Donderdag 02/07/2020

Interview

Hiske Van den Wouwer, mevrouw Randy Paret: ‘Ik heb vier kinderen van vier verschillende vaders, maar ze zijn wel in één gezin opgegroeid’

Hiske Van den Wouwer (42) is de bezieler van The Pony Club, het bekende Antwerpse kapsalon waar hoofd- en bijzaken vrolijk naast elkaar mogen bestaan. Ze is de geliefde van acteur Bart Hollanders (35), en dus ook een beetje van Randy Paret uit Callboys. En ze is de vrouw die vindt dat je lust for life niet moet bottelen, maar wel moet laten stromen.

Hiske Van den Wouwer kijkt vol trots terug naar het succesvolle parcours dat Hollanders in De slimste mens ter wereld heeft gelopen, en zet het op een teder glunderen wanneer het gaat over de man met wie ze een dochtertje van zeven maanden heeft.

Een mooie man, toch?

“Een héél mooie man. Hij is zó warm, zó zacht, zó aandachtig. En hij laat je zijn wie je bent: je moet je nooit verantwoorden voor wat je voelt. Maar vergis je niet: Bart is geen pannenkoek. Hij is iemand die zichzelf heel goed kent, en dus ook weet waar hij naartoe wil. Ik zie hem ontzéttend graag – en hij mij.”

Drie jaar geleden kwamen jullie elkaar tegen. Was het meteen de grote, gulzige liefde?

“Ja, maar we aarzelden aanvankelijk om dat aan onszelf toe te geven. Bart en ik kwamen beiden uit een relatie waar we een lichte kater aan overgehouden hadden. Het stof moest eerst neerdwarrelen, vonden we, en dus waren we niet van plan om onszelf meteen weer te binden. Maar de werkelijkheid liep ons omver: wij konden zo fundamenteel goed lol trappen met elkaar! Zo goed praten, zo goed vrijen, zo goed lachen… Die liefde viel gewoon niet te negeren.

“Bart is mijn lief, maar hij is ook mijn beste vriend. Wanneer we samen op restaurant gaan, is dat altijd een feest. De grote, diepe gesprekken, de ontroering, de lachsalvo’s om iets knulligs: wij kunnen alles samen, en dikwijls zit het allemaal in één avond gepropt.”

Waarin verschillen jullie van elkaar?

“Mijn energiepeil is van nature nogal hoog: ik ben altijd uit op actie en beweging. Bart is wat rustiger en bedachtzamer. Dat werkt best goed samen. Ik geef hem soms vonken en impulsen, en omgekeerd zorgt hij voor het anker: hij brengt rust.

“Het is niet de perfecte, frivole symbiose – daar streven we ook helemaal niet naar. We spreken consequent uit wat we moeilijk vinden aan elkaar. En vaak volstaat dat. Je kunt nu eenmaal niet alles oplossen, en in veel gevallen volstaat het om de dingen te benoemen, en daar van de ander erkenning en begrip voor te krijgen. Weet je wat me in het begin van onze relatie al zo trof? Dat wij ongeremd en grenzeloos lief kunnen zijn voor elkaar. Geen maskers, geen agenda’s, geen reserves: wij willen gewoon goed zijn voor elkaar.”

Hoe was het om Bart als Randy Paret te zien in Callboys?

“Heel fijn, en vaak een feest van herkenning.”

Want Bart gaat ook geregeld de deur uit om om den brode vrouwen te plezieren?

“Dat niet, neen. Wat ik bedoel: alles wat een acteur speelt, speelt hij met een stukje van zichzelf. En dus zag ik in Randy ook altijd een stuk van Bart – flink uitvergroot, weliswaar. Ik vond het ook altijd grappig om hem te zien kussen en vrijen. Ook in die momenten zaten herkenningspunten, ja. (lacht) Heb je die scène in het zwembad gezien, met die twee oudere vrouwen? Daarin is Randy zo ontzettend teder. En die tederheid ken ik.”

Het heeft wat geduurd voor de acteurscarrière van Bart echt op stoom kwam.

“Ja, bij de andere boys ging het sneller. Bart had wat meer rijping nodig, denk ik, maar het moment is nu wel daar. Hij speelt binnenkort een heel mooie filmrol, en dat heeft hij helemaal verdiend.”

Jullie hebben samen een dochter van zeven maanden: Edie.

“Ze is een heel levendige, vrolijke baby. Ik kende mezelf natuurlijk als mama, want ik had al drie kinderen. En toch: met elk kind wordt er ook een nieuwe moeder geboren. Ik ben geëvolueerd, mijn leven is veranderd, en voor Bart is het zijn eerste kindje – samen maakt dat dat het ook nu weer een nieuwe, overdonderende ervaring is.”

Tijdens de eerste zes maanden zette Bart bewust zijn werk op een lager pitje.

“Ja: overdag was het vooral hij die voor Edie zorgde. Ik ben al snel weer beginnen te werken, aanvankelijk deeltijds. Nu, we wonen boven het kapsalon. Dus wanneer Edie honger had, kwam Bart met haar naar beneden, en gaf ik borstvoeding. Dat gaf altijd weer een heel prettige ambiance in het kapsalon. Ik vond het ook fijn om in twee werelden te leven. Een huishouden is ongoing – het stopt nooit – terwijl werken in het kapsalon heel afgelijnd is.

“Bart is een heel lieve, zachte papa. Soms kom ik thuis van mijn werk en loopt hij nog in zijn pyjama, baby op de arm, terwijl hij zingt of verhaaltjes vertelt. Dan weet ik: hij heeft vandaag niets kunnen doen, omdat Edie de hele tijd in zijn armen wilde schuilen. Het is ongelooflijk vertederend om dat te zien. Die eerste maanden zijn ook zo bepalend. Je moet echt intunen op je baby, want die kan niet praten, niet duidelijk maken wat ze wil. Dat vraagt een heel grote fijngevoeligheid. En tijd. Doordat we beiden zelfstandigen zijn, hebben we het klassieke zorgpatroon – mama blijft thuis, papa gaat weer werken – wat kunnen doorbreken. Maar voor wie in loondienst werkt, is dat niet zo evident. Ik begrijp niets van de scheeftrekking tussen moederschaps- en vaderschapsverlof. Als je erover nadenkt, is dat toch echt bizar: twee mensen dragen de verantwoordelijkheid voor een klein en weerloos schepseltje dat van hén afhankelijk is om te overleven – en tegen één van die twee mensen wordt een paar dagen na de geboorte gezegd: ‘Ga jij nu maar weer werken.’”

Laten we even teruggaan naar je jeugd. Je hebt een bijzondere schoolcarrière achter de rug, niet?

“In de kleuter- en de lagere school zat ik in het steineronderwijs. Ik was een heel wild kind, en daar werd dat als een cadeau in plaats van als een probleem gezien. Ik kreeg er vrijheid: in het eerste en tweede leerjaar gebeurde het geregeld dat ik achteraan in de klas op de grond aan het worstelen was met een paar jongens die ook barstten van de energie. Dat mocht van onze meester: hij besefte dat hij ons zou fnuiken door ons te verplichten om achter een lessenaar te zitten. Hij liet ons ravotten, en na een tijdje werden we teruggeroepen, en waren we weer klaar om aandachtig te zijn.”

Won je vaak bij dat worstelen?

“Aanvankelijk wel. Maar toen kwam het moment waarop jongens fysiek sterker worden dan meisjes, en daar had ik het toch wat moeilijk mee. Ik won graag. Nochtans ben ik niet competitief, maar ik hou gewoon van ravotten – nu nog altijd. En als je ravot, dan wil je winnen, toch?

“Daarna begon een woelig pad langs verschillende middelbare scholen. Achteraf gezien ben ik blij dat het er zoveel waren. Want zo zat ik niet in één kleine bubbel en leerde ik veel verschillende mensen kennen. Dat komt me nu als kapster erg van pas.

“Toen ik 18 was, liep ik met een vriendin over straat, en plots werd ik overvallen door een groot, bijna weldadig gevoel: ‘Ik ben 18. 18! Dat betekent dat ik kan kiezen wat ik met mijn leven doe.’ We liepen voorbij een boom, en ik zei tegen mijn vriendin dat ik mijn boekentas in die boom zou gooien. Bleef-ie hangen, dan zou ik stoppen met school. Kwam-ie weer naar beneden gevallen, dan zou ik voortdoen. Ik heb toen m’n boekentas in die boom geslingerd, en hij bleef hangen in de kruin. En ik ben meteen met school gestopt. Ik weet het: een erg stichtende anekdote is het niet. Maar ze typeert wie ik toen was, en hoeveel het gevoel dat alles zou gaan beginnen voor mij betekende. Als ik de Hiske van toen nu zou tegenkomen, zou ik haar een kus en een knuffel geven, en zeggen: ‘You go, girl! Je gaat dat keigoed doen.’”

Je bent toen meteen met je toenmalige vriend naar Marokko gereisd.

“Het was de eerste keer dat ik buiten Europa kwam, en meteen voor drie maanden, mét de motor. Waanzin, als ik er nu op terugkijk: ik was 18, en het was nog de tijd voor de gsm. Mijn ouders hebben me toen drie maanden niet gehoord. Maar wat heel cool is: mijn mama gaf me die ruimte. ‘Ons Hiske, dat komt wel in orde.’

“Ik ben altijd hevig en ondernemend geweest. Mijn mama is een rustiger type, maar ze moedigde die onstuimigheid van me wel aan. Ze heeft me nooit ingetoomd, nooit geprobeerd om me klein te houden: als ik de wereld wilde bestormen, vond ze, dan moest ik dat vooral doen. Daar sprak een klein beetje pragmatisme uit – ‘Wat ik ook zeg, ons Hiske luistert toch niet’ – maar toch vooral heel veel vertrouwen. Nog altijd vind ik dat het grootste cadeau dat je als ouder aan je kinderen kunt geven: hun vleugels niet knippen.”

Wat voor iemand is je vader?

“Een heel stijlvolle man: je ziet hem alleen in pak, inclusief stropdas, stoeferke, manchetknopen en hoed, en hij draagt altijd stijlvolle schoenen. Mijn papa is een heel gevoelige, melancholische man. En artistiek: hij leest nog steeds vijf boeken per week en hij kan heel mooi schrijven. Als kind had ik een poëziealbum, en daar had hij een prachtig gedicht in genoteerd. Niets zeemzoeterigs: ik herinner me dat het over afscheid nemen ging, en over de dood. Als klein meisje moest ik daar al om huilen. Niet dat ik precies begreep waar het over ging, maar ik voelde wel dat mijn vader zich blootgegeven had. Dat hij me ernstig nam, en zich er dus niet vanaf maakte met een makkelijk rijmpje.

“Ik praat graag met mijn vader, en vaak ook. Sinds mijn 16de gaan we elke twee maanden samen op restaurant. En wanneer er iets begint te roesten in mijn leven, bel ik hem.”

Hoe ben je eigenlijk kapster geworden?

“Ik knip al sinds mijn 12de. Mijn vrienden kregen geld van hun ouders om naar de kapper te gaan, maar dan knipte ik hun haar en verdeelden we het geld. ‘Naar de kapper gaan’ was trouwens een heel abstract begrip voor mij: mijn mama knipte mijn haar. Ik ben als kind nooit in een kapsalon geweest.

“In haar keuken heeft mijn moeder een foto hangen uit de pottekestijd – toen iedereen zo’n bloempotkapsel had. Op die foto zie je goed dat mijn mama, euh, niet altijd op de millimeter recht knipte. Ik liep altijd rond met een scheef potteke. (lacht)

“Later leerde ik Frankske kennen, een heel coole kapper. Ik ging in zijn salon werken, ben dan haartooi gaan volgen – en voilà. Eigenlijk ben ik per ongeluk kapster geworden, en ben ik per ongeluk mijn eigen salon begonnen.”

Hou je van je werk?

“O, ja. Ik heb nood aan veel sociaal contact, en dan is zo’n kapsalon de ideale plek. Mensen geven best veel prijs in de kappersstoel. Omdat er geen hiërarchie is, denk ik: ze praten niet met hun dokter, hun psycholoog of hun werkgever, maar met een gelijke. Ze moeten zich niet anders voordoen dan ze zijn, en dat levert mooie gesprekken op. En als je elke drie maanden zo’n gesprek voert, word je automatisch een aanwezigheid in elkaars leven.”

The Pony Club – goeie naam, trouwens! – is meer dan alleen een kapsalon.

“Het gaat redelijk breed, ja, omdat ik nood heb aan zijprojecten. Ik hou van knippen, ik leg er ook veel zorg in, maar af en toe moet ik wat in het rond kunnen flashen. We hebben bijvoorbeeld een tijdje een pop-upkapsalon gehad in de Antwerp Tower. Heerlijk: één verdieping – 750 vierkante meter – die we helemaal roze geschilderd hadden. Daar knippen, met een prachtig uitzicht over Antwerpen: dat was waanzinnig.”

Je ontwerpt ook kleren, begrijp ik?

“Ja. Momenteel werk ik aan een bijzonder project. Een klant van me verloor vorig jaar haar mama aan kanker. Toen ze een keer samen in de wachtzaal zaten, en dat meisje al die – dikwijls jonge – kankerpatiënten zonder haar zag, kreeg ze een idee waarmee ze naar mij kwam: kon ik geen mutsen mét kapsel ontwerpen? En dus kunnen klanten nu hun haar doneren – ik heb al behoorlijk wat staarten verzameld. Dat haar wordt ingenaaid in mutsen die ik ontworpen heb, en die mutsen zijn dan voor mensen die door kanker – of een andere grilligheid – kaal geworden zijn. Een zwarte muts met een bruin carréke, of een roze muts met lang blauw haar: alles kan. En er zit een kaartje bij met de gegevens van de haardonor.

“Ik vind het zo’n mooi project omdat het een praktisch nut heeft, maar vooral omdat het zo symbolisch is. In je haar zit je volledige DNA. Wie je bent en wat je hebt meegemaakt, zit in je kapsel. Dat doorgeven aan iemand anders is toch ontroerend?”

Je was 19 toen je je eerste dochter kreeg, Zjoske. Vroeger was het gangbaar om zo jong moeder te worden, maar nu is het haast een daad van rebellie.

“Toen ze me op m’n 12de vroegen wat ik later wilde worden, twijfelde ik niet: ‘Mama.’ De rest van mijn toekomst was vaag en onbepaald, maar dat ik moeder zou worden, stond vast. Voor het overige was ik altijd aan het spelen, deed ik de dingen die doorgaans als jongensachtig worden omschreven: kampen bouwen, in bomen klimmen, door het slijk glijden. Eigenlijk wilde ik zelfs liever een jongen zijn. Maar op een dag vertelde mijn moeder dat het mooie en grootse aan een meisje zijn is dat je kinderen kunt dragen. Vanaf toen was het oké voor mij, want binnen de muren van ons huis was ik net heel girly: ik zorgde toegewijd voor mijn vijf poppen en voelde toen al het verlangen om een moeder te zijn.

“Ik heb nooit zoveel liefde gevoeld als op het moment waarop Zjoske geboren werd. Dat gladde, glibberige, warme lijfje dat plots op me lag… Dat was zo overrompelend, alsof alle grote begrippen uit het leven – liefde, schoonheid, troost – plots een nieuwe, veel intensere definitie gekregen hadden. Na een kwartier vroeg de dokter of ik het geslacht van mijn baby niet wilde weten. (glimlacht) Ik was zo vervuld van dat kleine leventje op mijn borst dat ik me niet eens afgevraagd had of het een jongen of een meisje was.”

De vader van je dochter voedde haar niet mee op. Dat moet toch ongelooflijk moeilijk geweest zijn voor jou?

“Ja, zeker toen ik vrij kort daarna opnieuw een kindje kreeg, en opnieuw moest ik er door omstandigheden alleen voor zorgen. Op mijn 21ste was ik alleen met twee kinderen. Dat was zo heftig. Elke avond viel ik huilend in slaap, en dacht ik: dit lukt me niet. Maar de volgende ochtend stond ik weer op, want ik had geen keuze. En zo ontdekte ik ook hoe krachtig het je maakt, moeder worden. Het is moeilijk om uit te leggen: ik was heel kwetsbaar, en tegelijk voelde ik me een vrouw van staal – door de liefde, de zorgzaamheid en de trots die in me broeiden.”

En ondertussen doken je leeftijdsgenoten gretig in een leven zonder grote verantwoordelijkheden?

“Ja. Terwijl voor mij uitgaan of zorgeloos fladderen niet op de radar stond. Maar dat heb ik later goedgemaakt: van m’n 37ste tot m’n 39ste, toen de kinderen al wat groter werden en ik in een week-om-weekregeling zat, heb ik dat ingehaald. Het was heel fijn om dat in uitgesteld relais te ervaren.”

Je hebt nu vier kinderen, van vier verschillende vaders en met uiteenlopende leeftijden. Lukt het dan om een gezin te vormen?

“De oudste twee zijn al volop aan het uitzwermen, maar op zondagochtend vliegen ze allemaal weer terug naar het nest. Dat is puur geluk: iedereen die geïnteresseerd met elkaar praat, Edie die van arm tot arm gaat, al die liefde die het huis warm maakt: dan voel ik me de rijkste vrouw ter wereld. Mijn kinderen hebben vier verschillende vaders, maar ze zijn wel in een gezin opgegroeid – daar ben ik ontzettend trots op.

“De papa van Mattis – de derde in de rij – heeft lang mee voor de drie kinderen gezorgd, ook toen we al uit elkaar waren. Dat vond ik zo mooi: dat hij niet alleen voor zijn eigen kind een vaderfiguur was. En Bart doet nu hetzelfde met Mattis. Hij vadert echt mee over hem, en dat is geen detail: het is een ontzettend belangrijke relatie.

“Bart stond aanvankelijk te kijken van dat jong geweld, van de beslistheid waarmee pubers door het leven racen. Maar hij reageerde daar fantastisch op: in plaats van over alles meteen wat te vinden, velde hij geen oordeel en observeerde hij goed. We praten ook voortdurend. De ouder en de mee-ouder krijgen vaak ruzie omdat de ene met het hart opvoedt, en de andere met het hoofd. Daar moet je het over hebben.”

Heb je ooit spijt gevoeld over die bewogen levensloop?

“Ik heb nooit een kind gemaakt met de gedachte dat het vast wel zou mislopen met de vader. Een warm gezin, iedereen rond de tafel: dat is nog altijd mijn ideaal. Maar dat is dus drie keer niet gelukt, omdat de dingen nu eenmaal niet altijd lopen zoals jij dat wil. Ik was jong en onervaren, en ik wist nog niet hoe ik met conflictsituaties moest omgaan. Ik leefde in een waas waarin de dingen gewoon gebeurden. Maar spijt? Dat kán ik niet hebben, met die mooie kinderen van me.”

Marc Didden zei in Humo dat het ironisch is dat hij nu, op zijn 70ste, pas weet hoe dat moet, leven.

“Kijk, dat is precies wat ik bedoel. We worden in het water gegooid zonder ooit zwemles te hebben gekregen. Op je 18de begin je aan je volwassen leven, maar je weet niets. Je stapt in een relatie, je krijgt een kind, je neemt grote beslissingen, maar je hebt alleen wat vage ideeën over hoe dat allemaal moet. Daarom pleit ik voor een vak dat ‘menselijke ontwikkeling’ heet, of iets van die strekking. Vanaf de lagere school, minstens vijf uur per week: leren hoe je moet omgaan met elkaar, hoe je kunt functioneren in een relatie, hoe je onbehagen en teleurstelling in iets moois kunt ombuigen. Het is toch spijtig dat we het logisch vinden dat we het allemaal zelf moeten doen, dat we onderweg de geschikte levenslessen horen op te rapen? Waarom krijgen we die dingen niet wat vroeger aangereikt?”

Wat is jouw grootste winst van de afgelopen jaren?

“Dat ik geleerd heb om uit te zoomen. Ik kan nu even boven mezelf en m’n leven gaan zweven, en van die afstand alles bekijken. Het is heel heilzaam, en iedereen kan dat – maar niet iedereen weet dát hij dat kan.

“Het is heel verleidelijk om jezelf voortdurend in de slachtofferrol te duwen. Het is de veilige optie, want als het anderen zijn die jou narigheid aandoen, dan ligt de verantwoordelijkheid niet bij jezelf, en hoef je niet naar een oplossing te zoeken. Maar als je wél gaat onderzoeken waarom je je alleen voelt, of afgewezen, of gebruuskeerd, dan kun je verder.”

We moeten ons beter wapenen?

“Neen, dat vind ik niet het juiste woord. Want het leven is niet eng en moeilijk en gevaarlijk. Het is niet iets waartegen je je moet wapenen. Neen, het leven is fantastisch! Maar we moeten de inzichten vinden, de handigheidjes, de manier waarop we het best voor onszelf zorgen.”

Klinkt goed, maar is het realistisch? Leven houdt toch onvermijdelijk ook in dat je gekwetst wordt?

“Natuurlijk, maar je moet leren dat je iets onaangenaams ook kunt ombuigen in iets moois. Het heeft me bijvoorbeeld wel wat tijd gekost om in te zien dat jaloezie onproductief is – meer zelfs: geheel onnodig. Als je je jaloers voelt, betekent dat eigenlijk dat je iets ziet dat je zelf wilt hebben. Je moet dat vervolgens analyseren: is het haalbaar voor mij, en hoe dan? Of is het niet haalbaar en laat ik het gaan? Jaloezie moet een richtingaanwijzer zijn, geen bitter gevoel dat je helemaal opeet.

“Ook belangrijk: je trekt beter geen massieve poort op tussen jezelf en de buitenwereld, maar een dun laagje dat niet alles doorlaat mag wel. Dikwijls voel jij je slecht omdat een ander zijn bundeltje frustratie op jou geprojecteerd heeft. Dat mag je jezelf niet aandoen. En dat begint met: jezelf niet afwijzen. Als je jezelf niet afwijst, kan iemand anders je dat gevoel ook niet geven.”

Lukt het jou goed om jezelf graag te zien?

“Ik geloof dat ik het nu beheers. Maar ik kom van ver: ik heb daar echt aan moeten werken. Soms overvalt het me weer, het gevoel dat ik niet hoor te bestaan. Dat ik niet goed, niet mooi, niet boeiend genoeg ben. Maar dan zoom ik uit, en vooral: behandel ik mezelf mild en zacht. We zijn vaak veel te streng voor onszelf.”

Maar volstaat het wel om jezelf met wat zachtheid te bejegenen? Iedereen heeft toch zijn demonen, zijn jardin secret waar het onkruid wild woekert?

“Het is moeilijk, ik weet het, maar: je moet de spoken in je hoofd onder ogen komen. Je mag ze niet naar een donker hoekje duwen, want daar groeien ze alleen maar. Je kunt natuurlijk gaan lopen van je angst, je melancholie en je kwetsuren, maar het lijkt me heel oncomfortabel om zo te leven. En ooit halen ze je in.

“Weet je, ik ben nu 42, en er is al zoveel gebeurd. Het is toch een heerlijke gedachte dat ik nog maar halfweg ben, en dat er dus nog zoveel andere dingen staan te gebeuren! En natuurlijk vertraagt het ritme in het tweede deel van je leven. Maar daar staat tegenover dat ik steeds betere beslissingen neem. Dat ik het nu wél weet, hoe je je leven vol schoonheid kunt proppen. O, ik kijk zo uit naar die tweede helft. Niet dat ik weet wat er nog komt, natuurlijk. Maar dat het leuk gaat blijven, ja, daar ben ik zeker van.”

© Humo

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234