Zondag 20/10/2019

Muziek

Het is bon ton om Mumford & Sons de chlamydia van de folk te noemen

Het is bon ton om Mumford & Sons de chlamydia van de folk te noemen. Maar toen ‘Little Lion Man’ uit tienduizenden kelen opsteeg in Werchter, haalde Marcus Mumford zijn slag thuis. ‘Ik ben geen muzikant geworden om bovenaan een hitlijst te pronken.’

22 oktober 2009. In een uit de kluiten gewassen bezemkast van de Arenbergschouwburg in Antwerpen is het drummen om vier jongelui uit Londen aan het werk te zien. Mumford & Sons is de naam, en er staat op het podium een donkerharige twintiger banjo te spelen: Winston Marshall.

Rechts van Marshall baadt Marcus Mumford in het zweet. Een frontman met de uitstraling van een bibliothecaris, maar met een stem die blijft hangen. Korrelig, herkenbaar. Maar voorspellen dat Marcus Mumford en co. erin zouden slagen om een banjo in de Vlaamse hitlijsten te smokkelen? Nee, dat was een brug te ver.

31 oktober 2009. 11 dagen na Sons’ eerste Belgische passage komt ‘Little Lion Man’ de Ultratop binnen. Het nummer zou er 24 weken blijven.

Het was het startshot van een carrière die aanvankelijk vooral in Engeland en België, en kort nadien in de VS, Australië en Nederland, een hoge vlucht nam. Mumfords thuisbasis Bosun’s Locker veranderde zo van een anonieme Londense pub naar een kweekvijver voor folkies.

Het was rond die tijd vreemd om een Britse band het op zijn Amerikaans te horen doen – met een bánjo, verdorie. The Guardian noemde hen de Chris Martin Hillbillies, en er schuilde iets van waarheid in die spotnaam. Het is sindsdien in de mode om Mumford & Sons te kakken te zetten, maar zelfs de haters zullen diep vanbinnen erkennen dat ‘Little Lion Man’ en ‘The Cave’ uitstekende hits waren. Intussen zitten ze aan vier albums. Delta uit 2018 is de plaat die in België het minst heeft teweeggebracht.

Met Mumford in de club

We ontmoeten Marcus Mumford en bassist Ted Dwane in PRYZM, een bouwvallige discotheek in Kingston upon Thames, een uur verwijderd van Londen. Ze spelen er verschillende sessies voor enkele lucky fans. Een week eerder stonden ze in de kamergrote pub World’s End. Het contrast met de arena’s en festivals waar Mumford & Sons dezer dagen hun tijd doorbrengen, kan niet groter zijn.

Ted Dwane: “Zulke oefeningen zijn nodig om je met beide voeten op de grond te houden. We houden ervan om in arena’s te staan, maar het doet ook deugd om zoals vroeger in een intieme setting te spelen. We zijn destijds met deze groep gestart om onze muziek voor een groep mensen te spelen – de grootte van de zaal is niet echt van belang.”

Is het de kunst om een klein of een groot publiek te kunnen bespelen?

Marcus Mumford: “Dat laatste. Het verschil zit ’m vooral in de productie. Het is makkelijk om de aandacht van vijf rijen mensen te trekken. Als je op een festival speelt, moet je de mensen die honderd meter verder staan ook boeien. Het is moeilijk balanceren. Je gaat nadenken over projecties, een lichtshow, meer bombast. Het is in zekere zin beperkend om een arenaband te zijn, omdat je elke avond in herhaling valt. Daarom doet het deugd om terug te keren naar de zalen waar het ooit is begonnen.”

Dat klinkt vooral als iemand die heimwee heeft naar vroeger, toen je nog in bier werd betaald.

Mumford: “Terwijl ik verre van een nostalgicus ben. Ik herinner mij nauwelijks iets van de begindagen, dus sta ik er ook zelden bij stil. I’ll think about it when I’m older. Op dit moment heb ik de indruk dat we halfweg ons parcours zitten. Ik haal meer voldoening uit de vooruitzichten dan uit het opgraven van oude herinneringen.”

Hoe je het ook draait of keert: Mumford & Sons hebben deze status grotendeels aan een hype te danken. Is dat een zegen of een vloek geweest?

Mumford: “Goede vraag.”

Dwane: “We zijn vanuit het niets opgepikt. Er waren geen signalen dat het zou ontploffen. We zijn met deze groep gestart omdat we wilden toeren met onze muziek. Hoe meer je speelt, hoe hongeriger je wordt, en die vele kansen hebben we misschien ergens aan de tamtam te danken.”

Mumford: “Ergens vind ik het jammer. Ik krijg vaak vragen als deze, over zaken waar ik nog nooit over heb nagedacht. Dan denk ik: ‘Geen flauw idee, man, laat ik snel een antwoord verzinnen’. (lacht hard) Een hype brengt een bepaalde perceptie met zich mee, en daar kan ik mij mateloos aan ergeren. Je moet knokken om dat beeld te doorbreken.”

Toen jullie aankondigden dat jullie het op derde plaat Wilder Mind zonder banjo zouden doen, brak er onder de fans een storm los. Het lijkt dat je voortaan niet anders kán dan rekening houden met de verwachtingen van anderen.

Mumford: “Je moet je soms in de schoenen van het publiek verplaatsen om zulke reacties te begrijpen. Als artiest maak je muziek, en die krijgen zij vaak pas twee jaar later te horen. Wij hebben al die tijd om aan de veranderingen te wennen, de fans niet. Als ze iets nieuws horen, kan de eerste indruk negatief zijn. Je moet als artiest toegevingen doen en, bijvoorbeeld, oude nummers spelen. De verwachtingen negeren zou een dooddoener zijn.”

Hoe belangrijk is het om het succes te relativeren?

Mumford: (denkt lang na) “Heel belangrijk, denk ik. Hoewel, wat bedoel je eigenlijk?”

Je kan er alles aan doen om relevant te blijven, en daarbij je waarden en normen aan de kant schuiven. Alles voor de faam.

Dwane: “Zo zijn wij niet. We verschillen in dat opzicht nauwelijks met de caféband van vroeger. We willen goede muziek maken en een goede show neerzetten. Het is belangrijk om te onthouden waarom je ooit in deze groep bent gestapt. In mijn geval is dat om mensen een memorabele avond te bezorgen.”

Houden jullie de statistieken van de groep bij?

Mumford: “Nee. Er is mij verteld dat Delta de derde Mumford-plaat op rij was met een nummer 1-notering in de Billboard charts in Amerika. Da’s cool. Máár: je mag je niet verliezen in statistieken. Ik heb geen idee hoeveel albums we hebben verkocht, en dat interesseert mij ook geen fluit. De cijfers van onze ticketverkoop bekijk ik wel. Die zijn mij meer waard dan onze positie in de hitlijsten – zo’n notering is tegenwoordig meer dan ooit verwaarloosbaar. Vandaag zijn de streamingdata heilig, maar daar begrijp ik geen jota van, dus toets ik onze populariteit aan de ticketverkoop. Je kan daaruit afleiden of je nieuwe muziek in de smaak valt.”

Ik had nochtans een competitiebeest in jou gezien.

Mumford: “Dat ben ik dus niet. Ik ben bevriend met artiesten die wel zo zijn, maar dat zijn nogal cijferfreaks. Als ik een rekenwonder was geweest, was de band misschien ook competitiever geweest. Helaas, wiskunde is nooit mijn ding geweest. (hilariteit)

“Als onze volgende plaat geen nummer 1-plaat wordt, ga ik daar geen traan om laten. Begrijp mij niet verkeerd: toffe statistiek, maar ik ben muzikant geworden om concerten te spelen, niet om boven aan een nietszeggende lijst te pronken. Ik zal pas teleurgesteld zijn als onze ticketverkoop plots een duik neemt.”

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met De Morgen?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van De Morgen rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234