Dinsdag 15/10/2019

Passa porta festival

Heleen Debruyne over de burgerlijke angsten van de millennial

Beeld © Martin Parr / Magnum Photos

Vier jonge auteurs uit Nederland en Vlaanderen schreven voor het Passa Porta Festival een verhaal over een al dan niet fictieve angst. Dit is de bijdrage van Heleen Debruyne (28), over hoe de gedachten van 'millennials' worden gekoloniseerd door zorgen allerhande.

"Het was een grote leugen, vrees ik." Ze laat haar hand neerploffen op de plakkerige tafel van het café. "Je weet wel: wat onze ouders ons hebben wijsgemaakt. Dat we alles kunnen worden wat we maar willen?" Ik wuif naar de ober - dit gesprek zullen we er niet op een rondje doorgedraaid krijgen.

Zo zijn we opgevoed, wij, 'millennials', zoals socio- en andere -logen ons genoemd hebben - geboren ruwweg tussen 1980 en 2000. Onze ouders hadden geen vooruitzicht op oorlogen, pandemieën of andere malheuren, wisten niet beter dan te geloven dat wij, net als zij, het weer beter zouden krijgen dan de vorige generatie. Bevrijd van kerk en al te dwingende sociale controle, dachten ze, mogen wij ons onbesuisd laten leiden door onze verlangens. We leven om onze dromen waar te maken. Als je dat aanstekelijke riedeltje vaak genoeg hoort, begin je het op den duur mee te neuriën. Ik kan worden wie ik wil zijn, het is een simpele kwestie van behendigheid, ik moet mijn talenten handig weten te gebruiken.

De 'millennials' worden dan ook vaak beschreven als een individualistische, hebberige, ik-ik-ik-generatie, ze zijn verkleefd met hun telefoons, maken krampachtig een merk van zichzelf, hebben lak aan de gemeenschap. Allerlei studies worden besteld om te bewijzen dat we narcistischer, luier, egoïstischer zijn dan onze voorgangers. Toch is er een stortvloed aan studies die bewijzen dat we ook depressiever zijn dan onze voorgangers.

De werkelijkheid blijkt vaak een kil theater, waar niemand opveert om te applaudisseren voor onze kunstjes, zoals onze ouders dat deden voor elke kleurplaat die wij onder hun neus schoven, binnen de lijntjes gekleurd of niet. En dat knaagt: hebben we het ergens onderweg verkeerd aangepakt? Zijn we eigenlijk wel ergens goed in? Hébben we wel talenten? "Misschien ben ik niet eens zo bijzonder", zei mijn vriendin, het rondje opgezopen. "Er staat in elk geval niemand op mij te wachten. Ik ben zo te vervangen."

En wiens schuld is dat? Als we linksig aangelegd zijn, steken we het op de conjunctuur, het dolgedraaide, op vernietiging afstevende systeem, of op de genadeloze, niet op mensenmaat gesneden werkcultuur en haar veelkoppige human resources-afdelingen. Maar meestal steken we het op onszelf: we zijn, inderdaad, blijkbaar, helaas, niet zo bijzonder als we zo graag geloofden.

Het uitblijven van de beloofde gouden bergen koloniseert de gedachten.

"Soms kan ik niet meer ademen wanneer ik eraan denk dat ik geen huis heb, en in de nabije toekomst ook niet zal hebben", biecht een andere vriendin me op. Ze perst haar glas wijn tussen haar vingers alsof ze het zo kan breken. Andere kennissen die het voorschot voor een lening wel konden ophoesten, houden zich onledig met het kiezen tussen vijftig tinten wit voor de muren van hun eerste appartement, waar ze na zeven jaar hopen uit te verhuizen, richting gezinswoning met tuin, alles volgens hun netjes in Excel gegoten financiële planning. Hebben of niet hebben: mensen van mijn leeftijd (bijna dertig) en mijn milieu (hoogopgeleid) lijden aan een vastgoedobsessie. Sociologen beweren nochtans graag dat millennials vrijer zijn en bewustere keuzes maken, niet geven om het materiële en verwoed jagen op 'ongrijpbare ervaringen'.

Een mooi geformuleerd rookgordijn voor een meer waarschijnlijke realiteit: millennials krijgen pas laat vaste contracten, en dus is het voor hen lastiger een lening te pakken te krijgen. Lening en huis blijven een doel. Begrijpelijk, wanneer politici, banken, bezorgde ouders en financiële experts op alle kanalen brullen dat je achterlijk bent als je je al hurend geld in een bodemloze put gooit. Vastgoed is een voorraadje voor de oude dag, want op een pensioen kun je maar beter niet meer rekenen. Of de angst om berooid te sterven een goede motivatie is, laat ik in het midden. Maar door zo'n angstdodende lening aan te gaan, tuimel je in de raderen van een systeem.

De Belgische overheid had mee de hand in dat systeem. Pastoors en katholieke politici wilden hun kudde ver uit de steden houden, smeltkroezen van socialisme en zedenverwildering. Een huis moest de brave werkmens kopen, in een keurige wijk, ver van de stad, om daar gezinnetje te spelen. De verplichting om maandelijks af te betalen was een vorm van disciplinering: wie elke maand geld tevoorschijn moet toveren durft niet gauw te staken. Vandaag vreest niemand de socialisten nog, pruttelen we tergend traag, bumper aan bumper, van de buitenwijk naar onze werkplek en gaan huwelijken zelden langer dan een paar jaar mee. Desondanks houden banken het systeem graag in stand: een huis is veilig, hebben ze altijd in onderpand. Dus blijven wij kopen. En de zorgen die bezit met zich meebrengt koloniseren de gedachten.

"Ik zie dat iedereen rond mij met de liefdestrein vertrokken is. Ik vrees dat er niemand meer op de kade staat voor mij", zucht een vriend, in zijn pathos struikelt hij over zijn metaforen. "Behalve dan op het internet. Moet ik nu echt zo'n dating app installeren?" Hij vreest een gebrek aan liefde. Hij vreest ook niet te voldoen aan de voorwaarden om online leuk gevonden te worden. Vangt een foto mijn essentie wel? Hoe toon ik mijn geest, die mooier is dan mijn kop?, panikeert hij. Hoe kan ik mezelf in godsnaam in een paar kernwoorden zo appetijtelijk mogelijk presenteren? Om liefde te vinden moet hij zich als koopwaar in de markt zetten, binnen een norm vallen die hij nauwelijks kan inschatten.

Anderen vrezen dan weer dat de liefde die ze in hun netten hebben gestrikt niet volstaat. Tijdens het samenleven met de Ene Ware kijken ze nerveus hijgend om zich heen, steeds op zoek naar een Mogelijk Betere Ware. Liefde hoeft niet meer voor het leven, seriële monogamie is de norm.

Sommigen willen het dan weer radicaal anders doen, vinden het achteloos wegwerpen van exen een al te treurig neveneffect van het aaneenrijgen van partners. Ze noemen zich polyamoureus en beleven meerdere liefdes tegelijkertijd, in verschillende vormen maar vooral: in alle openheid. Het alomtegenwoordige dictaat van de monogamie druist in tegen hun verlangens, stellen ze. Maar tot hun frustratie blijven het koppel en het kerngezin de stevig gebetonneerde norm. Hoe moeten ze in godsnaam samenwonen, hoe moeten ze hun meervoudige liefdes gaan organiseren, zodra er kinderen in het spel zijn?

De zorgen om de liefde, in welke vorm dan ook, koloniseren de gedachten.

"Mijn keel trekt samen telkens wanneer ik, je weet wel waar, passeer", vertelt een vriendin in de metro. Ze strijkt om haar punt kracht bij te zetten even langs haar hals. Ze heeft het natuurlijk over dat ene metrostation, waar fundamentalistische gekken met hun explosieven een ravage van rook, bloed en ingewanden aanrichtten. Natuurlijk zijn niet alle moslims terroristen, weet ze, maar elke baardige man die schichtig om zich heen kijkt, ruikt nu naar gevaar. De kans dat ze tot vlees vermalen onder de wielen van een auto zal sterven, is nochtans vele malen groter dan dat ze zo'n met bommen omgorde gek tegen het lijf loopt. Dat weten alle statistici, maar zij zijn minder fotogeniek dan gekken met baarden en zwaarden. Die mannen van de cijfers worden weinig opgevoerd en nog minder vaak gehoord, buiten de tijdslijnen van hen die toch al wisten hoe het zat.

De zorgen om terrorisme koloniseren de gedachten.

"Drink een maand niet, minstens. Tel je stappen. Monitor je hartslag. Bouw aan je conditie - volgend jaar een marathon! Stop met roken, verdomme. Kijk naar kunst om je leven te verbeteren. Leer die simpele trucjes die je productiviteit opdrijven. Installeer een app om je internetgebruik in te perken. Geef eens een compliment aan een onbekende. Denk langer en dieper na. Wees mindful. Doe kalmer aan. Weersta aan het beeldenbraaksel dat je overspoelt. Het leven is geen rollercoaster. Wil minder. Verlies jezelf niet. Ga terug naar de kern. Ga. Van. Facebook. Ontwikkel jezelf, elke dag weer. Wees de beste versie van jezelf. Of toch minstens een betere versie. Je kunt beter. Je kunt écht beter. Je bent het aan jezelf verplicht beter te worden. (Of toch minstens aan ons. Anders word je ziek. Dik. Dom. Slecht gezelschap.)"

Zo roepen de Alain de Bottons en de poppsychologen van deze wereld door elkaar. Oorverdovend is ook het eindeloze gepreek van onze marathonlopende kennissen en eeuwig op zoek naar zichzelf ronddwalende vrienden. Op welke manier dan ook, willen we ons beste Zelf ontplooien. En en passant ook goed doen, of toch minstens: niet slecht. We installeren zonnepanelen, zetten een brilmontuur uit gerecycleerd hout op onze neus, storten twee euro CO2-compensatie voor een verre vlucht, staan mee te brullen op benefietconcerten. Afhankelijk van onze aard rollen we daarna zelfgenoegzaam of met een nog steeds onverklaarbaar leeg gevoel ons bed in.

Het Zelf, geloven we, is een waarheid die diep in ons allen zit te schuimbekken, in meer of mindere mate onderdrukt door de omstandigheden. Het Zelf moet zich kunnen ontplooien, of het barst uit zijn voegen. Volgens Adam Curtis, die altijd breeddenkende documentairemaker, is dat Zelf er niet altijd geweest. Het deed in de vroege twintigste eeuw zijn intrede in de populaire cultuur. Toen verkaste een versimpelde versie van Sigmund Freuds gedachtegoed over het onderbewustzijn naar Amerika, in de hoedanigheid van diens neef Edward Bernays.

Die Bernays, de bedenker van de public relations en de reclame, arrangeerde een huwelijk tussen het Zelf en de toen losbrekende kapitalistische massaproductie. Het Zelf wil uniek zijn, wil zich uitdossen in zijn waarachtigste veren, wist Bernays. Maar, het Zelf is ook een idioot, die zich laat verleiden door de steeds slimmere kneepjes van het reclamevak. Kneepjes die politici in de twintigste eeuw zijn gaan overnemen. Zowel Geert Wilders als de producenten van brilmonturen uit gerecycleerd hout appelleren aan het vermeende Zelf van heel verschillende mensen. Het streven naar een beter Zelf geeft ons een gevoel van controle. Toch controleren we zo alleen maar hoe we al dan niet consumeren en hoe we ons aan andere consumenten presenteren. De zorgen om ons Zelf koloniseren de gedachten.

'I struggled with some demons. They were middle-class and tame', zingt Leonard Cohen op zijn allerlaatste plaat, een nalatenschap die in je ziel blijft spoken. Dat ene brokje tekst galmt al maanden door mijn hoofd. Cohen bezingt mijn diepste angst, die doorgaans netjes weggestopt zit onder meer behapbare vreesjes. De angst dat onze tamme demonen onze gedachten koloniseren. We ploeteren en spartelen, grijpen en graaien naar de soevereiniteit over de piepkleine gebieden die we kunnen controleren. Ondertussen schuift de wereld centimeter per centimeter op in de richting van een realiteit die we nog niet kunnen bevatten, een realiteit die vermoedelijk veel onaangenamer is dan de onze. Wij slapen door die trage aardverschuiving heen, verdoofd door onze verblindende demonen. Maar als de motor van Bernays verblindende toverlantaarn het begeeft, zal bezit, noch ons beste Zelf, noch de liefde ons kunnen redden. (Vrees ik.)"

Lees ook: de vijf festivaltips voor Passa Porta van Heleen Debruyne.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met De Morgen?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van De Morgen rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234