Dinsdag 05/07/2022

InterviewRegula Ysewijn

‘Hoe mensen tegenwoordig in een slobbertrui op restaurant gaan, is dat nu vooruitgang?’: ‘Bake Off’-jurylid Regula Ysewijn

Regula Ysewijn: ‘De vraag wordt mij vaak gesteld of ik het niet raar vind dat ik in ‘Bake Off’ ongezonde voeding promoot.’ Beeld Joris Casaer
Regula Ysewijn: ‘De vraag wordt mij vaak gesteld of ik het niet raar vind dat ik in ‘Bake Off’ ongezonde voeding promoot.’Beeld Joris Casaer

U kent Regula Ysewijn (38) als het strenge maar rechtvaardige jurylid in Bake Off Vlaanderen. Maar haar hart ligt ook en vooral bij ons culinaire erfgoed en bij Engeland. Al heeft dat land haar hart gebroken. ‘Er is echt iets gekraakt.’

Lotte Beckers

Bake Off, dat is het programma dat België nodig heeft”, zegt Regula Ysewijn beslist. Ze zet een pot sterke Engelse thee op de salontafel, en een overdosis stroopwafels die ze voor een project bakte, en waar ze nu vanaf moet.

Haar man heeft dat eens goed omschreven, zegt ze, die aantrekkingskracht van de bakwedstrijd waarin amateurs met spectaculaire taarten, constructies van getempereerde chocolade en kleurrijke koekjes uitpakken. “Bake Off neemt je mee naar een andere wereld: een mooie tent op een mooi domein. En daarin gepassioneerde mensen met slechts één doel: geen geldprijs of een reis, maar de titel van beste bakker.

“Ze geven zich helemaal, en dat voor een taart. Maar die taart betekent alles voor hen. Je mag niet onderschatten hoe groot de impact van het programma is: de deelnemers werken en hebben gezinnen, en staan elke avond tot in de late uren de recepten en technieken voor hun taarten te oefenen. Bake Off biedt ook hoop in de mens: gemeen gedrag wordt niet getolereerd, de deelnemers helpen elkaar.”

Ysewijn ontvangt ons in haar herenhuis in Berchem, dat ze deelt met haar echtgenoot, illustrator Bruno Vergauwen, en hun drie katten. Op de benedenverdieping houdt ze haar studio, een fotogenieke oude keuken met rekken vol voorraadpotten en apothekerskast, die ze vaak op Instagram toont. De tafel staat vol gebak en broodjes. Hard en oneetbaar, zegt ze, maar misschien komen ze nog wel eens van pas voor een foto.

Maar laten we allereerst een hardnekkig misverstand uit de wereld helpen: Ysewijn bakt weliswaar, maar is geen bakker of patissier. “Wereldwijd bestaat elk juryduo van Bake Off uit een patissier - bij ons Herman Van Dender - en een culinair auteur. Dat is logisch, zo krijg je twee verschillende visies. En ik ben geen zoetekauw, ook dat maakt van mij een goed jurylid.”

Dat, en tonnen ervaring. Ysewijn is niet alleen schrijver en culinair historica, al jarenlang is ze ook jurylid voor competities als The Guild of Fine Food’s Great Taste Awards en de World Cheese Awards. Gerechten jureren, het is een stiel. “Je kunt niet zomaar zeggen ‘dat het lekker is’. De kijker thuis wil kunnen meeproeven, dus je moet omschrijven wat je ziet, proeft en ruikt. Daarvoor heb je enorm veel kennis van smaak nodig. Mensen als ik bijten in zure, onrijpe abrikozen om te weten hoe dat proeft, zodat we ooit kunnen zeggen: ‘deze wijn smaakt naar onrijpe abrikoos’.”

Hebt u een bijzonder geheugen voor smaken?

“Ja, al van kleins af aan. Mijn belangrijkste herinneringen aan mijn kindertijd zijn met smaken en geuren verbonden. Ik herinner me een reis naar Hongarije en Tsjechië. Ik was een jaar of vier en at elke avond een omelet. De smaak van die eieren - misschien was het een specifiek ras, of werden die omeletten op een ouderwetse manier klaargemaakt? - kan ik me nog zo voor de geest halen. Ik zie voor mij ook meteen de ruimtes waar ik die eieren heb gegeten, en de man die viool speelde in dat ene restaurant.

“Een jaar of tien geleden was ik met mijn man in Tsjechië en bestelde ik zonder nadenken een omelet. Ik nam een hap en kreeg kippenvel over heel mijn lichaam. De tranen sprongen in mijn ogen. Ik proefde die omeletten die ik als kind zo vaak had gegeten. Dat was zo emotioneel, een terugkeer naar die fijne herinneringen.”

Ysewijn is een vrolijke spraakwaterval. Ze oogt frêler dan op televisie, zachter ook dan het strenge maar rechtvaardige jurylid. Haar lange haren, die tot aan haar knieën reiken, hangen los. “Tot twee jaar geleden zou ik mijn haren opgestoken hebben, omdat ik wist dat je kwam. Misschien was ik toen toch wat zenuwachtiger voor interviews.”

Maar in Engeland was Ysewijn - althans vóór Bake Off - bekender dan hier, dankzij haar boeken over de Britse keuken. Ze schreef voor The Guardian, was voor corona al eens op BBC te zien, en hoewel we het vriendelijk vragen, wil ze tijdens ons gesprek de wereldbekende chef Jamie Oliver niet opbellen. Maar ze zou het wel kúnnen.

Oliver ontdekte haar via haar blog Miss Foodwise, waarop ze tien jaar geleden, na haar uren als grafisch vormgever bij een reclamebureau, over Groot-Brittannië en ’s lands culinaire geschiedenis schreef. “In die tijd waren blogs nog heel puur. Er waren nog geen gesponsorde posts, wel mensen met een passie die daar graag over schreven. Ook ik deelde foto’s en verhalen over wat mij interesseerde, zonder er bij stil te staan dat mensen die blog zouden vinden.” Een paar jaar later, in 2015, publiceerde ze haar eerste boek Pride and Pudding, deels kookboek, deels een historisch werk over de Britse eetcultuur.

U hebt er een dagtaak aan om de clichés over de Britse keuken te weerleggen.

Amai, dat is niet te doen. Het is pure onwetendheid. Of je in een gemiddelde pub beter eet dan in een brasserie hier? Zeker. En goedkoper ook, omdat de loonkost er lager ligt. In Engeland vind je overal lokale producten en vlees op de menu’s: traditioneel hebben zij vele soorten runderen en varkens. De Britten weten welke soort het best bij welke grond past, en welk ras de beste bacon heeft, of de beste steak. Provenance, weten waar je eten vandaan komt, is daar heel normaal.”

Er is een historische verklaring voor onze overtuiging dat de Britten niet kunnen koken, zo legt u uit in uw boek.

“Ik kan daar uren over vertellen, maar om het kort te houden: eind achttiende eeuw werd de Inclosure Act ingevoerd, waarmee het land tussen lords en andere edellieden werd verdeeld. Land waarop mensen woonden, vee hielden en groenten kweekten. Plots eisten de eigenaars taksen, waardoor die mensen noodgedwongen naar de steden trokken en er een urbanisatie volgde die zich in de rest van Europa nog niet voltrok. De mensen woonden er in kleine huizen en appartementen zonder keukens en gingen bij grote gaarkeukens eten. Zo is de kennis van het koken, die meestal bij de rijke en landelijke klassen zat, verloren gegaan.”

Heeft het ook niet met armoede te maken?

“De armoede in Groot-Brittannië is gigantisch, net als de nood aan goedkoop eten. Je hebt daar winkels als Iceland, waar je vijf diepvriesmaaltijden voor twee pond kunt kopen. Veel mensen moeten ook hun elektriciteitsmeters met prepaidkaarten opladen. Ze kiezen dus eten dat zo weinig mogelijk energie verbruikt: een maaltijd die je in de microgolf kunt opwarmen, of in grote hoeveelheden in de oven kunt duwen.

“Groot-Brittannië is een land met prachtig erfgoed en een geweldige geschiedenis, maar het sociale model is vreselijk. De rijken worden rijker en de armen steeds armer, en het idee dat dat hun eigen schuld is, leeft er heel sterk. Het is een van de redenen waarom ik er nooit ben gaan wonen, hoewel mijn leven zich daar grotendeels afspeelde.”

Als u toch zou willen verhuizen, waar zou u zich dan vestigen?

“In Rye, het dorp waar we getrouwd zijn. Het ligt niet ver van Dover en het is mijn tweede thuis: ik kwam daar al als kind, en als tiener nam ik met mijn moeder de bus naar Rye. Later kwam ik er regelmatig met mijn man. Hoewel ik de eerste jaren van onze relatie heb verzwegen dat ik geobsedeerd ben door Engeland. (lacht)

'De angst die gecreëerd wordt rond eten, dat is pas gevaarlijk.' Beeld Joris Casaer
'De angst die gecreëerd wordt rond eten, dat is pas gevaarlijk.'Beeld Joris Casaer

“Als kleuter hoorde ik het liedje ‘Witte zwanen, zwarte zwanen, wie wil er mee naar Engeland varen?’. Ik dacht: dat moet een bijzonder land zijn. Mijn mama keek ook graag naar kostuumdrama’s en documentaires over Stonehenge of een of ander kasteel. En omdat ik zo graag naar Engeland wilde, zijn we er met het gezin vaak op reis geweest: we bezochten het ene kasteel na het ander. Doodsaai voor een kind, zou je denken, maar het was alsof het bloed in mijn anderen sneller stroomde en de zuurstof in mijn hersenen beter doorkwam.”

U zei ooit dat het ongelooflijk is hoe graag je een land kunt zien. Kunt u dat eens uitleggen?

“Wat mij fascineert, is hoe wij aten, ons kleedden en ons sociaal verhouden, en hoe dat evolueert. Maar in België is over onze geschiedenis en erfgoed praten snel vies, omwille van de rechts-nationalistische connotaties. In Engeland is dat niet zo: je vindt er zoveel boeken en televisiedocumentaires. De verhalen over koningen en edellieden zijn net sprookjes. En in het land zelf kun je die geschiedenis overal beleven, zoals de kastelen die op kliffen dramatisch op de zee uitkijken.”

Maar toen stemden de Britten voor de brexit.

“Ik voelde me als een bedrogen vrouw: geheel onverwacht stelde mijn grootste liefde me zo teleur. De retoriek was walgelijk: mensen als ik waren niet langer welkom. Dan merk je hoe erg dat moet zijn voor mensen van kleur, die dat altijd voelen. Ik heb ook toen pas beseft dat ik altijd de mooie kanten van het land had gezien, en niet de vreselijke armoede en corruptie.”

Is het, vijf jaar later, vergeven en vergeten?

“O nee, er is echt iets gekraakt. Ik heb nog altijd liefdesverdriet en dat is gruwelijk. Dat klinkt heel dramatisch, maar mijn liefde voor Groot-Brittannië heeft me gemaakt tot wie ik ben. Dankzij dat land is mijn passie voor geschiedenis ontstaan en ben ik gaan schrijven over culinaire geschiedenis. Ik woonde hier maar mijn leven was daar. Zonder de brexit zou ik hier gezeten hebben met een theekop met een Engelse vlag op, of met pantoffels en een pen met een vlagje. Zelfs mijn huwelijksfeest was ingekleed met de Union Flag, een symbool dat nu door extreemrechts is gekaapt.”

Dat klinkt als een identiteitscrisis.

“Had je iemand gevraagd om mij te omschrijven, ze hadden je gezegd: Regula is een anglofiel. Maar nu weet ik het niet meer. Het helpt ook niet dat ik er door de pandemie al twee jaar niet meer ben geweest. Ik heb het gevoel dat ik een deel van mezelf moet loslaten. En wat rest, is een groot gat.”

Gedesillusioneerd na het referendum in 2016 trok Ysewijn zich even terug uit Engeland, tot er een uitgestoken hand kwam van de National Trust, de belangrijkste erfgoedorganisatie, die haar vroeg om het The National Trust Book Of Puddings te schrijven. Dat is alsof de Italianen aan een Pool zouden vragen de geschiedenis van de pasta uit te documenteren. “Dat heeft me wel geholpen, dat ze geen Brit vroegen, maar mij.”

Inmiddels is ze ook voorgedragen als Fellow van de Britse Royal History Society én ze mag volgend jaar zelfs mee beslissen welke pudding - een typisch Britse cake - geserveerd wordt op de feestelijkheden ter ere van Queen Elizabeths zeventigste jaar op de troon. “De Queen ontmoeten, dat stond vroeger bovenaan mijn bucketlist. Mocht dat er volgend jaar van komen, dan zou dat mijn hart misschien helen. (lacht) Ik ben nochtans geen royalist, maar de Queen is het archetype van een monarch, ze is bijna goddelijk.”

Op zoek naar nieuwe horizonten keek Ysewijn ook naar eigen land, met een boek over Belgische volkscafés, dat zopas een update kreeg en waarvan nu ook een expo loopt. In Belgische authentieke cafés portretteert ze de cafés waaraan wij zo vaak achteloos voorbijlopen. Ooit waren dat de plekken, schrijft ze, waar arbeiders ’s ochtends verzamelden op zoek naar werk, en waar ze ’s avonds betaald werden.

“Onze volkscafés zijn ook het feministische verhaal van vrouwen die, om een centje bij te verdienen, café hielden in de voorkamer van hun huis. Als ik de verhalen hoor van oude cafemadammen, werden ze vroeger als halve heiligen beschouwd: op hun verjaardag werden ze in het dorp rondgereden in een cabrio, met daarachter de fanfare. Voor hun stamgasten waren ze moeders, vriendinnen en psychologen. Dat is ons erfgoed, maar die cafés verdwijnen. Door die geschiedenis uit te zoeken en vast te leggen, probeer ik ze te redden.”

Hoe zou u onze eetcultuur omschrijven? Bourgondisch?

“Die omschrijving heb ik nooit begrepen. Ja, wij eten graag, maar ik ben nog nooit een volk tegengekomen dat niet graag eet. Dat bourgondische is niet meer dan een verhaal uit een tijd dat mensen op zoek waren naar een Belgische identiteit. In toeristische gidsen rond de eeuwwisseling van 1900 werd er gesproken over de Belgische keuken, alsof die op een paar decennia tijd kon ontstaan. Onze keuken is Frans: daar pakte lange tijd elk goed restaurant mee uit, want de elite vond dat chique, en Brussel doet Parijs na. Maar ik vind dat wij nogal puriteins zijn, in vergelijking met de Fransen, of de Italianen.”

Uw werk staat alvast haaks op de dieetcultuur. U lanceerde in de eerste lockdown #bakecorona, waarop Pascale Naessens liet weten dat ze het verschrikkelijk vond dat we massaal begonnen te bakken.

“Die vraag is mij al vaak gesteld: of ik het niet raar vind dat ik in Bake Off ongezonde voeding promoot? Maar niemand zegt toch dat je je elke dag moet volsteken met taart? Wie beweert trouwens dat die dieetboeken wel goed zijn? Keer op keer is bewezen dat die diëten compleet verzonnen zijn, niet werken of ongezond zijn. Dat is een business, hè. Ik denk dat we vooral moeten zeggen: eet gevarieerd en gebruik je verstand. Het lijkt me veel beter om ’s weekends een cake te bakken dan jezelf van alles te ontzeggen en miserabel te zijn omdat je bang bent om frieten te eten. Die angst die gecreëerd wordt rond eten, dát is een gevaarlijk probleem.”

U vindt het ook belangrijk dat we vlees blijven eten.

“We moeten af van het goedkope supermarktvlees. Daarom werk ik ook niet samen met supermarkten, want ze maken het de boeren echt heel moeilijk. Maar het idee dat we voor het klimaat moeten stoppen met vlees eten, is absurd. We moeten anders omgaan met vee, maar we hebben die dieren wel nodig voor ons ecologisch systeem. In Engeland doen ze aan regenerative farming: het vee woelt de grond om, waardoor het meer CO2 opvangt. Maar als wij die dieren niet meer eten, verdient de boer daar niets aan. En zonder business sterven al die soorten uit.”

Ook bijzonder is dat u uw kost verdient met boeken schrijven, want u hebt dyslexie.

“En dyscalculie, de uitgever moet altijd de hoeveelheden in mijn recepten nakijken. Ik kan wel goed lezen, maar het verwerken van een tekst is moeilijk. In het Engels gaat dat beter, daarom schrijf ik mijn boeken in het Engels en vertaal ik ze daarna in het Nederlands. Blijkbaar is dat normaal, dat je bij een aangeleerde taal minder last hebt.”

Heeft dat op school voor problemen gezorgd?

“Helaas wel. Ik ben begonnen in het aso - dat moest van mijn ouders, ik wilde naar het kunstonderwijs - en ben snel afgezakt. Ik haalde 96 procent voor geschiedenis, maar buisde voor alle vakken waarbij spelling en tellen belangrijk was. In die tijd werden er nog geen eieren onder gelegd. Ze zeiden gewoon: ze is lomp en ze heeft geen goesting. Ik ben afgestudeerd in de richting publiciteit en illustratie, en volgde daarna nog een jaar grafiek. Mijn droom was om kunstgeschiedenis te studeren, maar die deur was dicht voor iemand uit het bso. Als je geen hoge punten haalde, belandde je in de vergeetput. Ik had het geluk dat ik al die jaren in de klas zat met leerlingen die om gelijkaardige redenen waren afgezakt, samen haalden we veel uit onze leraren. We hadden zelfs een debatclub. Maar het gebeurde dat we studie hadden, en een leraar die we niet kende de klas binnenkwam met de mededeling: ‘Jullie gaan allemaal jullie mond houden, want jullie zijn het crapuul van beroeps’.”

Een mens zou van minder een minderwaardigheidscomplex oplopen.

“Ik heb nog steeds moeite om erover te praten, want ik heb nog altijd het gevoel dat de maatschappij neerkijkt op mensen die beroeps hebben gevolgd. Nochtans: veel kinderen belanden daar door omstandigheden, of slechte leerkrachten. Je kunt toch niet over iemand die 96 procent haalt op geschiedenis zeggen dat ze het gewoon niet wil?

'Hoe mensen tegenwoordig in een slobbertrui op restaurant gaan, is dat nu vooruitgang?' Beeld Joris Casaer
'Hoe mensen tegenwoordig in een slobbertrui op restaurant gaan, is dat nu vooruitgang?'Beeld Joris Casaer

“Ik was tien jaar toen ik mijn eerste roman schreef en bedacht allerlei concepten voor boeken, maar ik heb daar heel lang niets mee gedaan omwille van die dyslexie. De maatschappij is heel streng voor mensen die niet zonder fouten kunnen schrijven: wie niet kan spellen, die moet niet schrijven. Ik ben lid van de Facebookgroep VRT Taal. Wat daar wordt gezegd door zogezegde taalvirtuozen! Alsof mensen die fouten schrijven Untermenschen zijn.

“Ik heb me daardoor mijn hele leven lang slecht gevoeld, maar inmiddels houd ik mij niet meer in en antwoord ik: ‘Jullie knuppelen ons neer, maar hebben jullie al eens een boek geschreven? Ik wel hoor!’ Ik vond het ook fantastisch toen Kristien Hemmerechts zei dat scholen meer op creatief schrijven moeten focussen, en dat het correct schrijven dan wel volgt.”

Inmiddels bent u een gevierd schrijfster, dat is toch de ultieme wraak?

(lacht) “Ik doe ook de lay-out van mijn eigen boeken. Elk boek dat ik maak, is helemaal van mezelf, van concept tot afwerking. (wijst naar haar boeken op de schoorsteenmantel) Dat zijn mijn kindjes, ik leef daarvoor.

“Ik ken zoveel mensen die van thuis alle kansen en geld hebben gekregen, maar er niets van hebben gebakken. Ik ben op mijn negentiende thuis vertrokken en moest voor mezelf zorgen. Ik heb er hard voor moeten werken, en ik wist niet of ik ergens zou raken, maar ik wist dat ik een passie had en hard wilde werken om iets te bereiken.”

Was u een buitenbeentje?

“Ja, altijd. Als kind had ik al zo’n lang haar, en liep ik rond in de oude hippiejurken van mijn moeder. En toen ik een jaar of zestien was, ging ik uit in jurken uit het victoriaanse tijdperk: zwart met een lange sleep, pofmouwen en een kroon op mijn hoofd. (lacht) Tot aan de eerste reeks van Bake Off was ik een gothic, ik droeg enkel zwart en rood. Maar zo kon ik niet elke week op tv komen, zei de styliste, dus ik ben me gaan verdiepen in de historische mode van de jaren 40 en 50.

“Ik ben altijd nogal extreem geweest in mijn expressie. Onlangs noemde een antivaxer me een schaap dat met de kudde meegaat. Dat vond ik grappig, omdat ik altijd ben ingegaan tegen wat je zou moeten doen, of hoe je er moet uitzien.”

U bent ook niet bang om u op sociale media uit te spreken over zowat het gevoeligste thema van het moment: het coronavaccin.

“Nee, ik ben heel uitgesproken. Ik vind dat raar, mensen die nooit hun mening geven. Ik krijg weinig negatieve reacties, al zei iemand onlangs wel dat ik meedeed aan het demoniseren van mensen die niet gevaccineerd zijn. Ja, en dan?

“Ik heb een auto-immuunziekte en moet een paar belangrijke onderzoeken laten doen die door de hoge besmettingscijfers niet kunnen doorgaan. Ik ben ook heel bang om corona te krijgen. Ik houd me dus netjes aan de regels en vind dat anderen dat ook moeten doen. Ik ken een 35-jarige man met een immuniteitsprobleem die nu aan de beademing ligt. Hoe kan je dan op straat betogen omdat je ocharme een Covid Safe Ticket moet laten zien op café? Daar lopen zelfs mensen tussen met gele sterren (davidsterren, bedoeld om het coronabeleid met de vervolging van Joden in WO II te vergelijken, red.)! Dan heb je toch nog niets meegemaakt in je leven? Maar het zijn de meest negatieven die het luidst roepen, en daar wil ik een beetje tegenin gaan.”

Mag ik nog even teruggaan naar uw opvallende stijl? Mensen met een uitgesproken uiterlijk lijken dat vaak te gebruiken als een soort harnas, een kostuum waarachter ze zich kunnen verschuilen. Herkent u dat?

“Dat is een interessante bedenking die nog nooit iemand heeft gemaakt. (denkt na) Ik ben alleszins een enorme perfectionist. In mijn werk, maar ook voor mezelf. Vroeger stak ik elke dag mijn haar op. Het heeft te maken met trots en eigenwaarde, en is deel van mijn ochtendritueel. Als ik een foto­shoot heb, trek ik makkelijk twee uur uit om mijn kleren te kiezen en me op te maken. Maar ik kan mijn haar ook in een kwartiertje opsteken, die handeling zit al twintig jaar in mijn vingers.

“Door mijn slechte gezondheid voel ik mij eigenlijk altijd belabberd. En als ik mij mooi maak, dan voel ik me beter. Vorige week, toen ik een afspraak had met uw fotograaf, had ik vreselijke migraine. Maar toen ik opgekleed de deur uitstapte, verdween de pijn naar de achtergrond. Ik hield me rechter, en ik was bezig. Ik had ook de hele dag in de zetel kunnen liggen, maar dan had ik me gewenteld in het feit dat ik me slecht voel.”

U hebt de lockdown dus niet in een comfortabele joggingbroek doorgebracht?

“De dag dat je me zo aantreft, heb ik een probleem. (lacht) Ik heb wel thuiskleren hoor, lange jurken die ik heb laten maken van flanel. Supercosy, maar nog steeds fashionable.

“Ik ben een oude ziel. Het doet me pijn als ik zie wat ze doen met oude gebouwen om ze zogezegd te moderniseren, en dat gevoel heb ik ook als ik zie hoe mensen tegenwoordig in een slobbertrui op restaurant gaan. Is dat nu vooruitgang? Worden mensen daar vrolijk van, buitenkomen in een T-shirt en een oude jeans? Op oude foto’s zie je hoe mensen vroeger naar de stad gingen: de mannen in een net pak, de vrouwen met hun schoonste jas en beste sacoche. Die mensen moeten toch gelukkiger geweest zijn? Ik heb het altijd leuk gevonden om voor de spiegel te staan en mij af te vragen wat ik ga aantrekken. Om die moeite te doen.”

Bake Off Vlaanderen, finale: woensdag om 20.35 u op GoPlay

Fototentoonstelling Op café, tot 31 januari in Luddites Books and Wine, Antwerpen

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234