Zondag 15/12/2019

Interview

Guga Baúl: ‘Ik dacht al vrij snel dat de mensen me alleen interessant vonden als ik een mop vertelde’

Weinigen toonden zich in 2019 veelzijdiger dan Guga Baúl. Afgelopen zomer presenteerde hij het reisprogramma Goed verlof. In december zal hij, halfnaakt en rijkelijk ingesmeerd met olijfolie, op televisie worstelen met een wildvreemde man. En tussendoor, op 8 november, brengt hij Ongehoord uit, zijn allereerste studioplaat.

In de zestien zelf geschreven tracks van Ongehoord imiteert Guga Baúl (echte naam: Laurent Bailleul) de zangstem, huisstijl en tics van zestien verschillende Nederlandstalige zangers.

Een paar maanden geleden belde ik je partner Tine Embrechts naar aanleiding van Goed verlof. Zij verzuchtte toen dat ze jou én de kinderen al maanden amper had gezien door het hectische opnameschema. Maar jij hebt wél de tijd gevonden om een plaat op te nemen?

(zucht) Het is nochtans moeilijk om orde te vinden in de chaos. We hebben thuis vier kinderen rondlopen, én we hebben gekozen voor een vluchtige, onzekere, zeer ongestructureerde job. Dat is heel leuk, maar het vreet ook aan me. Af en toe heb ik een dag waarop ik denk: ‘Oké, ik heb alles onder controle.’ En de volgende dag – brrooeesj! – ontploft mijn hoofd weer.

“Maar om op je vraag te antwoorden: het instrumentale gedeelte van de plaat is al bijna een jaar geleden opgenomen. En voor de zangsessies hebben we onze tijd genomen, met veel pauzes. Af en toe ging ik langs in de paddenstoel van Jean Blaute, die Ongehoord heeft geproducet, en...”

De paddenstoel?

“Met alle respect: Jean is een kabouter, en dat merk je in de eerste plaats aan zijn huis. Ik moest me daar de hele tijd bukken.”

Zoals wanneer Gandalf in Lord of the Rings op bezoek gaat bij Frodo?

“Zo was het echt! Telkens als Jean me vergat te waarschuwen voor een lage deuropening, liep ik er met mijn hoofd tegen. You shall not pass! Wel, inderdaad. I shall not pass, I shall have een blauwe plek.”

Op plaat en straks op tournee laat je je bijstaan door onder meer drummer Joost Van den Broeck en bassist Bert Embrechts, tevens je schoonbroer. Van 1999 tot 2011 vormden zij de ritmesectie van de Laatste Show Band.

“Ik noem hen de Laatste Snow Band – we hebben elkaar leren kennen op skireis. Het klikte, we zijn beginnen samen te werken en vijf, zes jaar later hebben we eindelijk onze eerste plaat uit. Het is een waanzinnig geëngageerde band, die met veel passie en vakkennis mee aan de nummers heeft gewerkt.”

De teksten op Ongehoord zijn vooral gestoeld op je eigen leven. Gaat de song ‘Peter Pan’, geïnspireerd door Guido Belcanto, bijvoorbeeld over je onwil om op te groeien?

“Er zit een beestje in mijn hoofd dat mij af en toe influistert: ‘Doe nog eens iets zoals vroeger.’ Ofte: ik wil nog even fladderen en vooral nu nog niet aan werken denken. Maar we moeten het niet erger maken dan het is. Dat betekent niet dat ik mijn kinderen elke dag aan hun lot overlaat.

“Ik ben wél vaak blij als mijn kinderen oud genoeg zijn voor bepaalde soorten speelgoed waar ik vroeger ook graag mee heb gespeeld. (lachje)

In het Willem Vermandere-achtige ‘Baron Gaston’ leg je uit hoe hard je 4-jarige zoon Gaston op jou lijkt...

“Het is echt opvallend. Hij is ook sportief, gedreven, competitief, eigenzinnig... Hij heeft een vergelijkbare manier van onnozel doen. En ook fysiek lijkt hij op mij.”

Zijn er karaktertrekken die je hem liever niet had meegegeven?

“Mijn opvliegendheid, misschien. Ik ben vaak snel geprikkeld, en daar heeft hij ook al last van. Ik kan bijvoorbeeld echt kwaad worden als Gaston al om halfzeven aan ons bed staat. ‘Pas nádat het mechanische konijntje naast je bed de ogen heeft opengedaan mag je opstaan, Gaston!’

“Voorts kan ik me ook ergeren aan onduidelijke communicatie. Ik ben vatbaar voor goede argumenten, en als men mij vooraf op de hoogte brengt over wat van mij wordt verwacht, ga ik zelden dwarsliggen. Maar ik sta níét graag voor voldongen feiten. Dat bleek onlangs ook in de kick-offaflevering van Beat VTM. Ik dacht dat we – Koen Wauters, Olga Leyers, Nathalie Meskens, enzovoort – met zijn allen zouden overleggen over wie welke opdracht zou doen. In de praktijk werd mij gewoon iets in de schoenen geschoven. Intussen heb ik er vrede mee, maar toen vond ik dat niet zo tof.”

‘Als ik me vroeger ergens onwennig voelde, had ik de neiging om éxtra druk te staan doen. Dankzij Tine kan ik dat beter kanaliseren.’ (Foto: met Tine Embrechts)

Voor Beat VTM moet Mathias Coppens een torenkraan leren besturen, Freek Braeckman gaat dernyrijden en Natalia doet iets met trick shots op de snookertafel. Toen jij hoorde dat je moet olijfolieworstelen, reageerde je met: ‘Dit is kak.’ En: ‘Dik tegen mijn goesting!’ Ik dacht dat die ergernis gespeeld was, om een spanningsboog in het programma te steken.

(lachje) Nee! Dat ik écht op mijn paard zat, kon je makkelijk afleiden uit het feit dat ik voor de camera’s ineens West-Vlaams zat te praten. Vóór de Beat VTM-opdrachten werden uitgedeeld, had ik nog gezegd: ‘Het hoeft voor mij niet per se een fysieke opdracht te zijn.’ Ik heb twee jaar geleden al meegedaan aan Boxing Stars. Vooral omdat we thuis twee erg jonge kinderen hebben en ik nog altijd in een fase met weinig slaap zit, en dus niet zo veel tijd heb om te recupereren.”

Ik moet om een of andere reden aan de worstelpartij in de film Borat denken. Daarin rolt Sacha Baron Cohen naakt over de vloer van zijn hotelkamer, waarbij hij het glockenspiel van zijn assistent meermaals in zijn gezicht geduwd krijgt, en...

“Euh, die scène herinner ik me niet meer. Voor alle duidelijkheid: mijn tegenstander en ik zullen allebei een leren broek aanhebben. (schouderophalend) In Turkije is het een razend populaire sport. Ik snap er op dit moment nog niets van, maar we zullen zien wat het geeft. Ik heb nu wel een maand niet kunnen trainen. Een van mijn twee sparringpartners, de meest struise van de twee, was verkeerd op mij gevallen. Resultaat: ribben gekneusd. Maar vanaf morgen kan ik opnieuw beginnen te trainen. Komt goed.”

Ik heb de indruk dat je na je doorbraak in Tegen de sterren op altijd nuchter bent gebleven, en je nooit hebt laten meeslepen door de neveneffecten van je bekendheid in Vlaanderen. Nochtans moet het vreemd zijn om te beseffen dat men nu jouw stem kan downloaden in de navigatie-app Waze.

“Vreemd, én gevaarlijk! Ik vond het grappig om dingen te zeggen als ‘Hier naar links. Of nee, nee, ’t is naar rechts. Of wacht, toch naar links...’ Bij Waze vonden ze het goed, maar ik ben er achteraf toch over beginnen te twijfelen. Ik hoop dat ik nog niet té veel ongelukken heb veroorzaakt.

“Voor de rest sta ik er te weinig bij stil dat veel mensen mijn kop kennen. Als ik in een winkel een nieuwe broek ga passen, ga ik nooit in een kleedhokje. Te veel tijdverlies, en daarbij: je m’en fous. Ik sta vaak in het midden van de winkel in mijn onderbroek. Eigenlijk is het een wonder dat ik zo nog geen tien keer in de krant ben gekomen.

“Voorts ben ik écht blij dat de meeste mensen alleen mijn pseudoniem kennen. Als ik voor een medisch probleem naar het ziekenhuis bel, heb ik zelden het gevoel dat ik als een curiosum word behandeld. Stel je voor: ‘Ik zou graag een afspraak maken voor een aambeienonderzoek, mevrouw.’ – ‘Wat is uw naam?’ – ‘Bart Peeters.’ – ‘Echt, dé Bart Peeters?!’ (blaast) Zoiets lijkt me, euh, onaangenaam.”

Wat is het raarste compliment dat je ooit hebt gekregen?

“Ik hoor dat ik vaak voor verwarring zorg aan de telefoon. Joost, mijn drummer bij Studio Guga (de naam van zijn band, red.), werd eens opgebeld door Bart Peeters. Het heeft even geduurd voor hij geloofde dat hij de échte Bart aan de lijn had – hij dacht dat ik hem in de maling aan het nemen was. ‘Maar ’t is hier echt met den Bart!’ – ‘Laat mij met rust, Laurent!’ (lacht)

“Eigenlijk ben ik te braaf. Ik zou daar makkelijk van kunnen profiteren. ‘Ja, het is Sergio Herman hier. Ik zou graag een beleg’ broo’je bestellen. Enne... het is toch gratis, hè, jongen?’ Verleidelijk, maar zoiets zou ik nooit doen. Toch niet in mijn vrije tijd. (mijmerend) Misschien ooit, voor een tv-programma...”

Je bent vorig jaar ondervoorzitter geworden van Zandvoorde, de Oostendse voetbalclub waarvoor je negen jaar hebt gespeeld.

“De laatste zes jaar daarvan woonde ik al in Antwerpen, en ik pendelde in die periode twee à drie keer per week naar Oostende om er te gaan trainen. Ten eerste is dat niet goed voor het klimaat, en ten tweede was het ook niet goed voor mijn stressniveau. Ik ben er dus mee gestopt, maar omdat ik loyaal van aard ben, voelde ik me meteen schuldig. ‘Ik laat de ploeg in de steek!’ Onzin natuurlijk, zo belangrijk was ik nu ook weer niet. Maar omdat ik had aangegeven dat ik op een of andere manier met de club verbonden wilde blijven, hebben ze mij ondervoorzitter gemaakt. What’s in a name? Ik zit daar niet in het dagelijks bestuur of zo.”

Eigenlijk ben je de mascotte van de club?

(lacht) Zoiets. Ik ben voor hen wat Jefke voor F.C. De Kampioenen is.”

Wat heb jij met het woord ‘vamos’, Spaans voor ‘kom op’? Je gebruikt het al jaren opvallend vaak in interviews, en...

(verrast) Is dat waar?”

...en nu heeft jouw club, Union Zandvoorde, zich onlangs herdoopt tot VC Vamos Zandvoorde.

“Het voorstel om de club zo te noemen, komt inderdaad van mij. Eigenlijk vond ik Vamos Oostende nog beter bekken, maar dat lag te gevoelig. Een beetje zoals je nooit over een ‘club’ mag praten als het over Cercle gaat.

“Grappig dat dat jou is opgevallen. ‘Vamos’ is mijn motto. Ik heb ook eens een gepersonaliseerde koersfiets laten maken, met daarop in het groot ‘VAMOS’ geschreven. En ín die letters van het woord zitten de namen van een heleboel van mijn sportidolen. Zo voel ik me, als ik bijvoorbeeld een steile berg op moet, extra gemotiveerd. ‘Vamos’ past trouwens ook bij mijn huidige relatie en leefsituatie: de oudste kinderen van Tine zijn half Mexicaans.

“Net vóór een voetbalmatch pepten mijn teammaats en ik elkaar vroeger ook altijd op met ‘Vamos, Union!’ Er zat bovendien een hele theorie achter. ‘Vamos’ stond voor Vertrouwen, Amusement, Motiveren, Opbouwende kritiek en Spreken. Toen ik in mijn voetbaldagen de Kompany wilde uithangen, met tactische besprekingen naast het bord, ging het daarover.”

Als je in interviews over je grootste idolen praat, is dat bijna altijd over sporthelden. Zlatan Ibrahimovic en Roger Federer, en natuurlijk Gustavo ‘Guga’ Kuerten en Raúl, naar wie je je artiestennaam hebt gemodelleerd. Schat je een carrière als voetballer of tennisser hoger in dan die van een imitator of presentator?

“Nee, maar het is voor mij wel van evenveel waarde. Als ik op vrijdagavond na een drukke week in de buitenlucht op een voetbalveld sta, voel ik me helemaal herleven. Maar mensen doen lachen geeft natuurlijk ook veel voldoening.”

Jij hebt jezelf lang een ‘professionele bewonderaar’ genoemd. Om zijn schulden af te betalen, worden de persoonlijke bezittingen van Keith Flint, de in maart overleden clown van The Prodigy, binnenkort geveild: zijn bed, zijn neuspiercings... Zou jij ooit iets willen bezitten van een van je idolen?

“Ik zou wel iets van Roger Federer willen, maar dat hoeven niet per se zijn beddenlakens te zijn. (denkt na) Ik heb een paar truitjes van zijn merk, maar die zijn natuurlijk niet van hem persoonlijk. Hij heeft ooit een model schoenen in een beperkte oplage uitgebracht, wereldwijd zijn er maar 273 paar van. Dat was om te vieren dat hij 273 weken op nummer één had gestaan, toen een record. Wel, ik heb een paar van die schoenen bij ons thuis staan, met certificaat en al. Heel exclusief. Dat vind ik cool.”

Draag je die schoenen soms?

“Natuurlijk niet, dan worden ze vuil! Ze zijn bovendien ook iets te klein. (lacht)

Wanneer besefte je voor het eerst dat je mensen voor jou kon winnen met humor?

“Waarschijnlijk in de kleedkamer van de voetbalclub. Voor of na een match deed ik weleens iemand na. Het probleem was dat ik al vrij snel aanvoelde dat de mensen me alleen interessant vonden als ik een mop vertelde – of beter: ik dácht dat ik dat zo aanvoelde. Ik praat ook al eens graag over andere, niet noodzakelijk grappige dingen – psychologie, communicatie, de dingen des levens – maar die kant van mezelf heb ik lang verborgen. Ik dacht dat men mij zou negeren als ik niets grappigs te zeggen had. Op die manier werd humor mijn schild.

“Nu kan ik dat beter kanaliseren. Ook dankzij Tine. Ik herinner me dat ze eens zei: ‘Waarom sta jij nu weer zo hyper te doen? Wees eens rustig.’ Ik voelde me eerst aangevallen, pas daarna besefte ik dat ze gelijk had. Als ik me vroeger ergens onwennig voelde, had ik de neiging om éxtra druk te staan doen. Tine is tien jaar ouder en herkende dat gedrag. Logisch, want zij had dat tien jaar eerder meegemaakt. Dat was een eye-opener. Ik weet nu dat ik niet altijd ‘aan’ hoef te staan. Het is ook niet vol te houden, want dan lopen mijn batterijen te snel leeg.”

Je vader is een Fransman, en je bent half in die taal opgevoed. Kun je in het Frans net zo goed anderen imiteren als in het Nederlands?

“Ik heb me er nooit op toegelegd, maar ik denk het wel. Ik ben opgegroeid met de muziek van Adamo, Michel Fugain en Didier Barbelivien – hun stemmen kan ik onderscheiden in mijn hoofd, maar ik ken hun oeuvre niet goed genoeg om hun typische woordenschat af te bakenen. Dat kan ik bij Willem Vermandere wél. Ik weet bijvoorbeeld dat ik hem het woord ‘schizofreen’ niet in de mond moet leggen, want dat zou hij nooit gebruiken.”

Hoe is je vader in Oostende terechtgekomen?

“Zoals er nu mensen vanuit Breda naar Antwerpen komen feesten, en omgekeerd, ging hij destijds op zaterdagavond vaak uit in Oostende. Daar heeft hij mijn moeder leren kennen in een dancing.

“Zij was leerkracht, en hij heeft zijn hele leven in een fabriek gewerkt. Ploegenarbeid, best pittig. Intussen zijn ze allebei al lang met pensioen.”

‘Ik ben nooit een drinker geweest. Aan één wijntje of één streekbiertje heb ik genoeg. Dat is vooral omdat ik me bijna altijd erger aan mensen die wél gedronken hebben.’

Op wie lijk je het meest?

“Ik heb het melancholische van mijn pa en het nuchtere van mijn moeder.”

Spreken die twee karaktertrekken elkaar niet tegen?

“Met nuchterheid bedoel ik: noest werken en altijd proberen met de voetjes op de grond te blijven. Het helpt mij ook om mijn melancholische neigingen te kaderen en duiden. Ik betrap mezelf er soms op dat ik sta te denken: ‘Hola, is het weer zover? Is het tijd voor een streepje melancholie, Laurent? Gaan we weer mee in die trip? Gaan we ons iets te hard wentelen in het verleden, ja? Oké dan.’

“Vroeger vond ik die melancholische kant vervelend, intussen heb ik hem een plaats gegeven. Ik vind het bijvoorbeeld heel tof om in of rond mijn vroegere school te wandelen. Of op het pleintje waar ik vroeger vaak ging spelen. De melancholie en de nostalgie komen en gaan bij mij, een beetje zoals de golfslag van de zee. Ik woon nu al zes, zeven jaar in Antwerpen, maar Oostende zal altijd in mij blijven zitten. (lachje)

Welke foute beslissing zou je, als je het allemaal opnieuw kon doen, toch weer nemen?

“Naar Antwerpen verhuizen, denk ik. Het leven van Tine en mij is de voorbije jaren zo snel veranderd: ik was eigenlijk al naar hier verhuisd voor ik er deftig over had kunnen nadenken. Wil ik hier wel komen wonen? Is dat een goed idee? Is er geen compromis te bedenken? Maar goed, haar oudste kinderen gingen hier al lang naar school. Je kunt die niet zomaar ontwortelen.”

Ik dacht dat je iets zou zeggen over je studententijd, die je eens de ongelukkigste tijd van je leven hebt genoemd. Ineens had je té veel vrijheid, en daar kon je niet mee om.

“Ja, maar dat had niets te maken met een foute beslissing. Als enig kind ben ik heel lang bij het handje genomen door mijn ouders, met de beste bedoelingen, natuurlijk. En toen ik ineens werd losgelaten, bleek ik daar niet klaar voor te zijn. Maar ik kan moeilijk denken: ‘Ik had op mijn 16de godverdikke zelfstandiger moeten zijn!’ Zo werkt het niet.”

Voor een van de songs op Ongehoord heb je je laten inspireren door Gorki. Enkele maanden vóór zijn dood had je Luc De Vos leren kennen. Welke herinnering koester je aan hem?

“Onlangs besefte ik dat hij er al bijna vijf jaar niet meer is, en daar ben ik echt van geschrokken. Luc was rock-’n-roll. Hij zag er altijd wat verwaaid uit, maar dat kon hem niets schelen. Hij was een beetje timide en onzeker ook, en te allen tijde in staat om enorm grappig uit de hoek te komen. Hij had van die ondeugende pretoogjes, en hij was ook een soort Peter Pan die nooit helemaal volwassen geworden is. Hij was de oudere broer die ik nooit heb gehad. (denkt na) Ik stel me erbij voor dat hij me wel wegwijs zou hebben gemaakt in het caféleven, als we samen waren opgegroeid. ‘Hey, meisje, meisje, geef mij ne keer een stok, ik ga biljarten met mijn broere.’ Ik hoor het hem zo zeggen.”

Nu je het zegt: ook in Luc De Vos zat een combinatie van melancholie en nuchterheid.

(knikt) Misschien herkende ik mezelf daarom zo in hem. Met dat verschil dat ik mijn melancholische kant onder controle houd door vaak te gaan sporten, en dat hij dat deed met dingen en substanties die hem op termijn jammer genoeg fataal zijn geworden. (snel) Maar daar weten we natuurlijk het fijne niet van.”

Jij bent helemaal geen drinker.

“Nooit geweest. Aan één wijntje of één streekbiertje – glutenvrij, als het kan – heb ik genoeg. Even van de smaak genieten, en daarna weer water. Dat is vooral omdat ik me bijna altijd erger aan mensen die wél gedronken hebben. Sommigen zijn dan jolig en tof, maar de meesten zagen en lallen, en zo wil ik zelf niet overkomen. Bovendien zit ik niet graag op de blaren: sporten met een kater is niet leuk. Maar ik oordeel niet. Als andere mensen graag lallen, moeten ze dat vooral doen.”

Hoe wil jij later, na je dood, eigenlijk herinnerd worden?

“Als iemand die sociaal, loyaal en eerlijk is. Als iemand die doet waar hij voor staat, en dus niet te vaak wil pleasen. Als een goede papa en een goede echtgenoot. Al de rest is minder belangrijk. Ik wil eventueel ook herinnerd worden als verdienstelijk voetballer, tennisser en imitator, maar ik kan op mijn grafzerk moeilijk zetten: ‘Lees zijn cv op Wikipedia.’”

Wat dan wel?

‘Vamos’, misschien? (lachje) En dan bij elke letter weer een woordje uitleg. (denkt na) Verliefd, Altijd paraat, Mama’s kindje, Oostende, euh, ik zeg maar iets... (blaast) Ja, weet ik veel! Ik hoop in de eerste plaats dat ik tussen nu en mijn sterfdag nog keihard mag evolueren als persoon. Wie een definitief antwoord kan formuleren op zo’n vraag, is ofwel aan het einde van zijn leven, ofwel een heel saaie mens.”

Ongehoord komt op 8 november uit bij PIAS.

© Humo

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met De Morgen?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van De Morgen rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234