Zondag 23/01/2022

InterviewHenk Pröpper

Henk Pröpper schreef een boek over zijn hartkwaal en zijn lockdownwandelingen door Parijs: ‘De Notre-Dame was de eenzaamste plek op aarde’

Henk Pröpper in de Jardin des Tuileries, in zijn huidige thuisstad Parijs, waarover hij uitgebreid schrijft in 'Hartslag 27'. Beeld © Elliott Verdier
Henk Pröpper in de Jardin des Tuileries, in zijn huidige thuisstad Parijs, waarover hij uitgebreid schrijft in 'Hartslag 27'.Beeld © Elliott Verdier

Wat gebeurt er als je plots – pal in een pandemie – met hartproblemen in een ziekenhuis belandt? Ex-De Bezige Bij-uitgever Henk Pröpper (63) beschrijft het ­in Hartslag 27. En ook hoe hij zich weer tot leven wandelde in een leeg Parijs.

Dirk Leyman

Kort voor de lockdown, in maart 2019, keerde Henk Pröpper met zijn tweede, Franse vrouw Myriam terug naar Parijs, een stad waar hij ooit nog diplomaat en directeur van het Institut Néerlandais was. Maar eenmaal in de lichtstad ging het goed mis.

Pröpper praat bedachtzaam. Hij voelt zich nu stukken beter, verzekert hij als we in de tuin van het roemruchte Palais Royal een drinkplek hebben veroverd. De Fransen om ons heen kwebbelen dat het een lieve lust is én blazen hun elektronische sigarettenrook in ons gezicht. Pröpper geeft geen krimp. Hij windt er geen doekjes om dat het een loodzwaar laatste anderhalf jaar is geweest, al zou je hem dat niet nageven. In het meanderende Hartslag 27 brengt hij verslag uit van zijn hartperikelen en herstelperiode, op het ritme van eenzame lockdownwandelingen door een desolaat Parijs. “Ik wilde mezelf op een afstand bekijken, wars van sentiment. En zowel de literatuur, de wereld als de geschiedenis invlechten. Alleen maar schrijven over mijn eigen beslommeringen, dat vond ik toch te eng.”

Nederlandse uitgever • was tussen 1998 en 2003 als diplomaat directeur van het Institut Néerlandais in Parijs • van 2010 tot 2011 directeur van het Nederlands Letterenfonds in Amsterdam • tussen 2012 en 2016 directeur-uitgever bij De Bezige Bij

In eerste instantie reageerde u nogal ‘laconiek’ op ‘uw pruttelende hart’. Wanneer ontdekte u dat het écht problematisch werd?

Pröpper: “Sinds jaren heeft mijn hart de neiging traag te kloppen. Ik ben een hardloper, ik heb veel op de lange afstand gerend. Ik had dus sowieso een sporthart: dat betekent een hartslag van tussen de 38 en 42 slagen. En zelfs bij dat lage ritme voelde ik me nog prima. Maar als het minder werd, begon ik me slecht of duizelig te voelen. Dan kwam er gewoonweg té weinig zuurstof naar de hersenen. Op een bepaald moment zakte ik soms terug tot 27 slagen. Vreemd genoeg kon ik wel nog wandelen of gewoon denken.”

U ging zelfs nog rennen. Hoe riskant was dat?

“Wellicht een beetje naïef dacht ik: wanneer ik mijn hart een kleine opdonder geef, het letterlijk in een hogere versnelling zet, ja, dan komt het wel goed. Dan gaat het weer sneller kloppen. Maar ik had niet enkel een traag kloppend hart. Ik bleek ook hartritmestoornissen te hebben, met een onregelmatige pols. Dat zorgde voor complicaties.”

Dat was pal voor de coronapandemie losbarstte?

“Ja, toen moest ik op een nacht in allerijl naar het ziekenhuis. Binnen het halfuur hebben ze besloten om een pacemaker te plaatsen. Dat was niet erg fijn, en het moment al helemaal niet. Er golden veel voorzorgsmaatregelen voor de operatie. Het was daarna ook eenzaam, omdat ik nooit bezoek kreeg. Zelfs Myriam mocht in het begin niet langskomen. Zeker op de intensive care gaf dat weinig bemoediging. Alle plezier én verbeelding van je herstel moet je uit je wankele zelf halen.”

Dat lijkt keihard.

“Nou ja, zelfs daar wen je aan, zoals je merkwaardig genoeg aan veel zaken went. Die dagen in zo’n ziekenhuisbed zijn vooral heel lang. De uren kruipen tergend langzaam voorbij. Je wacht, maar je weet eigenlijk niet waarop.”

Er was niet alleen dat isolement. De monitoren en machines van collega-hartpatiënten zorgden voor een ‘permanent piep-piep-knorconcert’ in de hartbewakingskamer, schrijft u. Toch vond u houvast in de literatuur?

“Ja, dat was surrealistisch. Maar literatuur was véél meer dan zomaar een reddingsboei. Ik wilde er weer het leven uit putten, als een soort bron. Boeken assisteerden me bij het herstel, zoals die van Octavio Paz en Philippe Lançon. Ze zorgden voor speelsheid, humor en wijsheid, maar ook voor strengheid. Voor een soort vermaning over wie je eigenlijk bent. Ze ontlokten me vragen over hoe het zover gekomen was. Hoe kwam het dat ik die problemen had?”

Wat duidt uzelf als oorzaak aan? Was het onvermijdelijk of had u het zelf mee in de hand gewerkt?

“Moeilijke vraag. Het is deels karakteriologisch. Ik heb veel van mezelf gevergd, zowel in het werk als in mijn vrije tijd. Kort voordien waren we ook in een rush van Amsterdam naar Parijs verhuisd. Is er een direct verband? Wie zal het zeggen? Dat weet je niet.”

Beschouwt u zichzelf als stressbestendig?

“In principe wel. Maar ik had natuurlijk periodes bij De Bezige Bij die buitengewoon stressvol waren. Zo herinner ik me dat ik op de Antwerpse Boekenbeurs moest aankondigen dat De Bezige Bij Antwerpen onderdeel zou worden van De Bezige Bij Amsterdam. Dat bleek later een heel goede beslissing omdat veel auteurs in twee landen aan zichtbaarheid wonnen. Maar dat gaf natuurlijk een hele heisa. En ja, daar had ik een flinke klap aan overgehouden.”

Zorgt zo’n hartkwaal ook voor een soort deemoedigheid tegenover het leven? Voor het besef van uw beperkingen?

“Nou, er waren al langer momenten waarop ik dacht: mijn drukke manier van leven bevalt me absoluut niet meer. Toch trok ik me paradoxaal genoeg op aan het werk. Ik wilde iets waardevols maken, iets creëren. Dat vond ik pas opnieuw in het schrijven.”

Uw vrouw Myriam is arts. Hoe reageerde zij op de precaire situatie?

“Zij is geriater. Dat betekende natuurlijk een enorme steun. Vooral omdat ze niet panikeerde en rustig, rationeel én probleemoplossend bleef denken. Niet eenvoudig als het om iemand gaat die je zo nabij staat. Toen er een obstakel was met de afstelling van de pacemaker, waardoor ik me na de operatie rotslecht voelde, kon zij bij de cardioloog precies uitleggen wat er niet klopte. Mede door haar aandringen en haar kennis kon het euvel snel worden opgelost.

“Pas achteraf merkte ik wél hoeveel zorgen zij zich had gemaakt. Mijn kinderen van 23 en 21 jaar, die nog studeren, bleven achter in Amsterdam. Daar piekerde ik ook over, voor het eerst waren ze autonoom. En we konden elkaar niet zien vanwege de pandemie. Achteraf hoorde ik dat ze onderling afspraken hadden gemaakt om geen paniek te zaaien. Dat deden ze fantastisch.”

Wanneer dacht u eraan om deze ervaringen als uitgangspunt voor een boek te nemen?

“Na een gesprek met Francien Schuursma, mijn uitgever bij De Bezige Bij. Ik ben al een hele poos met een roman bezig, maar dat vlotte niet. Toen ik me zo slecht voelde, lukte het me niet langer om in een verbeelde wereld te vertoeven. Het was chaos, vooral ook in mijn lichaam. Om te herstellen moest ik veel wandelen, dat was een medische opdracht. Toen zei Francien: waarom schrijf je niet gewoon over dingen die je kent? Je dagelijks rondje door Parijs, over wat je ontdekt, en de dingen die met jou gebeuren? Ja, dat was een goed idee.”

Henk Pröpper: ‘Ik wil de melancholie niet cultiveren, maar tegelijk ontsnap ik er niet aan.’ Beeld © Elliott Verdier
Henk Pröpper: ‘Ik wil de melancholie niet cultiveren, maar tegelijk ontsnap ik er niet aan.’Beeld © Elliott Verdier

U noemt zich een ‘wandelaar op de grens van mijn minimale rijk’.

“Ja, want in het begin van de pandemie heerste in Parijs en Frankrijk een zeer harde lockdown. We mochten ons slechts in een cirkel van anderhalve kilometer rondom ons eigen huis begeven, in mijn geval de Rue Saint-Honoré.”

“Dus toen dacht ik: laat dat maar mijn schrijfruimte zijn. Laat ik me in deze lege stad, afgescheiden van alles, verbinden met die stemmen van vroeger. Plots besefte ik dat ik me in een habitat van beroemde Franse schrijvers bevond: Simenon, Flaubert, Balzac, Stendhal…. Schrijvers die ik herontdekte, ja. Verrassend genoeg bleek ik toch nog een heel groot territorium te bestrijken, tot aan de Notre-Dame, met het Louvre, de Place de la Concorde, de Tuileries, de Opéra, het Ile de la Cité….”

‘We zijn veroordeeld tot denkbeeldige ontmoetingen’, schrijft Pröpper. ‘En de stad, ogenschijnlijk leeg, is vol van duizend levens van mensen die hier ooit ademden, dachten, dingen beleefden en maakten, en die dingen doorgaven.’ Hij loert naar die talloze gedenkplaatjes waar de Fransen zo kwistig mee zijn. “Men spreekt hier van lieux de mémoire, plaatsen van herinnering. In de snelheid van de normale, levendige stad loop je daar achteloos aan voorbij. Maar nu werden die plaquettes voor mij markante ankerpunten. Ik vroeg me af: wat hebben ze ons nu nog te vertellen?”

“Zullen we een eindje wandelen?”, vraagt Pröpper. We slenteren door de carrousel van het Louvre – waar het opvallend rustig is – naar de Seinekaden, via de tot terraszone herschapen Place Dauphine op het Ile de la Cité langs de Quai des Orfèvres, om commissaris Maigrets hoofdkwartier even te groeten. We turen in de verte naar de gehavende Notre-Dame-kathedraal. “Tijdens het confinement was de Notre-Dame, anders zo druk, de eenzaamste plek op aarde. Die dramatisch verwoeste kathedraal was bijna een symbool van de ontzielde samenleving. Ik voelde mij geroepen om daar heen te gaan, het was zelfs mijn allereerste wandeling”, vertelt Pröpper. “Een sterke roep, vergelijkbaar met het gebeier van de klokken in mijn jeugd.”

Waarom? “Omdat ik in dit boek ook wil aangeven waar ik vandaan kom: mijn heel strenge katholieke jeugd, voor het overwegend protestantse Nederland toch heel bijzonder. Ik ging bijvoorbeeld zes keer per week naar de kerk en was twaalf jaar misdienaar, van mijn zesde tot mijn achttiende. De roep van de Notre-Dame is een knipoog naar toen.”

Op welke manier liet dat sporen na?

“Mijn ouders, actief bij de toenmalige Katholieke Volkspartij (KVP, het latere Christen-Democratisch Appel, CDA, red.), kwamen uit die bloedgroep. Al waren ze allebei behoorlijk avant-gardistische katholieken. Ze hebben me veel meegegeven. Het avontuur van het lezen, de cultuur van het ontdekken, was voor mijn moeder heel belangrijk. Er was ook geen enkel boek verboden, alles was thuis beschikbaar – van Jan Wolkers tot antichrist Nietzsche. Niet enkel de Bijbel was een bron van denken. Ook elders kon je wijsheid en ideeën over de samenleving aantreffen.”

Stappend door de verlatenheid van Parijs maakt u ook een merkwaardige vergelijking met Adolf Hitler. Die was bezeten door de grandeur van Parijs maar wilde die tegelijk vernietigen.

“Ja, dat schoot me te binnen omdat Hitler ooit een ronde maakte door een vrijwel leeg Parijs, in de vroege ochtend van 23 juni 1940 met zijn zeswielige Mercedes, vergezeld door Albert Speer en Arno Breker. Raar genoeg was de verovering van Parijs de ‘droom van zijn leven’, al vond hij het allemaal nog niet groots genoeg. Dat moest Duitsland beter kunnen. Dat leidde tot die beroemde maquettes van Albert Speer voor Berlijn, die Parijs zouden overtreffen. Gelukkig ging Hitlers plan om Parijs te vernietigen aan het eind van de oorlog niet door, omdat de militaire gouverneur dat weigerde. Zo nabij is de verwoesting soms.”

“Parijs in de leegte zien is nog imponerender, dat moet je Hitler wél nageven”, bedenkt Pröpper. “Heel indrukwekkend en ijzingwekkend tegelijk.” We keren op onze stappen terug en begeven ons via de kaarsrechte, chique Rue de Rivoli – tegenwoordig grotendeels van autoverkeer ontdaan – onder de arcaden naar de Place de la Concorde. Het verkeer suist alweer met halsbrekende vaart over het majestueuze plein, al valt de toeristische drukte mee. “Ik herinner me een gloeiend hete zomerdag tijdens de lockdown, de zon brandde op de stenen. Ik stond te kijken naar de weidsheid van de Place de la Concorde, zonder enig verkeer. In de verte de Eiffeltoren, waar je anders ook niet zo vaak naar kijkt. Ineens leek het een krankzinnig ding, het licht weerkaatst op dat staal. Heel onwerkelijk. De rusteloosheid van de mens was afwezig. De stad was ontdaan van alle ambitie.”

Want, benadrukt Pröpper in Hartslag 27, ‘Parijs was lang, zoals New York in de twintigste eeuw, de plek waar je het kon maken. Parijs was ook een onverbiddelijke leerschool. Onzichtbaar zijn al degenen die, niet geslaagd voor hun examen, weer naar de provincie vertrokken, wier talent niet werd herkend’. Vol van gefnuikte ambities en ‘verloren illusies’, zoals de titel van het beroemde boek van Balzac uit La comédie humaine. “Er zijn veel helden die hier vermorzeld worden”, zegt de onverstoorbare Pröpper, terwijl we op een bankje in de Tuileries neerstrijken en af en toe turen naar het geflaneer dat zich weer in vol ornaat voltrekt. Aan de ijscokarretjes formeren zich slingervormige, lange rijen.

Pröpper moet plots denken aan hoe hij destijds als achttienjarige jongen uit de provincie aankwam, om te studeren in Amsterdam. “Op het podium van de grote stad moet je jezelf heruitvinden. Je moet van alles in de waagschaal leggen, wéér een nieuwe taal leren én de humor, de grappen begrijpen. Je hebt vaak de neiging te denken dat iedereen het op jou gemunt heeft. Erbij horen is dan o zo belangrijk.”

Parijs, voegt Pröpper er schalks aan toe, is niet enkel de stad van de ambitie maar ook van de liefde. Niet voor niets ontmoette hij er zijn tweede vrouw Myriam, toen ze uit een auto stapte. “Het zijn de clichés die erbij horen”, lacht hij. “Hoeveel mensen geloven niet dat hier in Parijs hun verliefdheid is begonnen of bestendigd? Zie de slotjes aan de Pont des Arts en de Pont de Solférino: voor veel toeristen zijn dat bedevaartsoorden. Tijdens het confinement was ook dat allemaal weg. Dat had iets rustgevends. Je hoefde jezelf niet voortdurend te bewijzen.”

Ik vraag hoe hij de veranderingen in de stad taxeert. Heeft het confinement echt een klik veroorzaakt? “In die begintijd leek het alsof mensen zich ineens afvroegen: ‘Als dit ooit voorbij is, hoe kunnen we het beter doen?’ Er heerste een optimistische stemming over de menselijke soort, en over een collectievere, meer solidaire samenleving. Daar had ik toch mijn bedenkingen bij. Laat het voor 30 procent waar zijn, dan zitten we goed, dacht ik. Maar Michel Houellebecq was er als de kippen bij om erop te wijzen dat alles wellicht bij het oude zou blijven. Als je nu om je heen kijkt, dan zie je dat iedereen weer in zijn eigen stand schiet en dat hedonisme primeert, toch? Komt nog bij dat de prijzen om hier te wonen, zoals in elke West-Europese stad, galopperen. Het langetermijndenken is alweer verzwonden.”

null Beeld RV
Beeld RV

U schrijft ook over een ander belangrijk scharniermoment in Frankrijk, in oktober 2020, de moord van een islamist op leraar aardrijkskunde en geschiedenis Samuel Paty. Parijs tuimelde weer ‘in het mes van de werkelijkheid’. Hoe ervoer u dat?

“Ik herinner me de hommage aan Paty op de cour van de Sorbonne, waar de Franse president de ideeën van de verlichting – vrijheid, gelijkheid, tolerantie en kritische zin – herhaalde. Maar het meest indringend was een brief van Albert Camus die werd voorgelezen, gericht aan een van zijn leraren, Monsieur Germain. Daarin bedankt hij hem voor de hulp én kansen die hij als arme pied noir kreeg. Allemáál hebben we zo’n leraar nodig. En juist zo iemand, die met de beste bedoelingen naar Parijs was gekomen om er tolerantie en onderwijs te brengen onder de niet-bevoorrechten, werd nu vermoord! Dat was toch een soort Charlie Hebdo-moment.

“Het valt me trouwens op dat steeds meer mensen het moeilijk hebben met humor die de grenzen opzoekt of ze overschrijdt, ook in Frankrijk, met een traditie van satirische bladen als Hara-Kiri en Le Canard enchaîné. Willen we dan een politiek en maatschappelijk discours zonder humor? Is dat de invloed van het populisme? Ik vermoed van wel, want heb jij Trump ooit een grap horen vertellen? Of Orbán? In humor zit bijna altijd een aspect van zelfspot. Dat ontbreekt nu juist helemaal.”

Zelf staat u bekend als een bemiddelaar, een man van de diplomatische aanpak, ook tijdens uw periode als directeur-uitgever bij De Bezige Bij.

“Ik heb de neiging om situaties mentaal te bezweren, met veel zelfdiscipline. Maar ook een goede diplomaat zegt uiteindelijk wél waar het op staat. Hij hoeft geen kool en geit te sparen.”

Zo wordt het toch vaak gezien?

“Oh, ik ken diplomaten die vrij uitgesproken zijn. Maar dat doen ze slim genoeg niet in de pers. Wél op de plek waar het toe doet: in de beslotenheid van hun ambt. Dat nam ik me ook altijd voor. Ik had bij De Bezige Bij geen moeite om te zeggen dat een boek van een auteur niet voldeed of hun schrijverschap niet op de goeie weg zat. Dat lef moet je hebben. Als je dat niet doet, wat is dan je rol als uitgever?

“Ik nam tijd voor mijn auteurs, zelfs op de allerdrukste momenten. Ik las heel veel manuscripten en schreef vaak ’s morgens een essaytje van twintig tot dertig regels naar een auteur van wie ik net een fragment had gelezen. Om hen alvast in een vrij vroeg stadium iets mee te geven én een band te creëren. Een uitgever moet toch zijn totale expertise inzetten om een auteur op zijn hoogste niveau te krijgen?”

De avond valt langzaam. Ik zeg Pröpper dat er best veel weemoedigheid in Hartslag 27 schuilt. “Jazeker, al wil ik dat melancholische niet cultiveren. Omdat ik het geen vruchtbare gemoedstoestand vind. Tegelijk ontkom ik er niet aan. Kijk, ik was een goeie hardloper en dan kon ik dat plots niet meer. Uiteraard schrijnt dat. Dingen die ooit vanzelf leken te gaan, lukken niet meer. Wat doe je met de rest van je tijd die je gegeven is?”

Stelt u nu andere prioriteiten?

“Toen ik op de middelbare school zat, had ik maar één wens. Ik wilde schrijver worden. Ik ben dat ook een hele tijd geweest, met een aantal boeken in de jaren 90. Maar toen overleed mijn eerste vrouw. Mijn leven viel in een andere plooi. Ik werd diplomaat bij het Institut Néerlandais, ging bij het Nederlands Letterenfonds werken en later als uitgever bij De Bezige Bij. Want ook die maatschappelijke en publieke kant zit in me. In mijn overmoed zei ik toen dat ik hoopte om naast mijn baan bij De Bij nog tijd te vinden om te schrijven. Mijn grootste professionele misvatting ooit! (lacht) Maar ik weet wel dat mijn kinderstem van toen ik veertien was – schrijven en nog eens schrijven – weer de kop opsteekt.”

Terwijl we terugwandelen naar de Rue Saint-Honoré, slaat Pröpper nog een mea culpa. “Ik ben me de laatste tijd veel bewuster geworden van de mensen die me nabij staan. In alle ambitie ga je daar soms aan voorbij. Daar maak ik meer tijd voor. Geen opzienbarend inzicht misschien, wél fundamenteel. Precies daarom is het slothoofdstuk van Hartslag 27 ook aan de liefde gewijd.”

Henk Pröpper, Hartslag 27, De Bezige Bij, 142 p., 20,99 euro.

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234