Zaterdag 20/07/2019

DM Zapt Robin Broos

Ik behoor tot de laatste generatie die dat kleine geluk heeft meegemaakt

Stranger Things Beeld Netflix

Robin Broos zet deze week de blik op oneindig. Vandaag schrijft hij over Stranger Things.

Het was een zalige tijd. Op school konden we met ons vieren uren discussiëren in onze AV-club over kwantumfysica en andere dimensies. Ja, we waren übernerds. Gedroomd doelwit van pestkoppen en leeghoofden van wie we iets te vaak lappen kregen. Zeker wanneer we met carnaval verkleed als Ghostbusters over de speelplaats liepen. Inclusief zelfgemaakte rugzak.

Het deerde ons niet. Wij vier hadden een vriendschapspact, met eigen regels en eigen hobby’s. Op vrijdagavond gingen we met z’n allen naar Mike thuis, waar we in de kelder tot diep in de avond Dungeons & Dragons speelden. Will was onze beste strateeg. Op zaterdag vertrokken we meestal vroeg in de ochtend met onze BMX richting de bossen om wat pseudowetenschappelijke proeven te houden. En moesten we toch even opsplitsen, had Dustin wel een Walkie Talkie-systeem klaar om in contact te blijven, zelf gemonteerd zijn in fietshelm. Terugkeren deden we wanneer het al lang donker was. En zondag deden we het allemaal nog eens over. Geluk was toen heel gewoon.

Voor wie nog niet helemaal mee is: nee, dit is geen beschrijving van mijn eigen jeugd. Wel die van de vier hoofdpersonages uit de Netflix-reeks Stranger Things. Toen ik de reeks vorige week herbekeek als voorbereiding op het nieuwe seizoen dat op 4 juli gelost wordt, overviel me een vreemd gevoel. Dat ik zelf, als kind van de jaren 1980, de laatste generatie is die dat kleine geluk heeft meegemaakt. Los van de griezelige hocus-pocus, natuurlijk.

Still uit ‘Stranger Things’ seizoen 3. Beeld Netflix

Antwoordapparaat

Mijn jeugd was een variatie op die van Dustin, Lucas, Mike en Will. Maar dan met Walkmans, schoolkrantjes en veel Jurassic Park. Wanneer we naar buiten gingen, maakten we goede afspraken. Op dat uur moesten we thuis zijn. En we deden dat, of het was de dag erop niet waar. En stond de wereld intussen in brand, hoorden we dat later wel. Aan de ontbijttafel door de radio, of van een leraar op school.

Maar dan, ergens rond mijn zestiende, brak de gsm door. En alles werd anders.

De Vlaamse moraalfilosoof Katleen Gabriels (Maastricht University en auteur van het boek Onlife) illustreerde de breuklijn tijdens haar inaugurale rede voor de leerstoel Willy Calewaert 2019 met een treffende video. In het fragment vraagt een Nederlandse reporter aan mensen op straat of ze een mobiele telefoon hebben. Dit waren hun antwoorden.

• “Ik heb een antwoordapparaat, dus thuis ben ik altijd al bereikbaar.”

• “Als ik ergens strand, is er altijd wel ergens een telefooncel of een boer met een telefoon.”

• “Het lijkt me niet leuk om altijd bereikbaar te zijn.”

Opgenomen in 1998, vandaag compleet ridicuul. Als we even opsplitsen, dan bellen we gewoon. Als we te laat zijn, WhatsApp’en we snel. En als de wereld vergaat, krijgen we drie seconden later een push-bericht van de De Morgen-app.

Gabriels gebruikte de video om aan te tonen hoe we op 20 jaar tijd ons gedrag helemaal gewijzigd hebben in functie van nieuwe technologie. En dat we ons dat toen niet konden inbeelden.

En daarom kijk ik zo hard uit naar het derde seizoen van Stranger Things. Omdat het me even terug katapulteert naar een zorgeloze tijd waar we niet dag en nacht bereikbaar waren. En dat het kinderen van na de jaren 1980 via popcultuur ook even introduceert in een wereld waar geluk nog heel gewoon was.*

* Jawel, ook dat is niet zelf bedacht. Van Kooten en De Bie zongen het al in 1972.

Stranger Things seizoen 3, vanaf 4/7 op Netflix.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met De Morgen?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van De Morgen rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar info@demorgen.be.
© 2019 MEDIALAAN nv - alle rechten voorbehouden