Woensdag 17/07/2019

Expo Kunst

Hoe zwarte modellen in westerse kunst verschijnen

Édouard Debat-Ponsan, ‘Le massage. Scène de hammam’ (1883) Musée des Augustins Toulouse. Te zien in ‘L’Orient des peintres’. Beeld www.bridgemanimages.com

Beyoncé en Jay-Z gaven met hun clip in het Louvre al een voorzetje: laten we het eens hebben over de zwarte figuren in westerse kunst. Dat is precies wat twee tentoonstellingen in Parijs nu doen, op een totaal verschillende manier.

Soms is iets onzichtbaar, ook als het recht voor je neus staat. De kunst is ervan vergeven. Een zwarte bediende in een familieportret. Een slavin naast een koopman. Een bediende van een witte courtisane. Natuurlijk zijn ze er wel. Maar ook weer niet; als je de beschrijvingen van kunstwerken in sommige musea en boeken leest, zou je soms denken dat ze niet bestonden. Als alle personen worden geduid en beschreven op een schilderij behalve die ene donkere persoon, dan wordt die ene langzaam onzichtbaar. Wel afgebeeld, niet opgemerkt.

Het staketsel van de westerse kunstgeschiedenis dat sinds de 19de eeuw is gebouwd, bibliotheken en musea vol, heeft sommige mensen eruit gefilterd. Dat ging heel subtiel, door aandachtsberoving. Maar het tij is aan het keren. Er ontstaan nieuwe perspectieven op oude meesters, waardoor onder andere de aanwezigheid van de zwarte mens in de westerse schilderijen in het licht komt.

Musée D’Orsay maakt nu met de tentoonstelling Le modèle noir een spectaculaire inhaalslag met de geschiedenis, door de zwarte modellen op Franse schilderijen alle aandacht te geven. Met secuur archiefonderzoek werd zoveel mogelijk achterhaald over hun identiteit én wordt nauwkeuriger gekeken naar hun betekenis in de voorstelling. ‘Model’ heeft hier een dubbele betekenis: als de figuren die zijn afgebeeld en als voorbeeld. Nu sommigen een naam hebben gekregen, zijn zij ook rolmodel voor de vrije zwarte burgers in de Franse samenleving net na de afschaffing van de slavernij.

Zoals Madeleine. Bij de entree van de tentoonstelling hangt ze pal tegenover de twee originele verklaringen van de afschaffing van de slavernij. Twee, omdat eerst in 1794 de slavernij werd afgeschaft in Frankrijk, waarop Napoleon de boel kwam terugdraaien in 1815, waarna er in 1848 pas definitief een einde kwam aan de slavernij. Madeleine werd geschilderd als vrije Franse burger in 1800. Hier in de tentoonstelling is Madeleine een icoon, en terecht. Het is een historisch monument; de uit Guadeloupe afkomstige vrouw kijkt ons recht aan, in een lege, lichte ruimte. Ze draagt kleding in drie kleuren, het rood, wit en blauw van de Franse vlag; een symbolisch beeld van vrijheid. Ze is half gekleed, wat wij nu als exotiserend zouden kunnen beschouwen – waarom borsten in een waardig portret? – en toch is ze er, kijkt ze ons recht aan vanuit het verleden, en heeft ze een naam. De vrouw die haar schilderde, de adellijke Marie Guillemine Benoist, was haar werkgever. Beiden kregen niet veel aandacht in de geschiedenis. En nu is er grond voor erkenning.

Marie Guillemine Benoist, ‘Portrait de Madeleine’, (1800). Te zien in ‘Le modèle noir’. Beeld © Artepics

Die grond werd gecreëerd door een aantal nieuwe kunsthistorici, zoals Denise Murrell en Isolde Pludermacher, die deze tentoonstelling maakten. Maar zonder twijfel ontstond het draagvlak ook vanwege de aandacht in de popcultuur: toen supersterren Beyoncé en Jay-Z vorig jaar de video van het nummer ‘Apeshit’ uitbrachten, die in het diepste geheim was opgenomen in het Louvre, was Madeleine het laatste portret dat werd gefilmd. Hun clip benadrukte zwarte aanwezigheid in oude kunst en werd 167 miljoen keer bekeken. De bezoekcijfers van het Louvre stegen naar een record van ruim 10 miljoen, twee miljoen meer dan het jaar ervoor.

Het droeg bij aan een nieuwe blik op ons gedeelde verleden, zoals ook het succes van zwarte hedendaagse kunstenaars – Kehinde Wiley, Kara Walker, Kerry James Marshall, Amy Sherald enzovoort, bijdraagt. Nieuwe tentoonstellingen komen ons tegemoet als resultaten van deze onderzoeken. In het Amsterdamse Rembrandthuis komt volgend jaar de tentoonstelling Zwart in de tijd van Rembrandt, het Rijksmuseum opent dan een slavernijtentoonstelling – en eerder waren er al tentoonstellingen als African Presence in Renaissance Europe (in Baltimore en Princeton) en Black Is Beautiful (in Amsterdam).

In Parijs is even verderop van ­Musée D’Orsay gelijktijdig de tentoonstelling L’Orient des peintres in Musée Marmottan Monet. Als je de titel leest, lijkt dat nogal achterhaald. ‘De Oriëntaalse visie van de schilders’. Oriëntaals, was dat niet een woord dat meer zegt over de westerse blik op het Oosten dan over dat Verre Oosten zelf? Moesten we dat niet een keertje loslaten?

Wie de tentoonstelling binnenloopt, gaat het begrijpen. Hier is de nadruk gelegd op de fantasie die Franse kunstenaars creëerden van een oosterse werkelijkheid. Een geromantiseerd en vaak met seksualiteit beladen beeld waaraan hardnekkig werd vastgehouden, óók als kunstenaars zelf op reis gingen naar Noord-Afrika en het Midden-Oosten. Harems, hamams, slavinnen en vrouwen die zo uit 1001 Nacht lijken te zijn weggelopen.

‘1001 Nacht’

Musée Marmottan pakt het slim aan. Bij elk schilderij staat uitleg: wat klopt met de werkelijkheid, wat kwam voort uit de fantasie en waardoor kwam dat? Kunstenaars hadden bijvoorbeeld grote interesse in het licht en de architectuur van het Oosten, die ze meestal heel waarheidsgetrouw afbeeldden. Renoirs Ravijn van de wilde vrouwen (1881) is een fantastisch, los geschilderd landschap in ­Algerije (de wilde vrouw in de titel blijkt een legende te zijn, gecreëerd door Franse kolonisten), Théo van Rysselberghe had een obsessie met de architectuur van Marokko, Paul Klee met de kleuren in Tunesië. Islamitische kunst was een hype, waardoor je onder meer de tegelpatronen van het Topkapi-paleis in Istanbul in verschillende werken tegenkomt. Henri Matisse kende zelfs spirituele betekenis toe aan de kleuren, erkende hij: “Er kwam een openbaring tot me vanuit de Oriënt.”

Maar tegelijk blijft een fantasie overeind, deels gebaseerd op de verhalen van 1001 Nacht, die toen razend populair waren, gemengd met een romantische nostalgie naar de Griekse oudheid.

Zo confronteren deze tentoonstellingen ons op een eigen manier met hoe onze aandacht werkt: we zien wat we kennen en wat we graag willen zien. Ingres en zijn geestverwanten zaten met hun hoofd in een schoonheidsideaal dat uit de Griekse oudheid gefilterd was en projecteerden dat op het Oosten met hun exotische ‘odalisken’ – wat in de kunst gewoon een nieuw woord was voor naakte vrouw. Er volgde een eindeloze reeks haremvrouwen.

Het blijft een Frans perspectief. De winst van deze twee exposities is dat we ons hiervan bewust worden: er zijn altijd meerdere perspectieven. Zowel Le modèle noir als L’Orient des peintres roepen de vraag op of we ooit volledig zicht op de wereld en de geschiedenis kunnen krijgen. Het voorlopige antwoord: nee, maar het is de moeite van het proberen waard.

INFO: ‘Le modèle noir, de Géricault à ­Matisse’, t/m 21/7 in Musée D’Orsay. ‘L’Orient des peintres, du Rêve à la ­lumière’, t/m 21/7 in Musée Marmottan Monet. Beide in Parijs.

Zwarte man schildert zwarte man, en toch wringt er iets

Het poseren was niet te doen voor het model, gaf de kunstenaar toe. Een vréselijke houding om te moeten volhouden, de ene arm omhoog, de andere gekromd, leunend op een knie terwijl het rechterbeen met vreemd ingedraaide voet gestrekt is. Het was allemaal strikt voorgeschreven. Toch kijken we naar een glashelder schilderij van een zwarte man, met kleuren zo fel als de hemel op een wolkenloze zomermiddag en twee rake losse handen in de ruimte erbij. En vooral naar een veelzeggend document: dit is het model Joseph, geschilderd door een kunstenaar van gemixte achtergrond; Théodore Chassériaus moeder kwam uit Saint-Domingue, de huidige Dominicaanse Republiek. Zwarte man schildert zwarte man in een Franse koloniale samenleving, waar op dat moment de slavernij nog niet was afgeschaft. Joseph (achternaam onbekend) en Chassériau zijn de geschiedenis ingezakt tot anonimiteit en allebei krijgen ze in Musée D’Orsay hun identiteit terug.

Joseph, namelijk, is misschien wel de belangrijkste ontdekking in de tentoonstelling; er zijn zo veel kunstwerken met hem dat je hem echt lijkt te leren kennen. Een prachtige man. Hij was het meest geliefde en beste zwarte model voor vele kunstenaars. Van Délacroix tot Géricault – die hem ook uitbeeldde op zijn beroemde Vlot van Médusa (1818) – tot aan een prachtig ontspannen portret van Adolphe Brune dat in de Salon van 1865 hing, waar hij lachend een schaal naar zijn mond brengt. Joseph werd minstens 74 jaar en zijn carrière beslaat bijna de hele eeuw waarin Frankrijk zich op een nieuwe manier tot de koloniën en hun bevolking ging verhouden. De vraag naar Joseph was zo groot dat hij als professioneel model Joseph op de loonlijst stond van de Parijse École des Beaux Arts.

Toch wringt er iets aan het verhaal van dit werk. De schilder Ingres was de opdrachtgever; degene die die onmogelijke houdingen precies had voorgeschreven. Op een schetsje van Ingres in de tentoonstelling is te zien waarvoor dit bedoeld was: Joseph zou Satan gaan voorstellen op een schilderij van de verleiding van Christus in de woestijn. De duivel die van de rots valt. Maar dat wist Chassériau niet. Die had alleen de opdracht gekregen Joseph in deze houding te schilderen, als voorschets. “Het is niet nodig dat hij het weet, ik vraag een simpel negerfiguur in deze houding”, schreef Ingres in een brief. De verschillen tussen de kunstenaars waren groot. Ingres had nul interesse in de slavernij. Géricault en Delacroix’ leerling Chassériau waren fervent abolitionisten.

Een verwrongen Europese fantasie

Sommige schilderijen zijn niet te harden vanuit ons oogpunt. In beide tentoonstellingen hangen daar voorbeelden van. In Le modèle noir is er een meer dan levensgrote voorstelling uit 1843 waarop een zwarte beul ‘de straf met de vier palen’ uitvoert; hij geselt een naakte zwarte man die met gespreide armen en benen aan de grond genageld is. Te pijnlijk om naar te kijken, je kunt het flink in je maag voelen. Toch is het een aanklacht tegen slavernij; de kunstenaar wilde de gruwelijkheden in de koloniën zichtbaar maken om mensen bewust te maken van het onrecht.

Dat ligt anders met dit schilderij, dat mij meer aan Markies de Sade deed denken dan aan romantiek. Zo is het wel bedoeld; als exotische romantiek. Een slavin, naakt en licht van kleur, wordt bekeken, haar tanden worden gekeurd door een groep rijke mannen. Het thema van seksuele slavernij is impliciet in veel schilderijen die een abstract idee van ‘de Oriënt’ idealiseren, laat de tentoonstelling L’Orient des peintres zien.

Deze versie is buitengewoon expliciet: geklede mannen, naakte vrouw die gekocht wordt. Niet bedoeld als aanklacht, maar een verwrongen Europese fantasie van een slavin die een meester zou kunnen verleiden, losjes geïnspireerd op ­Sheherezades 1001 Nacht; desondanks werd het geprezen als een ‘voorstelling uit het echte leven’ tijdens de Parijse Salon van 1867.

Een opvallend verschil met de vele harem-geïnspireerde voorstellingen in de Franse kunst is wel de aanwezigheid van de mannen in dit kunstwerk. De man is er altijd, maar wordt nooit zichtbaar gemaakt, schreef de Marokkaanse sociologe Fatema Mernissi: “Westerse mannen laten zichzelf nooit zien in hun voorstellingen van harems, anders dan oosterse… ze tonen de slaaf, of de zwarte, maar nooit de meester. In westerse kunst is het altijd een man die kijkt naar een vrouw, terwijl zij is geïsoleerd in het kader van een voorstelling.”

Dit is een uitzondering, waarbij we de male gaze recht in het gezicht kijken.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met De Morgen?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van De Morgen rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar info@demorgen.be.
© 2019 MEDIALAAN nv - alle rechten voorbehouden