Donderdag 08/12/2022

BoekeninterviewHerman Koch

Herman Koch over zijn ‘koningsdrama’: ‘Iets MacBeth-achtigs met ook wat ‘Game of Thrones’ en een snuifje Tarantino’

Als een dief in de nacht verscheen deze week een nieuwe roman van de Nederlandse bestsellerauteur Herman Koch. Het koninklijk huis gaat over een overspelige koningin, en ontspoort naderhand volledig. ‘Ik was oprecht benieuwd naar wat er in die mensen omgaat.’

Wilma de Rek

Op woensdag 27 april jongstleden zat Herman Koch rustig aan de keukentafel zijn krantje te lezen toen hij zich met een schok realiseerde dat het Koningsdag was. Hij keek op de klok en zag dat het 11 uur was geweest.

Koch: “Oooh, dacht ik, het is er weer! Ze lopen weer door zo’n stad! Ik had ’m allang aan moeten zetten! Dus ik doe snel die tv aan en ben gaan observeren. Die Máxima speelt gewoon Máxima. Maar die Willem-Alexander… Op een bepaald moment gaat de burgemeester een toespraak houden. Willem-Alexander staat op de achtergrond en denkt dat hij niet meer in beeld is. En dan verschijnt er een soort gezicht waarvan je denkt: óf die man moet heel nodig naar de wc, óf hij wil hier heel graag weg, naar huis, misschien wel naar bed, met de gordijnen dicht. Hij denkt nu: over een kwartier is deze onzin afgelopen, en dan gaan er meteen achter elkaar drie bier in. En geef hem eens ongelijk, ik zou er ook gek van worden. Maar ja, hij zit er wel.”

Ook de koning in Het koninklijk huis. Een modern koningsdrama, de zeer vermakelijke nieuwe roman van Herman Koch (69), wil tijdens koninklijke evenementen liever ergens anders zijn. Het boek is opgezet in de vorm van een Netflix-serie, met tien afleveringen waarin diverse leden van een Nederlands koningshuis meer en minder spannende dingen beleven nadat de koningin zich het hoofd op hol heeft laten brengen door een befaamde Amsterdamse kunstschilder.

BIO

geboren op 5 sep­tember 1953 in Arnhem • radio- en televisiemaker, acteur en schrijver • in 1989 verscheen zijn debuutroman Red ons, Maria Montanelli • brak in 2009 internationaal door met Het diner, dat drie keer verfilmd werd • Het koninklijk huis is zijn 15de boek bij Ambo Anthos • op tv vooral bekend als maker van en acteur in Jiskefet • heeft een zoon met zijn vrouw Amalia de Tena

Hoewel de leden van Kochs koningshuis vrij veel overeenkomsten vertonen met de familie Van Oranje, zijn het verzonnen personages. De koningin, die Margarita heet, is een ravissante verschijning met lang blond haar die koningin geworden dankzij haar huwelijk met Hendrik, een aardige man die ‘een vriendelijk soort nietszeggendheid’ uitstraalt. ‘Als een gezicht een stad was’, schrijft Koch, ‘dan was dat van de ­koningin het bruisende centrum en dat van de koning een grijze buitenwijk.’

Doorgaans worden nieuwe romans van gevestigde auteurs lang van tevoren aangekondigd, met wervende aanbevelingen in brochures en persberichten, maar Het koninklijk huis verscheen deze week als een dief in de nacht. Ideetje van hem en commercieel manager Maartje de Jong van uitgeverij Ambo Anthos, zegt Koch. “We bespraken een tijdje geleden bij een biertje hoe het zou zijn om, net als Beyoncé, opeens een boek te droppen. Deze roman leek me wel geschikt voor zo’n experiment, want met de gebruikelijke lange aanloop had je onvermijdelijk speculatie vooraf gekregen: en wat gaat die Koch dan wel over dat koninklijk huis schrijven? Nu ís het er gewoon. En ik doe verder ook geen interviews. Bij dit boek denk ik: hoe minder uitleg, hoe beter. Neem het zoals het is en ga niet van Koch willen weten – van ‘Koch’, moet je mij nou steeds horen – van de schrijver willen weten hoe hij zelf over de monarchie denkt. Dat is niet zo interessant. Lees gewoon het boek.”

Hoe denkt Koch over de monarchie? Laten we anders beginnen: wanneer zag u er een onderwerp voor een boek in?

“Het begon met overspel. Ik dacht na over grote negentiende-eeuwse romans als Anna Karenina van Tolstoj en Madame Bovary van Flaubert, waarin overspel zo’n groot taboe is dat het zelfs tot zelfmoord leidt. En toen dacht ik: dat is nu niet meer zo. Overspel is nu gewoon geen taboe meer – of is het misschien toch nog ergens wél een taboe? Jawel! In een monarchie. Een president die allemaal vriendinnetjes heeft vinden we zo gewoon als wat. Maar als nou een koningin iets begint met een ander – dat zou toch wel tot een crisis leiden, denk ik. Een crisis in de monarchie.”

Bij koningen is het weer anders, die hebben buitenechtelijke kinderen en niemand doet er moeilijk over.

“Ja, het is heel unfair. Toen ik op die gedachte was gekomen, ben ik naar de koningshuizen van Engeland, Spanje en Nederland gaan kijken. Die zitten allemaal wel een beetje in dit boek.”

Ik herkende toch vooral leden van de Nederlandse koninklijke familie. Kroonprinses Vera is het sympathiekste personage, maar ook koning Hendrik wordt met een zekere mildheid beschreven.

“Natuurlijk. Ik ben niet aan dit boek begonnen met de bedoeling een satire over het koningshuis te schrijven, dat is helemaal niet leuk. Ik was oprecht benieuwd naar wat er in die mensen omgaat. En op het moment dat je gaat schrijven en dicht bij je personages bent, komt er altijd sympathie. Dat kan haast niet anders.”

Koningin Margarita is anders een zuivere golddigger, die nooit iets met Hendrik zou zijn begonnen als hij niet een toekomstige koning was geweest.

“Dat zijn de momenten waarop je je fantasie loslaat, en denkt: zou dat niet zó kunnen zijn gegaan? Is dit misschien historisch? Het hele boek draait er natuurlijk om dat al die lui, die voornaamste hoofdpersonen, onzeker zijn over de vraag of mensen hen leuk vinden om henzelf of vanwege hun positie of status. Hendrik vraagt zich af: vindt mijn vrouw mij echt leuk of wilde ze vooral koningin worden? Margarita krijgt iets met een beroemde kunstschilder en voelt zich onzeker over de reden waarom hij op haar valt. Die schilder is een van de weinige écht onsympathieke figuren. Hij is echt een…”

Lul?

“Ik wou zeggen: opportunist, maar lul is beter.”

De grootvader van de koning heeft ook wel nare trekjes.

“Van hem kun je óók zeggen dat hij een lul is, maar dat is te kort door de bocht.”

Een leuke lul dan?

“Ja, laten we het daarop houden. Hij is de enige die niet denkt: zouden ze me alleen maar leuk vinden om wie ik ben? Die denkt gewoon: natuurlijk vinden ze me leuk!”

De eerste keer dat de kunstschilder koningin Margarita ontmoet, is tijdens een van de lunches die het koninklijk paar voor kunstenaars organiseert. Dat doet het echte koninklijke paar ook. Bent u zelf ooit bij zo’n lunch geweest?

“Nee. In de tijd dat ik dit aan het schrijven was, heb ik me zelfs voorgenomen dat áls ze me opeens zouden uitnodigen – je weet maar nooit – ik dan niet zou gaan. Dan heb je ze in het echt gezien, dat is gevaarlijk. Misschien had ik Willem-Alexander en Máxima ook wel aardig gevonden. Dan is het toch moeilijker om zo’n boek te schrijven. Maar we moeten oppassen met die figuren steeds met het origineel te vergelijken. Het is gewoon fictie, met gebruikmaking van een aantal bestaande mensen.”

Hebt u veel research gedaan?

“Nee, helemaal niet. Ik heb me laten inspireren door wat je zoal ziet en leest. En verder gaat het natuurlijk vooral over een familie. Mijn opzet was een ‘modern koningsdrama’ schetsen, zoals de ondertitel luidt. Een Macbeth-achtig iets met ook een beetje Game of Thrones en Tarantino erin, en dat alles dan verplaatst naar het Nederland van de 21ste eeuw. Vandaar ook de gewelddadigheid. Zonder iets te verklappen: het ontspoort natuurlijk totaal.”

In uw boeken vloeit altijd bloed.

“Nee hoor, in het vorige boek, Een film met ­Sophia, zit geen bloed.”

Maar de ik-figuur daarvan beeldt zich wel in hoe hij diverse mensen uit de Nederlandse filmwereld op de grond laat knielen en ze dan een kogel door het hoofd jaagt.

“Dat is waar. Ik vind dat lekker, ik houd van de films van Scorsese, en van The Sopranos. Maar ik ben niet echt een fan van expliciet geweld in films en zeker niet in boeken, ik vind de dreiging ermee en de suggestie ervan interessanter. In Game of Thrones, waarvan ik samen met mijn zoon zes afleveringen heb gezien, zit een scène waarin een vader zijn zoon laat zien hoe je met verraders omgaat – hij hakt het hoofd eraf – en dat is wel een beetje een fantasie die Hendrik ook heeft. In het ‘woord vooraf’ schrijf ik dat het een en al tandeloze middelmatigheid is, die koningshuizen; niemand treedt eens op. De leden van koningshuizen zijn óók geen rocksterren. Maar wat zijn het wel? Wat schieten we er eigenlijk mee op?”

Nou?

“Niks! Het is idioot, zo’n koningshuis, het is totale gekte. Mijn generatie is eraan gewend, zoals we aan Zwarte Piet gewend waren. Deze mensen, in die kostuums en in zo’n koets, wij accepteren het gewoon. Maar jongeren zoals mijn zoon van 28 begrijpen er niks van. Die zien dat het kostuumdrama is. Poppenkast.”

Hoe maakt u een plotgedreven boek als Het koninklijk huis; werk je met schema’s, denk je alle verhaallijntjes van tevoren uit?

“Nee, ik begin met niets. Met bijna niets, ik had alleen een eerste zin: ‘De koningin sliep’. Dat is een verwijzing, voor de kenner, naar de eerste zin van La regenta, van de Spaanse 19e-eeuwse schrijver Clarín: ‘De stad sliep’. Toen ik aan dit boek begon wist ik dat ze wakker werd en de stad inging, Amsterdam, waar ze iemand zou ontmoeten – ik wist nog niet wie. Ook bij al mijn andere boeken is het zo gegaan. Ik bedenk van tevoren nul plot. Nul schema. Ik zit, net als nu, aan de keukentafel, met een laptop en een schriftje te wachten op wat komen gaat.”

En met een paar indrukwekkende boeken naast u, zoals À la recherche du temps perdu van Marcel Proust.

“Ja. Ik was al een paar keer eerder begonnen en weer afgehaakt, maar nu ben ik halverwege het tweede deel en geniet ik er echt van. Afgelopen zomer las ik de dagboeken van Roger Martin du Gard en zijn romans over Les Thibault. Zo’n heldere, mooie stijl. Die psychologie.”

In uw romans zit ook veel psychologie, en toch staat u vooral bekend als plotauteur.

“Dat ben ik op een gegeven moment geworden. Ik denk dat Odessa Star, uit 2003, mijn eerste boek was met een plot, en toen merkte ik hoe leuk dat was. In de boeken daarvóór was er nooit een plot en had ik ook meer goeie recensies van critici die van boeken zonder plot houden. En die pissig werden op het moment dat ik een plot ging toepassen: ‘Gaat-ie nou commerciéél doen?’ Want het gebruiken van plots wordt algauw met commercieel verward, heel wonderlijk.”

Wat vindt u zo leuk aan werken met een plot?

“Je vroeg net of ik schema’s gebruik. Nee dus, want juist het gaandeweg verzinnen van een plot is zo leuk. Ik wil van hoofdstuk tot hoofdstuk niet weten wat er gaat gebeuren, al mis ik daardoor ook weleens een afslag, dat ik erachter kom dat het helemaal niet kan wat ik aan het doen ben en stukken weer moet weggooien – het gaat niet allemaal vanzelf. Maar ik zou mezelf vervelen als ik aan het begin van een boek al wist hoe het afloopt. In Geachte heer M. verdwijnt een leraar, niemand weet waar hij is gebleven. En ik dacht: zolang ik dat zelf het grootste deel van het boek óók niet weet, kan ik het spannend houden. Ik wist het echt niet, pas heel laat bedacht ik: misschien is dát wel gebeurd. Het voordeel daarvan is dat de lezer het dus ook heel lang niet kan weten.”

Want als u het zelf wel zou weten?

“Dan sluipen er aanwijzingen in.”

Aan het eind van Geachte heer M. wordt er opeens vrij nadrukkelijk gesproken over een bijfiguur, Stella, waardoor je als lezer denkt dat daar van alles mee aan de hand is; vervolgens komt ze helemaal niet meer terug.

“Een roman mag wel een paar losse eindjes bevatten. Ik vind een boek geslaagd als mensen na afloop van een lezing op me afkomen en zeggen: hoe zát dat nou? Dat er nog een los draadje is overgebleven. Het moet niet, als een soort Disney-einde, helemaal rond zijn.”

Leest u alle recensies, ook de negatieve?

“Ja, ik sluit me daar niet voor af. Positieve recensies lees ik één keer en negatieve gemiddeld drie keer. Ik kijk dan of de recensent een beetje gelijk heeft, want ik wil ook kunnen leren. Negatieve recensies zijn heel vervelend, maar ik ben niet haatdragend. Als ik een recensent die mij negatief heeft besproken bij een borreltje zou tegenkomen, zou ik niet net doen of ik hem of haar niet kende. Ik zou juist wel nieuwsgierig zijn en met zo iemand in gesprek willen.

“Misschien denk ik ook wel dat mensen mijn werk anders zouden beoordelen als ze me zouden kennen, als ze zouden weten wie ik ben. In sommige recensies lees ik vooroordelen terug, van mensen die denken dat ik een cynische macho of seksist ben. Wat niet zo is.”

U bent bijna zeventig en de best verkochte en meest vertaalde schrijver van Nederland. Wat is uw ambitie nog? Wat drijft u voort?

“Dat is, denk ik, vooral het plezier dat ik steeds heb in het volgende boek. Het schrijven is ook gewoon een heerlijke besteding van de tijd. Vaak begint tijdens het schrijven aan het ene boek al iets te borrelen: zou dit misschien het volgende kunnen zijn? Dus ik ben nieuwsgierig naar wat er nog komt, naar wat er nog in me zit. Maar met het ouder worden betrap ik me ook op de gedachte dat de wereld van mij wel kleiner mag worden. Tien jaar lang heb ik de wereld afgereisd, achter alle vertalingen aan; telkens weer een nieuw vliegveld met iemand die een bordje omhoog hield met ‘Mr. Koch’ erop. Dan stond ik in Vancouver een biertje te drinken met Knausgård en dacht ik: zie mij hier nu toch eens staan, als schrijver en man van de wereld, wie doet me dit na? Dat gevoel dat je een enigszins glamourachtig leven hebt.

“Maar helemáál leuk was het ook niet, ik voelde me toch wel vaak een bandje op tournee. Of zo’n eenzame tennisser die al die toernooien afgaat. Ik zeg het niet om blasé te doen, maar op een bepaald moment gaat alles op elkaar lijken. En toen kwam corona en dacht ik: weet je wat ik moet doen? Ik moet daar gewoon eens mee ophouden. Ik hoef niet meer alles te doen. Niet naar al die landen toe, niet meer in boekwinkels signeren. Alleen maar schrijven.”

Maar hebt u nog een bepaalde inhoudelijke ambitie, een boek dat u altijd zou willen schrijven, een genre dat u wil uitproberen?

“Ja, dat heb ik wel. Ergens in de komende tien à vijftien jaar wil ik proberen zo’n écht Anna Karenina-achtig boek te schrijven. Een liefdesaffaire, een dikke familieroman, een negentiende-­eeuws boek. Het mag niet geforceerd zijn, het moet echt uit mezelf komen, ik heb er nu nog geen heel concreet idee over. Maar ik zou wel graag zo’n klassieker willen schrijven waar je niet omheen kunt. Een boek dat bijvoorbeeld De nacht zonder sterren heet en dat mensen het massaal en over de hele wereld lezen, en dan tegen elkaar zeggen: ben jij ook De nacht zonder sterren aan het lezen? Wist je wel dat dat van die schrijver van Het diner is? Waarop die ander antwoordt: van wát? Dat is mijn ambitie. Dat Het diner wordt vergeten, en dat dat andere boek het overneemt.”

Twee jaar geleden schreef u voor de boekenbijlage van de Volkskrant een stuk over Elena Ferrante. Het was een pleidooi voor het gebruik, door schrijvers, van pseudoniemen. Is dat voor die dikke vette klassieker niet alsnog een goed idee?

“Ja, best wel. Serieus. Het kan heel verleidelijk zijn een verse start te maken onder een andere naam; ik heb dat weleens overwogen, ook bij dit boek, ik dacht: dan wordt het niet verbonden aan de Herman Koch die iedereen kent. Maar ik kan me óók voorstellen dat ik een boek onder pseudoniem schrijf, gewoon omdat dat een bepaalde vrijheid geeft, en uiteindelijk denk: het is zó goed, eigenlijk zonde om dat pseudoniem te gebruiken. Waar ik trouwens ook weleens over heb gedacht, is een boek in het Engels te schrijven en dan direct in Amerika uit te brengen, onder pseudoniem dus, als debuterende schrijver. En dat de uitgeverijen hier dan maar moeten zien of ze de vertaalrechten kunnen bemachtigen, voor honderdduizend dollar. Haha!”

Herman Koch, Het koninklijk huis. Ambo Anthos, 253 p., 22,99 euro.

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234