Maandag 28/09/2020

InterviewKathryn Cops

Het geheime ingrediënt van ‘Dagelijkse kost’: Kathryn Cops

Beeld Johan Jacobs

Kathryn Cops (43) heeft koude pils in blik voorzien. ‘Maar niet te veel, want ik heb gehoord dat je dan vragen begint te stellen over de treurige zinloosheid van het bestaan.’ Op het cv van de tv-regisseur staan namen van programma’s die stevig doorklinken: Man bijt hond, De rechtbank en De ideale wereld. Sinds drie jaar is Cops de regisseur van Jeroen Meus in Dagelijkse kost, en dus ook de sirene-buiten-beeld met wie hij het graag op een komisch samenzweren zet. 

Kathryn Cops – ze is de zus van tv-maker Mik Cops en van acteur Jonas Van Thielen – is er het type niet naar om Meus erop te wijzen dat zijn kunststukje du jour, hoe hemels het ook moge vrijen met de smaakpapillen, straks toch weer eindigt als iets drabbigs op het koude keramiek van een toiletpot. Ze heeft zelfs nog niet gedácht aan die suggestie. ‘Er is zoveel leuks waarover we kunnen praten. Laten we het dus niet over de treurige zinloosheid van het bestaan hebben, en ook niet over kak.’

Kathryn Cops: “Dagelijkse kost wordt gemaakt door een heel fijne ploeg. We zijn een zootje ongeregeld, aangespoeld op een eiland. Een kookeiland (lacht).”

Hoe heb jij de lockdown beleefd? Plots moest je regisseren vanop afstand, via Skype.

Cops: “Ik was nog nooit zo lang níét op de set geweest. En ik miste het enorm. Je moet weten: de ploeg beschouwt zichzelf zo’n beetje als de cast van een kleine soap waarvan de personages elkaar heel graag zien, en ook bijzonder geïnteresseerd zijn in elkaars verhaallijnen. Vriendschap en werk vloeien vlotjes in elkaar over bij Dagelijkse kost. Maar plots deed ik m’n werk in m’n slaapkamer voor een laptopscherm en zat ik na een opname in m’n eentje een boterham te eten aan m’n keukentafel. Dat voelde, euh, behoorlijk allenig.

“Sinds kort ga ik weer naar de set, mét respect voor de anderhalvemeterregel, uiteraard. Bij het weerzien moest ik meteen huilen. Jeroen niet, neen. ‘Voor mij ben jij er altijd geweest’, zei hij, en hij wees naar de staander met de iPad waarop ik te zien was toen ik vanuit m’n slaapkamer regisseerde. Dus ja, de lockdown heeft me meteen ook een boeiende les geleerd: het verschil tussen een iPad-op-een-stok en mezelf is niet zo groot als ik altijd had gehoopt (lacht).”

Smaakte die boterham in de eigen keuken eigenlijk wel? Ik stel me voor dat jullie in normale tijden na de laatste ‘Cut!’ op het maaksel van Meus vliegen als hongerige meesjes op een vetbol.

Cops: “Zo gaat het écht. Tijdens mijn eerste opnamedag, drie jaar geleden, stelde ik tot mijn eigen verbazing vast dat ik om elf uur ‘s ochtends gebakken zalm aan het eten was. En om één uur ‘s middags frambozentaart, om drie uur een oosterse carpaccio, en om vijf uur stoofvlees-friet. In die eerste maanden had ik na een week opnames altijd buikpijn van alles door elkaar te eten.

“Het is een prachtig ritueel: zodra het eindshot is opgenomen, nemen we allemaal een vork en vliegen we op dat bord. Tijdens de opname kijk ik af en toe naar Frank, onze vaste cameraman: ik merk het meteen aan zijn ongedurige pasjes en zijn verlekkerde mimiek als Jeroen iets aan het klaarmaken is waar hij van houdt. Vaak blijft er geen kruimel over op het bord.”

Het is dus waar: Jeroen Meus wéét hoe je witloof perfect braiseert en naar hoeveel bloemkoolroosjes een Indiase curry smacht?

Cops: “O ja, hij is écht een formidabele chef. Een trotse chef, ook: gewoon lekker volstaat niet. Soms smaakt een gerecht niet zoals hij het in gedachten heeft, en dan zeg ik dat dat er niet toe doet: je kunt televisie niet proeven, hè. Maar hij staat er dan op om opnieuw te beginnen. Het is zijn beroepseer: ik vind dat heel ontroerend.”

Beeld Johan Jacobs

Je hebt lang bij Woestijnvis gewerkt, en daar heel uiteenlopende dingen gedaan. Biedt een programma als Dagelijkse kost je dan wel voldoende variatie?

Cops: “Ja, omdat ik nog nooit een aflevering op voorhand in mijn hoofd heb kunnen monteren. Daarvoor is Jeroen te onvoorspelbaar: hij komt altijd wel weer met iets dat ik niet had zien aankomen. En het meeste plezier beleef ik aan de specials – aan Dagelijkse winterkost en Dagelijkse zomerkost. Daarin kom ik als regisseur het meest tot mijn recht. Geschikte locaties zoeken, sfeerbeelden draaien, de verhalen van mensen in het programma laten inbreken: daar hou ik van.

“Jeroen is iemand die door héél veel mensen héél graag gezien wordt – het prototype van de man van het volk. Maar dat betekent niet dat hij zich slaafs naar de voorkeuren en gedachten van dat volk plooit. Er bestaat een soort van stilzwijgende afspraak tussen Jeroen en de rest van de ploeg dat we niet toegeven op wat wij belangrijk vinden. Openheid, bijvoorbeeld, en verdraagzaamheid. En een afkeer van alles wat naar racisme zweemt. Als hij een tajine maakt, weigert Jeroen dat nog als een statement te presenteren. ‘Het is 2020’, zegt hij dan. ‘Het zou grotesk zijn om nú nog te moeten uitleggen dat een tajine een verrijking is voor onze cultuur.’ En dus gaan we in Dagelijkse zomerkost ook koken bij een Afrikaanse onthaalmoeder, bij een homokoppel met twee kinderen of op een zomerkamp voor vluchtelingen. Dat vind ik cool: Dagelijkse kost is feelgood, maar er schemert ook een wereldbeeld in door, het verlangen om een klein beetje meer begrip te zaaien. Eigenlijk is Jeroen dus de Vader Teresa van de Belgische televisie (lacht).

HET GELACH BEPALEN

Jeroen Meus werkt graag met vrouwen: eerder regisseerden Katrien Vanderlinden en Kat Steppe ook al Dagelijkse kost. ‘De rode draad is humor’, zei hij me daarover. ‘Met alle drie kan ik zó hard lachen.’

Cops (droog): “Dan kan de volgende stap niet lang meer uitblijven: Jeroen die een stand-upcomedybar opent en daar al zijn vrouwelijke regisseurs het podium op jaagt.”

‘De lockdown heeft me geleerd dat het verschil tussen een iPad-op-een-stok en mezelf niet zo groot is als ik altijd had gehoopt (lacht).' (Foto: Kathryn Cops regisseerde 'Dagelijkse kost' vanop afstand.)Beeld vrt

Maar ernstig nu: humor. Iedereen in je omgeving roemt je pinnige verbaliteit.

Cops: “Ik ben niet het type dat, al hikkend van voorpret, een mop begint te vertellen. Ik hou wel van situatiehumor, en – inderdaad – van verbale steekspelen. Met taal over iemand heen bulldozeren: er bestaat toch niets mooiers? (Verontschuldigend) Zo ben ik nu eenmaal opgegroeid: bij ons thuis aan tafel thuis moest je snel en slim zijn, of je werd verpletterd. Mijn twee broers en ik waren altijd in een verbale competitie verwikkeld. Wie bij ons over de vloer kwam, verbaasde zich daar weleens over: hoe konden we zó de draak steken met ons moe? Hoe durfden we zo onvoorzichtig te zijn met elkaar? Maar het is wie wij zijn: wij tonen onze liefde door met je te lachen. En als we niet met je lachen, moet je je zorgen maken: dan vinden we je niet leuk.

“’Je bent een vent, Cops.’ Dat zei Mark Uytterhoeven vaak tegen me – ik ben indertijd bij Woestijnvis onder zijn vleugels begonnen, bij De laatste show. Nu zou dat als seksisme gelabeld worden, en dat is het natuurlijk ook wel – waarom zouden humor en het talent om cassant tegen iemand op te lullen exclusief mannelijk zijn? Maar ik hou wel van mensen die niet élk woord dat ze uitspreken tegen de meetlat van de moraal leggen. En bovendien snap ik het: voor Mark was ik allicht de eerste vrouw in een werksituatie die zich niet omver liet laseren door een welgemikte taalvondst. En het werkt ook omgekeerd: Mark was de eerste persoon van buiten mijn familie die mijn gevoel voor humor erkende.”

Laat ik je hierbij dus benoemen tot de patrones van de witty vrouwen, Kathryn.

Cops: “Je hebt al betere ideeën gehad – enfin, dat hoop ik toch voor jou. Ik ben veel te lui om een rolmodel te zijn. Ik vind het prima als ánderen op de barricaden gaan staan. En ik kom dan wel een pintje drinken zodra de strijd gestreden is (lacht).”

Bij Woestijnvis mocht je je vaak komisch uitleven.

Cops: “De rubriek van Kamagurka in De laatste show, de items van Jonas Geirnaert en Jelle De Beule in Man bijt hond, De ideale wereld: ja, dat klopt wel. En ik voelde me altijd op vertrouwd terrein. Maar je hoort dat niet te zeggen over jezelf, hè, dat je een goed gevoel voor humor hebt. Net zoals je blijkbaar niet hoort te lachen om je eigen moppen. Wat een onzin is dat: als je iets grappigs hoort, dan lach je toch – ook als het toevallig uit je eigen mond komt? Als je niet met je eigen moppen kunt lachen, waarom zou je ze dan maken?

“Alles waar ik in mijn leven blij mee ben, alles waar ik mijn geluk uit haal, zit op het snijpunt van ernst en humor. Je ziet dat ook in mijn werk: bij Woestijnvis heb ik mee De rechtbank gemaakt, een intrinsiek ernstig programma. Maar ook daar mocht vaak wat comic relief in, een beetje lichtheid tegen een donkere achtergrond. (Denkt na) Als je kleine kinderen iets bitters of taais probeert op te lepelen, helpt een drupje honing altijd. Zo doe ik het ook in mijn leven, denk ik: op wat ernstig, zwaar of zwart is, giet ik een druppel honing. Humor helpt.”

Wat delen de mensen die dicht bij je staan? Van welke karakters hou jij?

Cops (Plagerig): “Is dit een vraag voor het interview of eerder voor persoonlijk gebruik?”

Ik geef toe: de grens is flou.

Cops: “Ik hou van mensen die zich bij de eerste kennismaking niet om het perfecte plaatje bekommeren. Ik vind het heerlijk als iemand bij een eerste ontmoeting smost op zijn broek. Of als er op restaurant tijdens een bevlogen betoog plots een achtergebleven garnaaltje uit iemands mond komt vliegen – en die persoon daar vervolgens niets van gêne om voelt. (Helemaal op dreef) Een elektricien die bij me thuis iets komt herstellen, zich bukt en daardoor z’n halve bilspleet aan mij tentoonstelt: fantastisch, toch? Enfin, wat ik probeer te zeggen: ik heb niets met vormelijkheid, met mensen die proberen om over hun hele leven een Instagramfilter te leggen. Toen ik als kind een hondje mocht kiezen uit een nest van acht puppy’s, ging ik resoluut voor de lelijkste, voor het hondje dat ik met z’n veel te enthousiaste kop tegen het tuinhuis had zien knallen. Ik hou van lelijk. Ik hou van foutjes. Ja, dát is het: ik hou van foutjes.”

Omdat ze blootleggen dat we allemaal maar wat op goed geluk aan het klunzen zijn?

Cops: “Inderdaad. Als je van elke situatie een picture perfect probeert te maken, als je altijd beleefd, vrolijk en fris gewassen bent, dan ben je toch ook altijd aan het liegen? Ik vind het leven gewoon te kort om er een Instagram-plaatje van te maken.”

Als je van elke situatie een picture perfect probeert te maken, dan ben je toch ook altijd aan het liegen? Ik vind het leven te kort om er een Instagramplaatje van te maken.Beeld Johan Jacobs

DE KROKETTENCRISIS

Je bent heel bekommerd om mensen, hoor ik. In de woorden van je broer Mik: ‘Kathryn is voortdurend bezig met voor de anderen te zorgen. Zeker als het om haar familie gaat: we worden bedolven onder de attenties. Terwijl ik al blij ben als ik op een familiefeest aankom zonder dat ik de fles wijn vergeten ben.’

Cops: “Ik ben domweg content met mijn familie – blij, fundamenteel blij met wie mijn broers zijn, mijn ouders, mijn grootouders. En dus zorg ik graag voor die mensen, ja. Nu, er is ook de omgekeerde kant van de medaille, hoor. Ik kan ook heel bóós worden. Ik ben erg gehecht aan traditie, en ik vind dus dat je – ik zeg maar wat – de rituelen van onze va niet overboord mag gooien omdat va toevallig gestorven is. Op kerstdag eten we bijvoorbeeld kroketten bij mijn moeder. Dat is al sinds de vroege middeleeuwen zo, en dat hoort zo te blijven. Dus toen dat op een bepaald moment dreigde te veranderen – er waren wat praktische problemen dat jaar, en mijn moeder wierp op dat een kerstbrunch ook wel leuk is – ben ik daar vierkant voor gaan liggen. Ik was echt kwáád toen. Ik herinner me hoe mijn broers een beetje verbaasd naar mij stonden te kijken. Het is niet dat ik moeite heb met verandering, hoor. Ik vind gewoon dat mensen soms te nonchalant omgaan met symboliek, dat ze te makkelijk de rituelen weggooien die een familie over de generaties heen bij elkaar houden. Een brunch kun je élk weekend doen, kroketten eten op Kerstmis niet.”

‘Kathryn heeft mooie voelsprieten’, zei Jeroen me, zonder dat ik hem gevraagd had om je met een insect te vergelijken.

Cops: “Mijn voelsprieten zijn inderdaad het stukje van mijn lichaam waar ik het meest tevreden over ben (lacht). Neen, ernstig: ik ben een spons voor wat mensen voelen. De brandjesblusser, ja. Ik knutsel graag dingen voor mensen, ik schrijf gedichtjes, ik breng confituur. Dat soort van troost is de afgelopen tijd alleen maar belangrijker geworden: zo’n lockdown is genadeloos, hè. Er zit niets liefs aan.

“Ik ben een sociaal dier en fundamenteel geïnteresséérd in mensen. Net daarom heb ik tegelijk veel nood aan alleen zijn. Want het is ook vermoeiend om voortdurend alles van de ander op te slorpen. Als ik op vakantie ga met een groep vriendinnen, proppen we onze dagen vol. We gaan wandelen, we gaan fietsen, we gaan varen... We zijn dan heel erg samen. Maar zodra we ‘s avonds weer bij ons vakantiehuis zijn en het aperitief wordt opengemaakt, trek ik me terug en ga ik in m’n eentje wat zitten lezen. Daar komt bezorgdheid van: ‘Alles oké met jou?’ Maar ik ben perfect gelukkig op zo’n moment.”

En toch, als m’n innerlijke Rik Torfs even van de ketting mag: wie zorgt er voor de zorgenden?

Cops: “Maar je krijgt dat toch dubbel en dik terug? Zo leer ik het mijn kinderen: wie veel geeft, zal ook veel krijgen. En leg ‘m nu maar weer aan de ketting, die innerlijke Rik van je.

“Trouwens, die zorgzaamheid geldt nog het meest voor mezelf, hoor. Ik ben geen teer moedertje dat iedereen voorziet van liefde en vriendschap, maar zichzelf vergeet. Integendeel, ik kom voor mezelf op en ik sluit geen compromissen. Ik beschik niet over het talent om iets tegen mijn zin te doen. Dat is trouwens één van de dingen waarin Jeroen en ik heel erg op elkaar lijken. Ik geloof dat we beiden vinden dat het leven te kort is om dingen te doen waarvoor je een verflauwde versie van jezelf moet worden. Dat is wel een proces geweest, hoor. Vroeger was ik voorzichtiger. Maar ik begin meer en meer op mijn ma te lijken: compromisloos, maar niet onredelijk. Ik hoop alleen maar dat mensen me goed genoeg kennen om die overtuiging niet met botheid te verwarren. Want ik gebruik niet altijd zoveel woorden om iets te zeggen – ik kan wel snappen dat dat soms intimiderend overkomt.”

Stoerheid kan ook heel aantrekkelijk zijn. Ik moet nu denken aan een anekdote die Jonas me vertelde, je negen jaar jongere broer. Op een dag kwam hij huilend thuis: op school hadden een paar jochies hem gezegd dat jij z’n zus niet bent, omdat jullie een andere familienaam – en dus: een andere vader – hebben. Waarop jij besloot om dat...

Cops: “...de volgende dag snel even op te lossen, ja. (Glimlacht) Jonas en ik zien elkaar als broer en zus: voor ons zijn dat woorden waar je niet iets als ‘half-’ voor kunt zetten. Nu, ik was op dat moment zo’n typische tiener met een Camino. En dus pakte ik Jonas de volgende ochtend mee op m’n brommertje en zette ik hem ostentatief voor de schoolpoort af, voor het oog van die jongens. (Denkt na) Paul Auster zei eens dat verhalen alleen diegenen overkomen die in staat zijn om ze te vertellen. Dat citaat lijkt voor mij uitgevonden. Ik zie overal – zelfs in de knulligste details – een verhaal. En die anekdote van mijn broer is een goed voorbeeld. Jonas met zijn boekentasje achter op de Camino, ik die in volle vaart kom aangereden aan de schoolpoort, de monden van die pestkoppen die openvallen: dat is een film, hè.

“Het is ook wat mijn familie telkens weer zegt zodra ik een verhaal begint te vertellen: ‘Ze leeft weer in een film.’ Maar een goed verhaal, daar mag toch wat zout op?”

‘Het moet iets met de bedrading in haar hersenpan zijn’, suggereerde een niet onbekende televisiekok die liever anoniem wenst te blijven.

Cops: “Het is waar: ik zie iets en ik verzin er het verhaal bij. Ik vind heel makkelijk humor in alledaagse dingen, of ontroering, en vaak nog de twee samen. Dat die hersenkronkels niet altijd gevolgd worden, vind ik niet erg: ik ben gewoon blij dat ik kan verdwalen in die wereld in mijn hoofd, waar begrippen als fictie en waarheid er niet toe doen.”

En zo komt het dus dat je op een ochtend plots je arm staat te meten?

Cops: “Ha, wie heeft je dat verteld? Ja, het is een goed voorbeeld: een poosje geleden werd ik wakker met de vraag hoe lang onze armen zijn. (Op dreef) We hebben er allemaal twee, ze zijn zo belangrijk in ons leven, en toch heeft niemand een idee van hoe lang een gemiddelde mensenarm is! Dat vraag ik dan aan de rest van de ploeg zodra ik op de set van Dagelijkse kost aankom. En daar komt dan een halfuur vrolijk spelen van: eerst gokt iedereen wat, tot iemand toch maar een lintmeter tevoorschijn haalt en we met z’n allen onze armen meten. Wel, dat is voor mij een geslaagde ochtend.”

Naar verluidt onthoud je ook al je dromen.

Cops (enthousiast): “In het begin van de lockdown droomde ik dat ik op bezoek was bij Dries Mertens en Kat Kerkhofs in Napels. Kat ging even boodschappen doen, waarop Dries me probeerde te zoenen. Maar ik weerde hem kordaat af: ‘Anderhalve meter, Dries! Marc Van Ranst heeft het gezegd!’ (lacht)

“Ik hou ook al sinds m’n 12de een dagboek bij – op onregelmatige basis, weliswaar. Tijdens de lockdown heb ik al die schriftjes er nog eens bijgenomen en dat heeft me echt gehólpen. Want soms vraag ik me af of de grote beslissingen in m’n leven wel de juiste waren. Was die professionele stap wel slim, had ik meer moeten investeren in die vriendschap, had die relatie wel moeten eindigen? Maar als ik dan teruglees hoe ik me in die periode voelde, hoe sommige dingen me echt bezwaarden, dan snap ik die keuzes weer, en besef ik dat ze de juiste waren.”

‘Ik ben veel te lui om een rolmodel te zijn. Ik vind het prima als ánderen op de barricaden gaan staan. Ik kom dan wel een pintje drinken zodra de strijd gestreden is.’Beeld Johan Jacobs

IN BRUGES

Op eenvoudig verzoek spreek je onberispelijk Oxford English. Dat is geen toeval: je vader is een Brit.

Cops: “Hij werd halsoverkop verliefd op m’n mama. Ze kregen al snel twee kinderen maar gingen vervolgens uit elkaar – ik was pas een jaar of 2. Ik heb het dus nooit bewust meegemaakt, die twee samen, en ik kan het me ook nauwelijks voorstellen. Mijn vader zacht, teruggetrokken en tactiel, mijn moeder luid, gulzig en gul: het moet een, euh, nogal splijtende clash van persoonlijkheden geweest zijn.

“In mijn jeugd hebben we – ik heb het eens uitgerekend – minstens honderd keer de boot naar Engeland genomen, naar mijn grootvader. Maar mijn papa is altijd in België gebleven: hij woont nog steeds in Brugge. Ik vind het fijn dat die roots betekenis blijven hebben. Sinds een jaar of twee vragen mijn kinderen me ook om Engels te spreken tegen hen.”

Je groeide dus, zodra je moeder een nieuwe man had ontmoet, met twee vaders op.

Cops: “Ja, en dat zie ik alleen maar als een comfort. Mijn ouders hebben er een modelscheiding van gemaakt: tot op vandaag gaan ze heel vriendschappelijk met elkaar om.

“Om de twee weekends gingen Mik en ik naar Brugge. Dat was telkens een prettige cultuurschok. Hoe zal ik het zeggen? De johnny-en-marinacultuur was in Brugge prima ontwikkeld. Maar Mik en ik waren new wavers: we luisterden naar de Ramones en de Sex Pistols, en later naar Soundgarden, Nirvana en Pixies. En ik liet mijn mama pulls met gaten in breien voor mij (lacht). Ik kwam in Brugge aanzetten met mijn geverfd haar en mijn drie oorbellen, terwijl mijn leeftijdsgenoten daar een keurige Millet-jas droegen. Mijn vader zag dat allemaal liefdevol aan: zijn enige voorwaarde was dat ik, wanneer we de stad ingingen, een deftige frak boven mijn rafelige vodden aandeed.

“Mijn papa is misschien wel de liefste man die ik ken. Ik ben nogal temperamentvol en opvliegend, maar hij is een soort van rots van eeuwige kalmte: ik heb hem nooit – nóóit – boos gezien. En net omdat hij zo gevoelig is, heb ik hem weleens gespaard, denk ik. Ik val ‘m niet vaak lastig met verdriet en pijn, bedoel ik: ik geloof dat hij daar echt van zou afzien. Maar die enkele keren dat ik het wel gedaan heb, stond hij er meteen. Létterlijk: dan sprong hij in zijn auto en reed hij naar mij. Niet dat we dan de grote gesprekken voerden, hoor. Hij kookte voor me, timmerde een kiekenkot in elkaar, hielp me een muur verven. En uit die simpele zorgzaamheid sprak al de liefde die je van een vader kunt verlangen.”

Wat heeft je stiefvader – televisiemaker Stev Van Thielen – je cadeau gedaan?

Cops: “Hij is een knuffelaar, een superverspreider van warmte. Stev heeft me geleerd dat je luid mag roepen dat je iemand graag ziet.

“Ik heb het heel erg getroffen met mijn ouders. Ik ben het meisje dat het geluk aan haar gat heeft hangen. In die mate dat ik me voortdurend loop af te vragen: dit kán toch eigenlijk niet? Wanneer zal de hemel openscheuren boven m’n hoofd?”

Je bent niet meer samen met de papa van je twee dochters.

Cops: “Maar we doen het zoals mijn ouders het indertijd gedaan hebben, en daar ben ik trots op. (Bedenkt zich) Alhoewel, trots... Dat het belang en het geluk van onze twee kinderen altijd vooropstaan, en niet onze eigen kwetsuren, is geen bewuste keuze geweest waar we complimenten voor verdienen. Neen, het is gewoon een oergevoel: wij zien die kinderen graag, hè, en dus zorgen we voor hén in plaats van elkaar te bekampen omdat onze relatie toevallig z’n houdbaarheidsdatum heeft bereikt. Na een scheiding je kinderen inzetten als pionnen op een schaakbord: ik vind het niet alleen kwalijk, ik snáp het ook oprecht niet.”

Welke heipaal stut de opvoeding van je kinderen? Wat moeten je dochters absoluut meekrijgen?

Cops: “Humor, natuurlijk, het besef dat er altijd wat te lachen valt. En het is mooi om te zien hoe dat lukt: ik woon in een huis waar veel gelachen wordt. Het begint zich soms zelfs al tegen me te keren. Mona, intussen een tiener, is heel spitant, en ze vindt het geweldig om me te dissen. En ik kan het niet altijd meer halen van haar. Heerlijk vind ik dat: ik ontplof van trots als mijn dochter me verbaal inmaakt.

“Het cliché wil dat kinderen je een spiegel voorhouden. Dat klopt, en het gaat bovendien in fases: mijn oudste dochter houdt me nu bijvoorbeeld andere spiegels voor dan vroeger. En elke keer word ik daar wijzer van.”

Dat mag, als je het niet erg vindt, iets concreter.

Cops: “Misschien zie ik in mijn dochter wel... Misschien zie ik in haar wel het stukje van mij dat de dingen afketst met een grap. Mona kan dat zó goed: een persoonlijke vraag wegmeppen met humor.

“Alles is onzekerheid, hè. Ik geloof niet dat er ook maar één mens is die leeft zonder angst, schaamte en kwetsbaarheid. Als je die dingen een beetje onder ogen durft te zien, kun je jezelf best wel naar een mooi leven puzzelen. En dat lukt me aardig: ik ga zelden slapen met spijt van m’n dag. Alleen... (Twijfelt even) De liefde blijft toch altijd een bouwwerf, hè. Mijn gewoonte om van alles een filmklaar verhaal te maken, speelt me parten als het over relaties gaat. Word ik verliefd, dan laat ik in mijn hoofd vaak meteen het grote verhaal lopen – het rolt zich allemaal al af in m’n fantasie, inclusief het einde. En dat is natuurlijk niet makkelijk voor de ander, die gewoon argeloos ergens in wil springen.

“Ik voel me een vrolijk en vrij wezen, hoor, maar de liefde maakt me soms nog onzeker – en tegen onzekerheid bestaat geen pilletje.

“Nog iets opbeurends dat je wilt weten?”

Zeker: hoe lang is jouw arm?

Cops (enthousiast): “Ik dacht dat je het nooit zou vragen. Wacht, neem jij nog een pintje, dan haal ik de lintmeter!”

Dagelijkse kost op Eén, maandag tot vrijdag, 18.15 uur 

© Humo

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234