Zaterdag 14/12/2019

Essay

Gun terroristen geen heldenstatus

Beeld Sanne De Wilde

We hebben mediarichtlijnen voor het berichten over zelfdoding, maar niet voor het berichten over zelfmoord­aanslagen. Daar laten we kansen liggen, stelt David Van Reybrouck, die enkele voorstellen doet.

Na de aanslagen in Manchester besloot de Zwitserse nationale omroep om geen extra nieuws­­uitzending te brengen. Het klassieke tv-journaal had ruim aandacht besteed aan de feiten, de slachtoffers en de reacties, waarom dan eindeloos doorgaan met berichtgeven? Hoofdredacteur Tristan Brenn lichtte toe: “De overkill in westerse media speelt de terroristen in de kaart. Via tv-beelden bereiken zij zonder meer hun doel om angst en paniek te verspreiden.”

Dat klopt. Terroristen kunnen nog zoveel bommen plaatsen als ze willen, als de media er niet over berichten, is hun aanslag mislukt. Geen enkele jihadist doodt zichzelf om vervolgens doodgezwegen te worden. Als het is om genegeerd te worden, kan hij net zo goed blijven leven. Maar in hoeverre moet de pers daarin meegaan? Na Manchester merkte Joris Luyendijk (Nederlands journalist en antropoloog, red.) op: “Er is in onze samenlevingen de afgelopen jaren een informatie-infrastructuur ontstaan waarin journalisten en media aangemoedigd en financieel beloond worden om het spelletje van de terroristen te spelen.” Hij heeft volkomen gelijk.

Rondslingerende bankkaart

Hadden media dan Bataclan, Londen, Brussel en Nice moeten negeren? Nee, natuurlijk niet. Maar tussen krampachtig stilzwijgen en het ongeremde berichtgeven dat ons nu stelselmatig overstroomt, ligt een waaier aan mogelijkheden. Het is over die mogelijkheden dat we het moeten hebben.

Toen Europa nog geteisterd werd door de aanslagen van het IRA in Noord-Ierland, de ETA in Spanje of de Rote Armee Fraktion in Duitsland, waren er intense debatten over hoe de media hierover moesten berichten. Dat debat is vandaag meer dan ooit weer nodig. Als sommige vormen van berichtgeving terreur meer belonen dan andere, dan moeten we durven stilstaan bij de ongeschreven regels van de pers. Excessieve media-aandacht kan immers de angst vergroten, de terrorist een heldenstatus verlenen en anderen inspireren tot gelijkaardige aanslagen.

Is het bijvoorbeeld verstandig om telkens veel details prijs te geven over de dader? Wie een aanslag pleegt, weet dat zijn volledige naam en gezicht in bijna alle kranten, nieuwssites en tv-journaals over heel Europa zal verschijnen. Normaal is die eer enkel aan een zegevierende presidents­kandidaat van een groot land voorbehouden. Willen we die bonus zomaar bieden?

De terroristen vragen er alvast soms letterlijk om. De doodrijders in Nice en Berlijn lieten hun papieren slingeren in de truck waarmee ze slachtoffers maakten. De zelfmoordterrorist in Manchester had zijn bankkaart op zak. Idem dito bij Charlie Hebdo. Was dat zomaar vergetelheid? Bij minutieus voorbereide aanslagen waar ze soms zelfs over hun kleren en kapsel hebben nagedacht? Voor de opeisingen van IS hoeven ze het niet te doen: die geven geen namen en hebben het enkel over ‘een soldaat van het kalifaat’. Nee, het zijn onze persagentschappen die hen de aandacht geven waarnaar ze kennelijk hengelen. Wij bedienen hen op hun wenken.

72 maagden

En het gaat niet enkel over de naam en de foto. Als je een aanslag plant, mag je er ook rustig van uitgaan dat de hele wereld zal schrijven over je afkomst, je familie, je schoolprestaties, je liefdesleven, je eventuele strafblad en wat de buren van je vonden. Eigenlijk verschil je in nagenoeg niets van andere terroristen, maar wij spitten je korte levensverhaal uit met een ijver en een belangstelling die je bij leven nooit hebt gekend.

Bovendien beperkt het zich niet enkel tot journalistieke aandacht. Ook de overheden lijken niet altijd goed na te denken over de impact van hun handelen op zulke dramatische momenten. Is het wel zo zinnig om na elke aanslag in Europa iconische bouwwerken te gaan belichten in de kleuren van het getroffen land? Tijdens de eerste golf van gruweldaden kon dat troosten, maar moet nu elke terreurdaad automatisch beloond worden met een Eiffeltoren of een Brandenburger Tor in een andere kleur?

Anno 2017 weet je als terrorist nog steeds niet of die 72 maagden daadwerkelijk op je liggen te wachten in het paradijs, maar je kunt er wel van uitgaan dat je met één druk op de knop 72 monumenten naar je hand zet.

En moet bij elke nieuwe aanslag de regeringsleider of zelfs het staatshoofd de bevolking toespreken? Sinds 2014 vonden er in Europa 31 aanslagen plaats. Moet het telkens opnieuw, die eer? Als terrorist ben je dan ineens iets van staatsbelang geworden. Ineens tel je mee. We maken het jou nogal gemakkelijk, eerlijk gezegd. We maken jouw zelfmoordaanslag het overwegen waard. Je bent een nobody die zo graag een somebody wil zijn, desnoods post mortem, en wij, westerse media, helpen je daar maar al te graag bij.

Dit zouden wij niet moeten doen. We zouden onszelf enige soberheid moeten aanleren als we over aanslagen berichten. Dat hoeft allerminst een beperking van de persvrijheid te betekenen. Immers, ons een beetje inhouden, dat doen we toch ook al wanneer het om klassieke vormen van zelfdoding gaat?

Copycats

In de meeste westerse landen bestaan er mediarichtlijnen voor het verantwoord berichten over zelfdoding. Uit onderzoek blijkt namelijk dat serenere berichtgeving voor significant minder copycats zorgt. Zo daalde het aantal gevallen van zelfdoding in de Weense metro met maar liefst 75 procent nadat het Oostenrijkse centrum voor zelfmoordpreventie een brochure met tips voor de pers had uitgebracht.

Hierdoor geïnspireerd stelde de Wereld­gezondheids­organisatie (WHO) een lijst van adviezen voor journalisten op: publiceer geen foto’s of afscheidsbrieven, geef geen details over de gebruikte methode, wees niet sensationeel, vermijd religieuze of culturele stereotypen, vermeld hulplijnen.

Vele westerse landen zijn hiermee aan de slag gegaan. Na Oostenrijk volgden Duitsland, Zwitserland, 
Nederland, België, Frankrijk, het VK en de VS.

Media troepen massaal samen in Parijs, na de aanslag op de Bataclan. Beeld PREVIEWS NIET PUBLICEREN!!!!!!

Maar nu doet zich iets zeer vreemds voor: geen van die mediarichtlijnen spreekt over zelfmoordaanslagen. De Britse brochure, opgesteld door de Samaritans, heeft weliswaar een korte passage over murder-suicides, maar focust daarbij enkel op gezinsdrama’s.

Dit is de stand van zaken anno 2017: de diensten voor zelfmoordpreventie zijn niet bezig met terrorisme; de diensten voor terreurbestrijding zijn niet bezig met zelfmoordpreventie.

Dat komt natuurlijk doordat zelfmoordterroristen geen klassieke suïcidalen zijn. Ze zijn meer gedreven uit woede dan uit wanhoop. Zij willen hun lijden niet beëindigen, maar zoveel mogelijk lijden veroorzaken. Hun doel is moord en angst. Ook al lijken aanslagen soms op verkapte zelfmoorden, het heeft iets ongepasts om een aanslag tot zelfmoord te herleiden – dat is kwetsend voor de slachtoffers en pijnlijk voor wie met klassieke suïcide te maken heeft gehad.

Het punt is niet of zelfmoordterroristen ons mededogen verdienen omdat ze met suïcidale gedachten worstelen. Het punt is dat de mediarichtlijnen voor het verantwoord berichten over zelfdoding werken. Moeten we dan niet iets gelijkaardigs hebben voor zelfmoordaanslagen?

Nagenoeg alle islamterrorisme in Europa is zelfmoordterrorisme. Van de 30 aanslagen tussen mei 2014 en juni 2017 kwamen bij 23 de daders om (24 indien je de Berlijnse terrorist meerekent die enkele dagen later in Italië werd neergeschoten). Daarbij ging het zowel om directe zelfdoding, doorgaans door zichzelf op te blazen, als om indirecte zelfdoding: weten dat je gedood zult worden.

Gevaar voor besmetting

We hebben hier te maken met wat preventie­werkers in andere contexten een suïcide­cluster hebben genoemd, een golf van vergelijkbare zelfdodingen begaan door mensen die zich door eerdere, sterk gemediatiseerde voorbeelden hebben laten inspireren.

Als je weet dat copycats meer voorkomen bij mannen dan bij vrouwen, bij jongeren dan bij ouderen, bij armen dan bij rijken, moet er een belletje afgaan. Ook zelfmoordterroristen in Europa zijn jongemannen hoofdzakelijk afkomstig uit de onderkant van de samenleving. Het gevaar voor suïcidale besmetting is dus zeer groot. Daarom is er dringend nood aan een richtlijn voor verantwoorde journalistiek. Ook de pers kan levens redden.

Het is niet aan mij om hier een finale richtlijn op te stellen. Dat moet in overleg gebeuren. Journalisten zouden zo snel mogelijk met preventiewerkers, terrorisme-experts en veiligheidsdiensten rond de tafel moeten gaan zitten om een instrument uit te dokteren.

Elders is die ontwikkeling al in volle gang. Na de aanslag in Nice kwamen grote spelers van het Franse medialandschap – Le Monde, Radio France Internationale, France 24, Europe 1 en BFM-TV – overeen om niet langer foto’s van aanslagplegers te plaatsen. Radiozender Europe 1 besloot om ook hun namen niet meer te delen. Zulke afspraken hebben ook wij nodig.

Een afspraak tussen formele media biedt geen garantie dat ook de sociale media zullen volgen. Terroristen zitten vaker op YouTube dan op de site van Le Monde. Sensationele beelden zullen daar nog een tijdlang succes hebben. Maar dat er een norm is, is alvast richtinggevend. Zo ging het ook met gruwelvideo’s uit het kalifaat: als grote nieuwssites en tv-stations ze weigeren, verliezen ze een deel van hun waarde en stichten ze minder angst.

Demonisering

Ook de overheid kan een positieve bijdrage leveren. Naast het organiseren van officiële reacties en het belichten van monumenten, kan ze inzetten op nog betere preventie. In heel Europa bieden zelfmoordlijnen hulp aan mensen die suïcidaal zijn, of aan hun bezorgde naasten of nabestaanden. Moeten zij hun werking diversifiëren, zowel op het vlak van diensten als personeel? Moeten ze bellers of chatters te woord kunnen staan in het Amazigh, het Arabisch of zelfs nog maar de geschreven jongerentaal van tegenwoordig? Moeten telefonisten kennis hebben van de islam? Moeten er campagnes komen voor specifieke doelgroepen in specifieke wijken? Moeilijke vragen, maar ze worden niet eens gesteld. De demonisering laat het niet toe.

Nochtans, als landen zoals Duitsland, Neder­land, België en de Verenigde Staten pedofilie­lijnen hebben opgestart om kindermisbruik te voorkomen, waarom starten we dan niet iets gelijkaardigs in de strijd tegen moslimterrorisme? Het klinkt vreemd om specifieke diensten op te zetten voor mensen van wie we het gedrag volkomen verachten, maar als het kan helpen om dat gedrag te voorkomen en levens van onschuldigen te redden, waarom onderzoeken we de mogelijkheid ervan dan niet?

We zijn niet veroordeeld tot machteloosheid. Terreurbestrijding is meer dan het werk van veiligheidsdiensten en justitie. Op het vlak van media en preventiewerking laten we vandaag belangrijke kansen liggen. Nochtans ligt daar de sleutel tot een minder machteloze omgang met het fenomeen.

Voorzichtige poging: zo zouden richtlijnen voor de media er kunnen uitzien

• toon geen foto’s van de dader, geef enkel zijn voornaam plus beginletter van de familienaam

• publiceer geen afscheidsbrieven of -video’s

• publiceer geen propagandamateriaal

• verwijs naar opeisingen zonder ze integraal weer te geven

• vermijd een sensationele aanpak

• beperk het aantal ooggetuigenverslagen en amateurvideobeelden

• wees zuinig met extra nieuwsuitzendingen, speciale bijlagen en ononderbroken live­verslaggeving

• vermijd gespeculeer, beperk u tot relevante en correcte informatie

• behandel aanslagen als criminele feiten, niet als militaire, culturele of theologische: dat is immers de framing van de terrorist

• zet in op achtergrond, duiding en nuance

• verstrek informatie over hulplijnen en opvangmogelijkheden: ook kandidaat-terroristen kijken naar uw uitzending. Verwijs daarbij niet enkel naar de klassieke kanalen, maar ook naar opvang voor specifieke doelgroepen (buurtwerk, moskee...).

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met De Morgen?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van De Morgen rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234