvallend veel. Op je 10de was je de laureaat van een pianowedstrijd.

“Ik beschouwde dat toen als de mooiste dag van mijn leven (lacht).”

Voor My Queen Karo, een film van Dorothée van den Berghe en met Matthias Schoenaerts, waarin jij op je 12de debuteerde, kreeg je de Ensorprijs.

“En ook nog een prijs in Canada. Maar op die leeftijd is een acteerprijs nog iets helemaal anders. Acteren voelde toen nog een beetje als een evidentie, ik had er in elk geval nog geen bewustzijn over ontwikkeld. Sindsdien heb ik veel technieken en methodes bijgeleerd en dus voelt het ook anders om zo’n prijs te winnen.”

Matthias Schoenaerts was toen rond de 30. Heb je veel van hem geleerd?

“Natuurlijk. Soms hielp hij me bij het acteren, verder beschouwde ik hem vooral als mijn grote broer. Hij zorgde ervoor dat ik niet verdwaalde op de set. Hij stelde me op mijn gemak door veel flauwe mopjes te vertellen. En daarnaast is hij ook heel warm, intelligent en lief. Ja, het is spijtig dat we ’m aan Hollywood hebben moeten geven.” (lachje)

Op de set van Cleo liep de 7-jarige Ishaq El Akel rond, in de film jouw jonge broertje.

“Ja, hij is echt nog heel jong. Hij snapte nog niet helemaal hoe sommige technische dingen in zijn werk gingen, dus probeerde ik hem de scènes telkens zo speels mogelijk uit te leggen.”

In één scène smeer je een handvol warme krieken in zijn gezicht. Hoe vaak hebben jullie dat opnieuw moeten opnemen?

“Iets té vaak. (lachje) Een stuk of zes keer. Krieken in je gezicht krijgen is natuurlijk niet leuk, zeker niet als je misschien niet helemaal begrijpt waarom het nodig is. Maar Ishaq is een schatje, én een goede acteur.”

Op de set zou je Eva verteld hebben dat je ook een koude, lelijke, agressieve kant hebt, en dat dat van pas zou kunnen komen in het verhaal.

“Ik bedoelde vooral dat ik die kant ook kan spelen. Eva vond het belangrijk dat de kijker te allen tijde begrip opbrengt voor de handelingen van de personages. Begrijpelijk. Maar dat betekent niet dat je personage voortdurend lief moet zijn. Een mens kan ook empathie opbrengen voor een antiheld. Cleo is een puber, en pubers zijn nu eenmaal vaak onredelijk, vervelend, bitcherig en in zekere zin gruwelijk. Dat zat sowieso al in het verhaal, maar ik dacht dat het er nog iets meer mocht uitkomen.”

Het is de eerste keer dat je een rol van zo’n omvang speelt.

“En dan nog één die psychologisch zo complex is. Pas op: ik ben natuurlijk niet het enige element dat de film maakt. Ik ben in zekere zin misschien het uithangbord. Je zit hier niet met de cameraman op café, maar toch maakt die een even wezenlijk onderdeel uit van Cleo.”


Houseparty’s

Ik ga even terug: hoe gruwelijk was jij als puber?

“Ik heb daar geen spectaculaire verhalen over, hoor. Het zijn de klassieke dingen: iets willen, het niet krijgen en daar dan heel vervelend over lopen doen... Intussen begrijp ik beter dat onvervulde verlangens bij het leven horen. (verontschuldigend) Er schiet me niets concreets te binnen, sorry.”

Je moeder staat erom bekend dat ze voor haar dansvoorstellingen het beste eist van zichzelf en van haar dansers. Hoe streng ben je opgevoed?

“Rechtvaardig, denk ik. Streng wanneer het moest, losjes wanneer het kon.”

“Het zou kunnen dat mijn ouders bepaalde verwachtingen van mij hadden, maar ze hebben me in elk geval altijd genoeg vrijheid gegeven om die in te vullen op de manier die mij het beste ligt. Met andermans verwachtingen kan ik sowieso niets. Ik kan niet anders doen dan hoe ik doe.”

Volgens een leeftijdsgenote die jou kent van op school gaf jij in je tienerjaren, toen je ouders niet thuis waren, de memorabelste houseparty’s.

(verrast) “Echt? Zóveel feestjes heb ik nochtans niet georganiseerd. Ik kan me ook niet meer herinneren of die feestjes wel echt leuk waren. Als organisator beleef je dat toch altijd anders. Ik weet wel dat ik dan altijd de hele avond liep te stressen. ‘Amuseren de mensen zich wel?’ En vooral: ‘Is het kot nog niet aan het afbranden?’ Niet dat het risico op dat laatste groot was, maar ik ben nogal een controlefreak.”

Als kind zei je: ‘Mooi piano kunnen spelen is plezant, maar ik denk niet dat ik dat mijn hele leven zal blijven doen.’ Waarom wist je dat toen al zo zeker?

“Omdat ik voelde dat het voor mij geen noodzaak was, eerder een hobby. Het vraagt veel discipline om die vaardigheden te onderhouden, en in het middelbaar vond ik het belangrijker om vaak genoeg te kunnen uitgaan.”

Jäger: ‘Mijn mama heeft haar toekomst vrij snel in eigen handen genomen, zelf ben ik zover nog niet.’

In Cleo speelt de discotheek Club 7 een belangrijke rol. Waar ging jij als tiener uit in Brussel?

“Aanvankelijk vooral in de jeugdhuizen in de rand rond Brussel. ’t Mutske, Tongeluk... Later hebben vrienden van mij er zelf één opgericht: Jeugdhuis Dar. Daar heb ik ook veel tijd doorgebracht. Nog later ging ik naar de Fuse en zo, maar voor de rest ga ik vooral uit op café.”

Overdag was je vaak te vinden aan de Recyclart, het Sint-Katelijneplein, Parking 58...

“In mijn middelbareschooltijd waren dat de ankerpunten van mijn bestaan, ja. Daar spraken we af, daar hingen we rond, daar kreeg ik bij wijze van spreken mijn eerste kus...”

“Parking 58 is nu een gat. Afgebroken. Fascinerend om te zien: ze zijn heel diep beginnen te graven, tot plots de bedding van de Zenne, overkapt in 1865, weer bloot kwam te liggen. Ik ben daar toen een paar keer naar gaan kijken en je zag er echt – ik weet niet hoe ik het anders moet omschrijven – prehistorische moeraslagen. Een paar eeuwen geleden gooiden mensen voortdurend van alles in die rivier, en ineens was dat allemaal – gecondenseerd en op elkaar gedrukt – weer goed zichtbaar. Ik heb er schoenen in zien liggen, en tanden...”

Tanden?!

“Weet ik veel, dierentanden of zo. (denkt na) Mijn probleem met Brussel is dat de stad sinds enkele jaren enorm aan het veranderen is. Eigenlijk is het één groot terras geworden, de horeca is er veel te prominent. Vroeger had je veel meer pleintjes waar je gewoon wat kon hangen. Nu zijn die, met toestemming van het stadsbestuur, stuk voor stuk aan het verdwijnen. Je mag er alleen nog zijn als je ook consumeert. Nu, dat is in Barcelona en Amsterdam ook zo – het is een algemene trend.”

“Neem nu Winterpret, de kerstmarkt die hier elk jaar wordt opgetrokken. Niet mijn soort vertier, maar op zich snap ik dat andere mensen dat plezant vinden. Mijn punt is dat ze dat niet gewoon konden beperken tot het Sint-Katelijneplein. Nee, dat móést ook nog eens op de Anspachlaan én hier én daar... Dat is hier het eeuwige probleem: alles moet buitensporig, het is nooit genoeg.”

Waarover wind je je het vaakst op: de wantoestanden in je stad, of de vooroordelen van anderen over Brussel?

(lacht) éIk eis het recht op ergernis niet op, hoor. Brussel is mijn stad, ik ben hier opgegroeid en ik zal er wel altijd verliefd op blijven, maar ik zal buitenstaanders nooit zeggen dat ze geen kritiek mogen geven.”

‘Matthias hielp me bij het acteren, ik beschouwde hem als mijn grote broer op de set.’ Foto: De 12-jarige Jäger met Matthias Schoe­naerts in de film ‘My Queen Karo’ uit 2009

Het Brussel dat in Cleo getoond wordt, is een Brussel dat ik herken: rauw, fascinerend, uitdagend, tegelijk mooi en lelijk.

“Ja. Maar om de veelzijdigheid van Brussel echt helemaal te vatten, zou je er volgens mij een paar duizend films over moeten maken (lachje). Ik heb er trouwens ook mijn eindwerk over geschreven, over de stedenbouwkundige ontwikkeling van de stad tussen 1865 en 1914. Dus onder meer over de aanleg van de Anspachlaan en de grote werken van Leopold II.”

Ben je er al achter waar je niet goed in bent?

“Er zijn zoveel dingen, zoals bij iedereen. Zingen kan ik niet. In wiskunde ben ik slecht, statistiek is niets voor mij... Ik denk dat ik wel de kwaliteiten zou hebben om te schrijven, maar een mens moet op een gegeven moment kiezen, en bij mij is de keuze op acteren gevallen.”


Dagen vol slapstick

Over haar wereldberoemde dansvoorstelling Rosas danst Rosas zei je mama ooit: ‘Ik ben eigenlijk altijd een heel slechte danseres geweest. Net daarom wou ik mijn eigen danspassen, mijn eigen danstaal uitvinden.’ Ze was toen 23.

“Ik snap dat. Ik hecht zelf ook veel belang aan artistieke autonomie. Ik vind het soms ongemakkelijk om mezelf over te geven aan de visie van een ander als ik niet weet wat het eindresultaat zal zijn. Mijn mama heeft haar toekomst inderdaad vrij snel in eigen handen genomen, zelf ben ik zover nog niet. Ik oefen mezelf nu wel in loslaten.”

Waarin lijk je op je moeder, en waarin op je vader?

(ontwijkend) “Wat ik van mijn mama vooral heb geërfd, is dat we allebei niet graag spreken over ons privéleven en onze persoonlijke relaties. Ik wil het in interviews niet te vaak over mijn familie hebben. Ik snap dat mensen me er vragen over stellen – nu in elk geval meer dan vroeger – want mijn moeder is nu eenmaal een publiek figuur. Maar dat wil nog niet zeggen dat ik er graag op antwoord.”

Je moeder had het in interviews vroeger wel af en toe over haar kinderen. Ik herinner me één interview waarin ze vertelde dat jij en je broer erg van West-Vlaamse hiphop hielden.

(kort) “Flip Kowlier en zo? Ja, dat kan wel. Toen ik heel jong was.”

Je bent bevriend met Hana De Pauw, de dochter van Josse. Je zei eens dat jullie allebei goed beseffen wat jullie van je ouders hebben meegekregen, maar ‘dat jullie toch hopen dat men jullie als méér ziet dan de dochters van...’

“Voilà. Ik weet intussen wel dat, als mensen mij beter leren kennen, ze me minder snel gaan bekijken als ‘het kind van mijn ouders’. Eerder als het kind van mijn tijd, of zo.”

Bén je een typisch kind van je tijd? Je zit niet op Instagram, zag ik.

“Nee. Wel op Facebook. Instagram is too much voor mij. Ik snap het medium niet goed, ik ben daar een kluns in. (denkt na) Eigenlijk voel ik me nogal váák een kluns, iemand die niet goed weet hoe ze zich door de wereld moet bewegen. Chantal Akerman, de overleden Belgische cineaste, gaf vroeger vaak intrigerende interviews, waarin ze onder meer verklaarde blijvend onder de invloed van Charlie Chaplin te staan. Dat gevoel herken ik. In mijn relaties of wanneer ik een ernstig gesprek probeer te voeren: slapstick, de hele dag door.”

Noem eens een foute beslissing die je, als je het allemaal opnieuw kon doen, toch weer zou nemen?

“Mijn leven is een aaneenschakeling van domme beslissingen. (lacht) De grootste fouten maak ik op amoureus vlak, denk ik. Maar ze móéten gemaakt worden om te kunnen groeien, zeker?”

Aan welke vooroordelen over de jeugd van tegenwoordig erger je je het vaakst?

(schouderophalend) “Wie is dat, ‘de jeugd van tegenwoordig’? Ik maak deel uit van een generatie, maar die generatie is niet homogeen. Ik zit om te beginnen in heel linkse milieus, maar door de band genomen is de jeugd net allesbehalve links. En zijn de generaties wel echt zo afgescheiden van elkaar? We leven toch allemaal in dezelfde tijd.”

Is dit volgens jou een fijne tijd om jong te zijn?

(denkt na) “Toevallig hadden we het daar onlangs nog over op school. Het schijnt dat de meeste mensen het gevoel hebben dat ze volwassen en politiek bewust worden in een tijd die maatschappelijk heel belangrijk en acuut is. Ik heb dat nu in elk geval ook. We maken een kantelpunt mee. Neem de klimaatkwestie. We weten dat onze huidige leefwijze onhoudbaar is. Dat we de manier waarop we over onze toekomst nadenken radicaal moeten herzien, en dat de gevestigde orde dringender dan ooit beslissingen dient te nemen.”

“Om op je vraag te antwoorden: ja en nee. Onze maatschappij wordt gedomineerd door de cultus van de jeugd. De meeste jongeren hebben het gevoel dat ze de hele tijd móéten genieten, wat ongelooflijk dwaas is. Daarnaast krijgen we enerzijds te horen dat we onze tekortkomingen en afwijkingen moeten aanvaarden, maar er is ook de druk om, bijvoorbeeld op sociale media, steeds de best mogelijke versie van onszelf te presenteren. Een heel schizofrene situatie.”

Geen wonder dat zoveel jongeren tegenwoordig met een burn-out kampen.

“Burn-outs zijn de stakingen van onze tijd. Ik bedoel: vroeger werd er gestaakt wanneer men voor sociale rechtvaardigheid en onmenselijke werkomstandigheden vocht. Nu branden mensen op: een soort hedendaagse en individuele weigering om in de maatschappij mee te draaien.”


Tsjevenfamilie

Ik wil het toch nog een keer over je familie hebben. Je vader is Gerhard Jäger, de bezieler van Art Basics for Children. Daarmee ijvert hij voor het belang van kunst in de opvoeding van kinderen. Het kan niet anders of jij en je broer dienden daarbij als proefkonijnen.

(knikt) “Kunst als manier om de wereld te ontdekken. Mijn papa denkt – nee: hij weet – dat vroeg contact met kunst nieuwsgierige kinderen en rijkere mensen voortbrengt. Dag in, dag uit was hij daar heel bewust mee bezig, met een enorme toewijding. Hij zag zijn werk nooit als werk. Hij deed het gewoon heel graag, het was een soort obsessie.”

“Ik ben mijn ouders dankbaar voor de kansen die ze mij gegeven hebben. Aanvankelijk beschouwde ik die kansen als een vanzelfsprekendheid, maar nu ik ouder word besef ik dat ik geluk heb gehad. Niet alle kinderen krijgen evenveel kansen. Er is veel ongelijkheid, ook in het onderwijs. Zelfs het kunstonderwijs is nog veel te homogeen, zowel qua kleur als qua klasse. Niet dat ik meteen weet hoe dat opgelost kan worden.”

Jäger: ‘De grootste fouten in mijn leven maak ik op amoureus vlak. Maar die móéten gemaakt worden om te kunnen groeien, zeker?’

Wie bewonder je? Je zei ooit trots dat je op je 13de al de handtekeningen van de zangeressen Sandrine en Axelle Red had verzameld.

“Hoe wéét jij dat? Ik kan het me zelf nauwelijks herinneren. (licht gegeneerd) Er zijn massa’s acteurs naar wie ik opkijk, maar ik zou hen nooit meer om een handtekening vragen. Je wilt toch cooler zijn dan dat.”

“Ik zou weleens willen meespelen in een film van de broers Dardenne. Toen Cleo in Rome de debuutprijs won, mochten zij die komen overhandigen. Ik was er die dag toevallig niet bij, maar ik heb gehoord dat ze heel vriendelijk waren. Ik vind hun films echt uitzonderlijk goed. Hun allermooiste vind ik Rosetta, met een magistrale acteerprestatie van Émilie Dequenne. Telkens als ik die film zie, weet ik weer hoeveel ik nog te leren heb.”

Cleo gaat voor een groot stuk over schuldgevoelens. Heb je daar ook in het echte leven aanleg voor?

“Natuurlijk. Wat dacht je? Ik ben opgegroeid in een tsjevenfamilie. (lachje) Ik voel me voortdurend schuldig.”

Waarover?

“Gewoon, over van alles. Als ik de afwas weer heb laten staan. Of als ik me te puberaal heb gedragen. Als ik niet vriendelijk genoeg was tegen de mensen... (lacht) Ik bedoel dit niet helemaal ernstig, hoor. De dingen waarover ik me het schuldigst voel, zijn wel meestal van persoonlijke aard, en die wil ik hier niet delen.”

(denkt na) “Je de hele tijd schuldig voelen is natuurlijk ook een vorm van narcisme. Ik heb de neiging om alles op mezelf te betrekken. En voor die neiging voel ik me dan ook weer schuldig.” (lachje)

Je geeft niet graag interviews, hè?

“Ja en nee. Op zich vind ik het meestal fijne gesprekken – ook nu. Maar ik bots de hele tijd op mijn limieten. Ik weet nog niet goed hoe ik de grens tussen het persoonlijke en het professionele moet trekken. Ik snap dat ik als acteur sowieso de publieke sfeer binnenbreek, maar een interview voelt nog te veel als een openbare en soms ongewilde therapiesessie.”

Tien jaar geleden, toen je 12 was, gaf je ons al eens een interview. Op de vraag ‘Wanneer ben je het gelukkigst?’ antwoordde je toen: ‘Wanneer ik op de filmset sta. Of wanneer ik een spreekbeurt geef. Straks heb ik er ééntje: ze gaat over Woodstock.’

(lacht) “Ik herinner me die spreekbeurt zelfs nog. Tegenwoordig voel ik me het gelukkigst wanneer ik zelf een theatervoorstelling aan het maken ben. Beginnen met niets, met een leeg blad, en dat dan betekenisvol proberen in te vullen, samen met de mensen die ik het liefst zie.”

“Ik maak de laatste tijd theatervoorstellingen met een klasgenoot. We proberen samen dingen uit, en daarbij probeer ik vooral te weten te komen wat mij het meeste ligt. We vragen ons op dit moment bijvoorbeeld af: bestaat er zoiets als gedeelde intuïtie? Heel interessant.”

Wat verwacht je van de toekomst?

“Ik hoop dat ik altijd kan blijven doen wat ik nu doe. Ik verwacht dat dat allemaal minder gemakkelijk zal zijn dan het op dit moment lijkt.”

Cléo loopt nu in de zalen. 

© HUMO

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met De Morgen?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van De Morgen rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234