RecensieBoeken
Hoe kun je van een mens houden als je de planeet uitbuit, vraagt schrijfster Elisabeth Filhol zich in ‘Storegga’ af ★★★★☆
In haar indrukwekkende roman Storegga koppelt de Franse schrijfster Élisabeth Filhol geologie aan psychologie.
Margaret en Stephen Ross wonen in het Schotse St Andrews, de universiteitsstad waar ze na hun studies zijn blijven hangen. Hij werkt voor Forewind, een firma die een offshore windpark ontwikkelt op de Doggerbank, een gigantische zandbank tussen Groot-Brittannië en Denemarken waar over een jaar of vijf het grootste windpark ter wereld zal staan.
Margaret is dan weer een maritiem archeologe die in diezelfde Doggerbank geïnteresseerd is omdat ze 8.000 jaar geleden, voor de ijskappen begonnen te smelten, nog boven het water uitstak en een bewoond eiland vormde, Doggerland. Ze wil weten wie de mensen waren die daar ooit leefden, maar wordt in haar onderzoek tegengewerkt. Vissers woelen met hun sleepnetten de bodem om, oliemaatschappijen boren er al decennialang naar olie en nu wil Forewind er ook nog eens vierhonderd windmolens in de bodem verankeren. ‘Uiteindelijk wordt zo goed als alles verwoest’, laat de Franse schrijfster Élisabeth Filhol Margaret verzuchten in haar roman Storegga.
Die roman speelt begin december 2013. Storm Xaver raast over Noord-Europa, zwiept in de Noordzee golven van dertien meter hoog op en geselt de Schotse kusten met windsnelheden tot 220 kilometer per uur. Maar die Noord-Europeanen blijven er stoïcijns bij, en dus gaat in het Deense Esbjerg de wetenschappelijke conferentie Offshore Industry and Archaeology: a Creative Relationship, waar zowel Margaret als Stephen een voordracht zullen geven, gewoon door.
Dat Margaret wat zenuwachtig het vliegtuig op stapt heeft niets met het weer te maken, maar met het vooruitzicht haar vroegere geliefde Marc terug te zien. Ook zijn naam staat immers op de sprekerslijst.
In 1987 spoelde Marc aan in St Andrews om er geologie te studeren en het klikte meteen. Daarna ging hij in Aberdeen voor British Petroleum werken. Er was geen vuiltje aan de lucht, dacht Margaret, tot Marc haar op een avond in 1991 vertelde dat hij een aanbod had gekregen om in Gabon voor olieconcern Elf te gaan werken en hij dat had aangenomen. Een paar dagen later was hij weg en vond Margaret troost en liefde in de armen van zijn huisgenoot Stephen. In 2013 is hij een van de grote mannen achter Margeos, een firma uit Lille die seismologische studies uitvoert, een vloot van veertien schepen heeft in Oostende en – om de cirkel rond te maken – geofysische data levert aan Forewind.
De Doggerbank en bij uitbreiding het hedendaagse ecologische vraagstuk staan centraal in Storegga. Pas in het laatste deel van de roman, waarin Marc en Margaret elkaar terugzien, komt de mens op de voorgrond. Het non-fictiegehalte van Filhols boek is daardoor bijzonder hoog, maar dat was ook al zo in haar twee vorige romans, La centrale, over interimwerk in een kerncentrale, en Bois II, waarin werknemers de directeur van hun bedrijf gijzelen uit angst voor het verlies van hun job. De titel Storegga is dan weer geleend uit het Noors, waar de term gebruikt wordt om er de Grote Rand mee aan te duiden, de grens van het continentaal plat ten noordwesten van de Noorse kust.
Toen de ijskappen tijdens het mesolithicum begonnen te smelten stortte die Storegga deels in, waardoor zo’n 8.000 jaar geleden een sedimentmassa met een oppervlakte van Schotland aan het schuiven ging en een vloedgolf ontstond van naar schatting dertig meter hoog die wel eens het einde van Doggerland geweest zou kunnen zijn. De aardbevingen in Groningen indachtig vreest Marc dat het leegpompen van de Noordzeebodem opnieuw zo’n verschuiving zou kunnen veroorzaken en hij wil daarom een seismologisch monitoringsysteem op poten zetten.
Van crisis naar crisis
Filhol speelt in haar roman vaak met parallellen en tegenstellingen. Net zoals archeologie en industrie nogal eens tegenover elkaar komen te staan maar dat niet altijd hoeven te doen, zijn ook Marc en Margaret tegengestelde karakters die elkaar aantrekken. Zij wou de leegte in zichzelf opvullen met kennis over een onder het zeeoppervlak gelegen zandbank. Hij heeft zijn psychische instabiliteit kunnen botvieren in de olie-industrie, die van crisis naar crisis holt en tussendoor de hoogste euforieën beleeft. Zij werkt voor de overheid, terwijl hij in twintig jaar zeven werkgevers heeft gehad. Zijn drang om steeds nieuwe olievelden te vinden heeft niets met geld te maken, wordt duidelijk, het is allemaal psychologie, het willen ervaren van de kick, steeds dieper.
De wereld kun je op twee manieren benaderen, toont Filhol, met de stabiele psyche van Margaret of met de manisch-depressieve van Marc, en het zou wel eens die tweede kunnen zijn die vandaag de boventoon voert.