Maandag 18/11/2019

Boeken

Herman de Coninck, de biografie: "Dat hij op het einde steeds meer meneer Hemmerechts werd, daar had hij het knap lastig mee"

Herman de Coninck. 'De leegte naast het schrijven probeerde hij op te vullen in het café', zegt biograaf Thomas Eyskens. 'Of door te veel hooi op zijn vork te nemen.’ Beeld rv

Twintig jaar na zijn dood heeft dichter, essayist, brievenschrijver en voormalig letterenpaus Herman de Coninck eindelijk de biografie waar hij recht op heeft. Thomas Eyskens klaarde de klus na zes jaar research. ‘Buiten zijn literaire leven gaapte soms een immense leegte.’

22 mei 1997. Een datum met een dikke rouwrand voor de Vlaamse literatuur. De dood van Herman de Coninck op een terrasje in Lissabon, in de armen van Anna Enquist, zorgde voor een schokgolf. ‘Het scheelde niet veel of de radio had alleen nog maar treurmarsen uitgezonden’, schreef Piet Piryns, boezemvriend en metgezel bij zoveel avonturen.

Pas na zijn dood op amper 53-jarige leeftijd werd de literaire nalatenschap van Herman De Coninck volkomen naar waarde geschat. Postuum kreeg hij de Vlaamse Staatsprijs toegekend. En toen bleek hoe onovertroffen hij was als minzame poëziegids en als aanjager van auteurs en essayistiek, met een fijne neus voor talent. “Hij bracht ook verse berglucht in de literaire journalistiek”, vond Luc Coorevits.

Niet enkel zijn legendarische Humo-interviews, maar ook zijn voortrekkersrol in het Nieuw Wereldtijdschrift blijven tot de verbeelding spreken. Daarbovenop bereed De Coninck graag stokpaardjes zoals het nut van het onderwijs, het chanson, de verhouding Nederland-Vlaanderen, voetbal of fotografie, steeds puttend uit autobiografische humus.

Dat het niet altijd eenvoudig was om Herman de Coninck te zijn, bewijst de overvolle biografie Toen met een lijst van nu errond die Mechelenaar Thomas Eyskens over hem schreef. “Eigenlijk was hij een heel gewone man, enigszins sociaal onbeholpen, die zich volledig op de literatuur gooide en vooral een stem op papier had. De rest van zijn leven verbleekte daar bij”, vertelt de bedachtzame Eyskens. De soms schuchtere De Coninck had bovendien een paar trauma’s weg te moffelen, waar hij pas veel later in dichtvorm een bedding voor vond, zoals de pedofilie van zijn vroeggestorven vader en het dodelijk ongeval van zijn eerste echtgenote An Somers.

Eyskens kiest in zijn biografie voor een overzichtelijke aanpak met korte hoofdstukken, zodat je snel kunt navigeren naar cruciale levensperiodes. Hij geeft volop ruimte aan zijn meticuleus verzamelde getuigenissen. De lezer mag zelf de anekdotiek van tussen de regels pulken. Een synthetiserende levensbeschrijving is Toen met een lijst van nu errond niet geworden. Daarvoor weet Eyskens te weinig de hoofd- van de bijzaken te scheiden en verliest hij zich in ellenlange akkefietjes. Je wou ook dat de ijverige biograaf zijn koudwatervrees had overwonnen om echt stelling te nemen.

Waar ontstond uw persoonlijke fascinatie voor Herman de Coninck?

“Voor een literaire wandeling in Mechelen keek ik via het prisma van De Conincks poëzie naar zijn geboortestad. Ik vroeg me af hoe ik die met zijn leven kon verbinden. Langzaam groeide de fascinatie en daar kwam ook een boekje uit voort bij De Arbeiderspers. Toen ik daar klaar mee was, opperde een aantal mensen of ik niet ook de biografie voor mijn rekening zou nemen. Ik moest in ieder geval vaart maken en figuren uit zijn vroege jeugd interviewen voor ze overleden waren. Zo ging de bal aan het rollen.”

Ik neem aan dat u als zoveel lezers ooit overstag ging voor zijn ‘Lenige liefde’-poëzie?

“Geloof het of niet, maar als zestienjarige had ik het niet zo begrepen op Herman de Conincks gedichten. Dat viel buiten mijn leefwereld. Ik verkoos eerder experimentele poëzie à la Allen Ginsberg of de Beats, ook toen ik filosofie studeerde. Maar toen ik zijn verhouding met de postmoderne dichters aftoetste, ontdekte ik hoe uitnodigend De Conincks gedichten wel waren. Het is poëzie waar je makkelijk instapt. Die je weglegt en waar je later naar teruggrijpt, zeer geschikt voor veelvuldige herlezing met grote thema’s als liefde en dood. Je vindt er honderd dingen in terug.

“Dankbaar voor een biograaf is dat het allemaal erg autobiografisch is. Niet enkel in zijn poëzie, maar ook in zijn essays verwerkte hij talloze persoonlijke gebeurtenissen.”

U verzamelde veel feiten en getuigenissen, maar bent beducht voor conclusies. Waarom hield u zich zo op de vlakte?

“Ik wou vooral de vele mensen die ik sprak aan het woord laten om een zo rijk mogelijk beeld te geven. En uiteraard de stem van Herman de Coninck laten horen, uit de brieven en zijn oeuvre. De lezer mag zelf zijn conclusies trekken. Toegegeven: ik heb lang heb geworsteld met de juiste vorm. Eerst dacht ik mezelf als een spoorzoeker op te voeren. Anderzijds zijn er wel meer biografen die zich onthouden van persoonlijke interpretaties. Kijk maar naar Nop Maas en de Gerard Reve-biografie. Ik ben dus op zoek gegaan naar breukmomenten en verhaallijnen in zijn leven: de pedofilie van de vader, de universiteitsjaren in Leuven, zijn eerste echtgenote An Somers en haar dood, de Humo-jaren, de NWT-jaren en de dichtbundels.

“Uiteindelijk viel me op dat De Coninck zijn identiteit volledig opbouwde rond zijn poëzie en het schrijven. Maar daarbuiten gaapte soms een grote leegte. Die hij probeerde op te vullen in het café. Of door te veel hooi op zijn vork te nemen.”

Ondervond u weerstanden tijdens het verzamelen van bronnenmateriaal?

“Ik ben vrij blanco aan die biografie begonnen. Ik begon vanop een afstand, maar in concentrische cirkels kom je steeds dichter. Dan vraag je je af, wat kun je vertellen en wat niet? Vertel je het verhaal van de pedofiele vader van naaldje tot draadje? Ik sprak lang met de zus van Herman omdat ik samen met haar wou bepalen wat en hoe ik hierover kon schrijven.

“En soms denk je natuurlijk: in welk wespennest heb ik me begeven? Tot waar laten ze je toe? Er is de angst dat de deur voor je wordt dichtgeslagen. Dat is ook een paar keer gebeurd. En getuigenissen uit de jaren zestig en zeventig zijn eerder flou te noemen. Dan moet je als biograaf suggestief en creatief te werk gaan. Gelukkig hield hij vanaf de jaren tachtig zijn brieven zorgvuldig en alfabetisch bij in Ikea-mapjes.”

Welke nieuwe feiten kon u bovenspitten?

“Moeilijke vraag. De grote lijnen waren bekend en daar heb ik vooral textuur aan toegevoegd. Hoe ging De Coninck om met de pedofilie van zijn vader of met de dood van zijn eerste echtgenote An? Uit alles blijkt dat die Mechelse periode een heel zware periode was. Die probeerde hij op een afstand te houden. Pas veel later gaf hij die in poëziecycli een plaats. Het was zijn ars poetica: het kleiner maken van de dingen om de werkelijkheid te kunnen hanteren. Later keerde hij ze om door de kleine dingen net groter te maken. Het aardse in zijn gedichten kreeg steeds meer kosmische dimensies.”

De relatie met zijn ouders was grillig. Met zijn moeder liep het altijd stug, met zijn vader, die in de gevangenis belandde, had hij een betere band. Hoe heeft dat hem beïnvloed?

“Al schreef hij later een gedichtencyclus over hen, echt in het reine is hij daar niet mee gekomen. Vooral de getroebleerde verhouding met zijn moeder speelde hem lang parten. Hij moest veel moeite doen om zich van haar los te maken. Dat is nooit helemaal gelukt. Uit een soort van mededogen en zorg. Die strijd heeft hem getekend, zijn schuldgevoelens gingen nooit weg. Zijn vroeggestorven vader belandde dan weer in de gevangenis, nadat hij voor pedofilie werd veroordeeld. Hij probeerde zijn vader te begrijpen door middel van poëzie van onder anderen Wilfred Smit, door erover te publiceren in Humo en veel later door er zelf gedichten over te schrijven.”

Daarna startten ze een kranten- en boekenwinkel in Mechelen. De impact daarvan op De Conincks leesgedrag kan niet onderschat worden?

“Na de vrijlating van zijn vader moesten zijn ouders iets nieuws zoeken om hun brood mee te verdienen. Ze wilden zelfstandig zijn. Het waren allebei mensen die graag lazen en cultuurminded waren. Er was veel beschikbaar in de winkel, zij het van katholieke signatuur. Zo ontdekte De Coninck jeugdboeken en de dichtkunst van Karel van de Woestijne. Al snel voelde hij zich aangetrokken tot schrijvers als Ivo Michiels en Ward Ruyslinck. Dankzij de truc met de boekomslag las hij verboden lectuur van Françoise Sagan en Jan Cremer.”

Aan het einde van zijn legerdienst bleek dat hij het liefst de literaire journalistiek in wou. ‘Ik denk dat daar nu eenmaal mijn begaafdheid ligt’, zei hij.

“Dat begon al tijdens zijn middelbare-schoolperiode, waarin hij heel ongedwongen opstellen schreef. Daar leefde hij zich in uit. Hij volgde het klassieke parcours: via tijdschriften en universiteitsbladen, om dan na zijn studie Germaanse filologie redacteur bij Universitas te worden. Hij voerde een verbeten strijd om gepubliceerd te raken. Hij hield vol en liet zich ook niet door afwijzingen uit het lood slaan. Dat mondde later uit in zijn eerste – nogal studentikoze – cursiefjes, gebundeld in Lachen tot je zwart ziet. Ook daar vond hij een grote vrijheid in. Maar het was Piryns die hem aanmoedigde om vooral poëzie te gaan schrijven.”

De Coninck wist al snel dat hij geen onbegrijpelijke en hermetische gedichten wou brengen. Op de poëzie van Hugues Pernath had hij het bijvoorbeeld niet begrepen?

“Hij hanteerde van meet af aan het principe van de toegankelijkheid. Hij liet zich inspireren door de begrijpelijke poëzie van Hans Lodeizen en Paul Snoek. Ook Luk Wenseleers speelde daarin een rol, net als de invloed van Vijftiger Remco Campert en de Zestigers in Nederland met Cees Buddingh’, Rutger Kopland en E.E. Cummings, de Liverpool-dichters Roger McGough en Brian Patten.

“Hoe krijg je werkelijkheid in een gedicht, daar was hij als student al mee bezig. Zijn poëtica was al op jonge leeftijd onderbouwd. Dat leidde tot dat ironische en de voorkeur voor de subtiele grap. Dat kon je linken aan zijn onzekerheid. Als het te serieus werd of hij het moeilijk had met zijn gevoelens, maakte hij ironische opmerkingen om dat te ontmijnen. Curieus genoeg kreeg hij op latere leeftijd meer belangstelling voor de moeilijkere poëzie van Gerrit Kouwenaar of Hans Faverey.”

Maar toen koos hij tussen 1966 en 1970 voor Sint-Lucas en een vaste baan in het onderwijs. Dat was geen onverdeeld positief avontuur. De Coninck bereidde niks voor en liet alles aanflensen.

“Herman had een anti-autoritaire manier van lesgeven. Helaas was hij totaal niet didactisch onderlegd en maakte hij ook zijn lerarenopleiding niet af. Hij bracht in de les gewoon wat hij zelf leuk vond, zoals de dichter Hans Lodeizen of het werk van toneelschrijver Harold Pinter. Maar studenten mochten dan wel veel losser zijn geworden, als leerkracht moest je van de directie toch flink in het gareel lopen. Er was serieuze inspectie. Hij kwam ook regelmatig te laat of sloeg lessen over. Logisch dat hij tegen een ontslag aanhikte.”

Hij besefte het zelf: ‘Als ik in het onderwijs was gebleven, was ik een saaie torenkamerfilosoof geworden. Dat ligt in mijn karakter (…) De journalistiek heeft me daarvoor krachtig behoed.’

“Jazeker. Het bleek voor hem zeer moeilijk om afstand te nemen van die vrijheid die hij bij Universitas ondervond, waar het er veel losser aan toeging. Hij trof er een manier van leven die hij nooit echt losliet. Hij bleef zijn vrienden van destijds trouw, iets waar Kristien Hemmerechts totaal niet mee om kon. En je ziet altijd weer hoe hij verantwoordelijkheden uit de weg ging en naar het café vluchtte, ook toen hij een gezin kreeg en huisvader werd.”

Vervolgens kwam vanaf 1970 de woelige Humo-periode. Ook hier weer is Piet Piryns van groot belang geweest.

“Hoofdredacteur Guy Mortier wist toen ongelooflijk veel talent om zich heen te verzamelen. En met spitsbroeder Piryns, die hem er had binnengeloodst, vormde Herman al snel een ongezien tweespan. Zijn vuurdoop was een interview met Jan Wolkers. Er volgden veel schrijvers, maar ook politici en tv-figuren of showbizzmensen, tot zelfs Eddy Wally.

“De Coninck was niet echt gespecialiseerd, maar algauw bleek sport wel zijn ding. Hij heeft uiteindelijk meer sporters geïnterviewd dan schrijvers. Hij maakte trouwens ook jaarlijks het sportoverzicht voor Humo. Later ging hij ook op pad met Gui Polspoel en Jan Wauters. Telkens was hij meer de man op de achtergrond, die bij het uitschrijven van het interview alles rechtbreide. Hij kon na lang lummelen razendsnel iets op papier krijgen.”

Toch brak op een bepaald moment de veer. Hoe kwam dat?

Humo zat vastgeankerd aan de Vlaamse showbizz. Daar kreeg De Coninck steeds meer moeite mee. Alles was gelinkt aan lopende televisieprogramma’s. Dat voelde hij als een beperking. Op dat moment begon hij hardop te dromen van het Nieuw Wereldtijdschrift, als opvolger van het Nieuw Vlaams Tijdschrift, maar met een internationale ambitie om literatuur, kunst en essay te verzoenen.”

Kun je zeggen dat de NWT-periode intellectueel zijn mooiste jaren waren?

“Een tijdlang was dat een literair en journalistiek paradijs voor De Coninck. Aanvankelijk had hij veel geluk dat Elsevier en Manteau – met dank aan de bemiddeling van Julien Weverbergh – daar veel geld in pompten. Het was een regelrecht prestigeproject. Zo kon hij Hugo Claus, die regelmatig op cruciale momenten in zijn leven opdook, overtuigen om zijn literaire duit in het zakje te doen bij het eerste nummer in 1984.

“Op een gegeven moment kon De Coninck literair plukken wat hij maar wou. Neem er maar het lijstje bij van internationale auteurs die hij ontdekte voor ze echt bekend werden. Er zitten Nobelprijswinnaars bij als Joseph Brodsky, Wislawa Szymborska en Alice Munro. Hij had een heel goede neus en ploos The New York Review of Books van haver tot gort uit, of ging naar Parijs om tentoonstellingen te bezoeken. Hij had een hele brede actieradius. Toen kon je nog echt auteurs ontdekken en was het makkelijker om rechten te verwerven. Ook omringde hij zich met een straf clubje vertalers. Veel Vlaamse en Nederlandse auteurs kregen kansen: Rita Demeester, Patricia de Martelaere, Luuk Gruwez, Anna Enquist en Eva Gerlach…”

Financieel en administratief bleek het NWT al snel in het honderd te lopen. Met dank aan de weinig praktische geest van De Coninck.

“Hij had gehoopt dat Humo-lezers hem massaal zouden volgen naar het tweemaandelijkse Nieuw Wereldtijdschrift. Maar zo simpel ging dat niet. De verkoopcijfers en abonnees kwamen niet vanzelf. Hij bleef dromen om er een maandblad van te maken, ondanks de financiële perikelen. Dat siert hem natuurlijk wel. Maar hij moest te veel alleen doen. ‘Ik moet dringend het NWT bij elkaar panikeren’, zei hij als de deadline naderde. Na een tijd voelde het aan als een sleur. Hij was geen goede huisvader voor het NWT. Piryns – hij wéér – moest het dan vaak administratief achter zijn rug oplossen.”

En ondertussen was er nog de poëzie, waar natuurlijk zijn echte ambitie lag. Het valt op dat er vaak een lange tijd tussen de publicatie van zijn dichtbundels zat.

“Meestal zat er een periode van vijf à zes jaar tussen. Na De lenige liefde in 1969 dichtte hij zelfs drie jaar helemaal niet. Hij had dan ook met An plots een gezin en dan volgde dat ontslag. Ook Humo zat soms in de weg. De kroeg werd vaak een vluchtplaats. Bovendien kampte hij met een frustratie over De lenige liefde. Hij wilde daar niet op vastgepind worden. Na elke bundel nam hij afstand en ambieerde hij iets nieuws. Het stak hem dat de kritiek onvoldoende oog had voor de melancholie en diepte in zijn gedichten.

Met Jeroen Brouwers in het Brusselse jazzcafé L'Archiduc, 1995. Thomas Eyskens: ‘Nadat hij de zo begeerde Gouden Uil aan Brouwers had moeten laten, was De Coninck ontroostbaar.' Beeld rv Foto Klaas Koppe

“Later begon hij de zogenaamd ‘moeilijke poëzie’ meer naar waarde te schatten. De Coninck probeerde te kijken wat hij bij de experimentelen kon halen. Als hij later zelf dichters begeleidde, zoals Marc Van Tongele, wees hij hen erop: ‘Jullie gebruiken te veel beelden, wees daar spaarzamer mee.’ In het begin voedde hij als het ware de postmoderne dichters mee op, maar daarna beten ze in zijn hand. Zo haalde hij ook Dirk Van Bastelaere binnen bij De Morgen. Daar was hij gul in.”

‘Ik ben nooit een leidersfiguur geweest maar ook nooit een volgeling’, vond hij van zichzelf. Mag je stellen dat hij laveerde tussen vriendelijke toegankelijkheid en dwarse eigenzinnigheid?

“Zeker en vast. Een man vertelde me tijdens een literaire wandeling in Mechelen ooit een anekdote die me bijbleef. Hij wilde op de Boekenbeurs Hermans debuut Lachen tot je zwart ziet laten signeren. Maar Herman weigerde dat pertinent: ‘Daar wil ik niks meer mee te maken hebben.’ Tot de man naar buiten liep en hij hem toch achterna ging: ‘Geef maar hier, ik zal er toch nog iets in schrijven.’ Dat was typisch Herman. Eerst afstoten en dan toch beginnen na te denken en op zijn stappen terugkeren. Hij kon moeilijk iemand ontgoochelen.”

Lange tijd koesterde hij een nogal overgeïdealiseerd beeld van de liefde, blijkt uit uw biografie. Hoe kijkt u terug op zijn omgang met vrouwen?

“Aanvankelijk putte hij zijn beeld over de liefde uit de literatuur, bij de poëzie van dichters zoals Rilke en Lodeizen. Of hij verwees naar de liefdesromannetjes van Hedwig Courths-Mahler. Dat beeld projecteerde hij op de winkeljuffrouw die toen in de boekhandel werkte. Zijn eerste relaties moet je vooral zien als een zich ontworstelen aan het katholicisme. Sowieso is hij op dat vlak in Leuven opengebloeid. Hij kwam bij Universitas in een soort commune terecht, waar veel kon. Uiteindelijk zijn er drie vrouwen geweest die een grote rol speelden in zijn leven: zijn eerste echtgenote An Somers, daarna Lieve Coppens en na zijn scheiding Kristien Hemmerechts.”

Een dramatisch keerpunt in zijn leven is het ongeval van An, waarbij hij zelf aan het stuur zat en een spookrijder op hen inreed. Herman had geen schrammetje, An was op slag dood. De dag erna raakte ook Piet Piryns zwaargewond in een verkeersongeluk.

“Die periode was zeer moeilijk en woelig. Zelfs de avond waarop An was overleden, ging hij naar de kroeg. Toen was hij echt op de dool. Hij vond ook geen houding ten opzichte van zijn zoon Tomas, die het ongeval wonderbaarlijk overleefde. Hij ging terug in het appartement boven het ouderlijk huis wonen. Alles werd weggespoeld met whisky en valium uit moeders kastje. Daar speelt de moeder weer een rol. Die kon geen lichamelijke liefde geven maar wel praktische. Die kwam zijn huis poetsen, regelde zijn paperassen en administratie.

“Dankzij Lieve Coppens is hij uit het dal geklommen, zij werd zijn nieuwe muze. En ze regelde ook veel voor hem. Toen zij wegging, wist hij even niet hoe het nu verder moest. Tot Kristien Hemmerechts in het vizier kwam. Hij had vrouwen – als dochter, moeder of geliefde – nodig om over te kunnen schrijven.”

De Coninck maakte zich voortdurend zorgen over zijn gezondheid, maar hij leefde er niet naar: veel katers, veel Duvels, veel sigaretten. Hij besefte dat hij waarschijnlijk de zestig niet haalde. ‘Als ik die wél haal, geef ik een hemeltergend groot feest.’

“Je kunt niet ontkennen dat hij vrij zelfdestructief omsprong met zijn gezondheid. Hij leefde ook erg bourgondisch. Eten en drinken, het kon niet op. Hij was ook een fervent vleeseter. Maar Herman sportte wel degelijk. Hij was een goede lange-afstandsloper, zelfs toen hij in Antwerpen woonde, jogde hij nog. Intussen bleef hij kettingroken. Merkwaardig was ook zijn obsessie met zijn drankgebruik en de hoeveelheid Duvels die hij kon verstouwen alvorens een ochtendkater te hebben. Het ritueel zat enorm diep ingebakken. Hij had dat nodig om te functioneren. Dat minutieuze drinken van Duvels contrasteerde op een vreemde manier met zijn slordigheid en wanorde.”

Kristien Hemmerechts in bad met Herman de Coninck. Biograaf Thomas Eyskens: ‘Vanaf het moment dat hij samen is met Kristien Hemmerechts, gaat de productie van essays en poëzie steil de hoogte in. Ze stimuleerden elkaar enorm.’ Beeld lieve blanquaert

Toch bleef hij bergen werk verzetten.

“Hij bleef gewoon doorschrijven. Maar je merkt wel dat de laatste bundels vaker in opdracht geschreven gedichten bevatten. Het moest sneller gaan en de druk van de deadline was onontbeerlijk. Vanaf het moment dat hij samen is met Kristien, gaat de productie qua essays en poëzie steil de hoogte in. Ze stimuleerden elkaar enorm.”

De Coninck stond ook een poos aan het hoofd van 'Boekbedrijf', de door hem opgezette boekenpagina’s van De Morgen. Op dat moment leek hij zich te ontwikkelen tot een echte letterenpaus, zeker ook met het NWT erbovenop.

“Hij had macht, dat lijdt geen twijfel. Mensen rond hem verzamelen en doen schrijven, dat kon hij. En het deerde hem niet dat ze een tegenovergestelde mening hadden, als ze maar goed konden schrijven. Toch liep het soms mis. Hij had Herman Brusselmans een column gegeven over de Vlaamse literatuur, waarin hij iedereen de mantel mocht uitvegen. Maar toen Brusselmans ook Hermans vrienden begon aan te vallen, was de maat vol. Brusselmans moest vertrekken.”

Af en toe stak wel degelijk rancune de kop op?

“Hij kampte vooral met een gebrek aan erkenning voor zijn dichterschap die vooral postuum is gekomen. Na De lenige liefde (1969) werd zijn poëzie ook kritischer onthaald, zeker in Nederland. Het idee om in Nederland door te breken, behekste hem. Dat bleef zijn hele leven een frustratie. ‘Waarom moeten ze mijn NWT niet? Waarom lusten ze mijn poëzie niet?’

“Aan het eind van zijn leven voelde hij ook de hete adem van Leonard Nolens in zijn nek. Hij verwachtte literaire prijzen te krijgen, maar de zo begeerde Gouden Uil moest hij aan Jeroen Brouwers laten. Toen was hij ontroostbaar, de foto’s bewijzen het. Aan het eind van zijn leven, stond hij onder druk en voelde hij een enorm onbehagen. Dat Kristien haar opmars aan het maken was, speelde hem parten. Zo werd hij steeds meer meneer Hemmerechts. Daar had hij het knap lastig mee, ondanks alle grote plannen die hij nog koesterde.”

Thomas Eyskens, 'Toen met een lijst van nu errond. Herman de Coninck. Biografie', De Arbeiderspers, 587 p., 34,99 euro. Beeld rv

‘Hij had macht, dat lijdt geen twijfel. Mensen rond hem verzamelen en doen schrijven, dat kon hij’

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met De Morgen?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van De Morgen rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234