Donderdag 24/10/2019

Boeken

Gevild en gevierendeeld: executies door de eeuwen heen ★★★★☆

De executie van Louis XVI in 1793 in Parijs. Beeld INTERFOTO

Jonathan Moore schreef een zakelijke geschiedenis van de executie waarin bij de vleet wordt gespiest, opgehangen, voor de beesten geworpen en gevierendeeld. Tijd om een eind te maken aan die barbaarse doodstraf, besef je na het lezen.

Wie in de zestiende eeuw Londen binnenkwam via London Bridge, toen de belangrijkste toe­gangs­poort, kon er moeilijk naast kijken. Op staken tussen de kantelen stonden tientallen gespieste hoofden, om de bezoekers meteen te waarschuwen wat hen te wachten stond wanneer ze zich niet aan de wet hielden. De hoofden werden afgehakt, gekookt in een kruidenmengsel om ze minder lekker te maken voor de vogels en dan door de Keeper of the Heads op een staak gespiest. 

Het lijkt een rotjob, maar in Londen benijdde iedereen die keeper. Het was een baan met kost en inwoon en je kreeg er nog een pensioentje bovenop. En zwaar werk was het ook niet echt. De keeper moest alleen maar controleren of de hoofden nog wel stevig op hun staak zaten – Londense dames vonden het niet leuk wanneer er een rotte kop voor hun voeten belandde. En hij moest de versheid nagaan, natuurlijk. Als zo’n hoofd al te veel begon te stinken, gooide de keeper het in de Theems. Aan illustere hoofden die zo werden tentoongesteld is er trouwens geen gebrek. Sir Thomas More en Thomas Cromwell, eerste minister onder Hendrik VIII, behoren tot de bekendere.

Al zo lang er gemeenschappen bestaan, worden er mensen geëxecuteerd, schrijft de Britse historicus Jonathan J. Moore in Galg en guillotine. Een gemeenschap impliceert immers het bestaan van regels en regels kunnen pas afgedwongen worden wanneer er straf staat op het overtreden ervan. Wie de grootste overtreding maakt, moet dat bekopen met de grootste straf, de dood dus. Marsyas werd levend gevild omdat hij Apollo had uitgedaagd en Homerus beschrijft in zijn Odyssee al hoe iemand wordt opgehangen.

Executiespektakel

Zoals uit het verhaal over de Londense gespieste hoofden al bleek, was een executie ook altijd meer dan louter een straf. Er moest een voorbeeld gesteld worden en daarom dienden zoveel moge­­lijk mensen aanwezig te zijn bij het ter dood brengen.

Vooral de Romeinen bleken meesters in het opzetten van grootse executiespektakels. In menig amfitheater werden tijdens de pauze terechtstellingen uitgevoerd. Soms werden de veroordeelden bebloede kleren aangetrokken waarna een meute hongerige honden op hen werd losgelaten, andere keren gaf men er twee een zwaard, met de boodschap dat ze elkaar moesten proberen te doden. Degene die het overleefde, kreeg daarna een nieuwe tegenstander en zo ging dat door, tot er nog maar een over was die dan de genadeslag kreeg van een gladiator.

Keizer Claudius smulde ervan en ook Nero kon zo’n vertoning best smaken, al moet voor de eerlijkheid ook gezegd worden dat hij degene was die paal en perk stelde aan een paar uitwassen van het strafsysteem. Vanouds konden Romeinse burgers hun slaven met een vingerknip ter dood veroordelen. Hen stond dan de damnatio ad bestias te wachten, wat betekende dat ze vertrappeld werden door een troep paarden of verscheurd door wilde zwijnen. Geen haan die er­naar kraaide. In 61 n.Chr. maakte Nero een eind aan die willekeur. Een slaaf kon dan alleen nog door een rechtbank ter dood veroordeeld worden.

De beroemdste geëxecuteerde is ongetwijfeld Jezus Christus, een van de honderdduizenden mensen die de Romeinen kruisigden. Meestal gebruikten ze daarvoor trouwens niet het kruis zoals wij dat kennen uit het christendom, maar wel een brede plank of een X-vorm. 

Een luit­speler tussen gespieste hoofden op London Bridge. Beeld rv

Het christelijke lijdensverhaal zegt dat Jezus na zijn veroordeling gegeseld werd. Dat was de klassieke gang van zaken. Daarbij werd een spin van kettingen gebruikt met aan het einde metalen halve bollen. De beste geselaars gingen er prat op dat ze de ingewanden van de veroordeelden bloot konden leggen zonder dat deze aan hun verwondingen bezweken. Daarna kregen ze de dwarsbalk van het kruis, goed voor een kilo of dertig, op hun rug bevestigd en moesten ze die zelf naar hun executieplaats dragen. Daar werden ze naar boven gehesen, al dan niet vastgenageld, en achtergelaten tot ze dood waren.

Moore hanteert een nuchtere stijl in zijn boek. Hij beschrijft, maar oordeelt niet en hij wordt dan ook nooit sentimenteel, ook niet wanneer het bijvoorbeeld over de Holocaust gaat. Welk gas werd gebruikt, hoe werd het toegediend, hoe werkte het, na hoeveel seconden verloren de mensen in de gaskamers het bewustzijn en hoeveel later waren ze dood? Moore heeft een louter wetenschappelijke interesse. Mocht hij ooit zelf terechtgesteld worden, dan zou hij ongetwijfeld reageren als de Franse chemicus Antoine-Laurent de Lavoisier, die in 1794 tijdens de Terreur onder de guillotine terechtkwam.

Lavoisier vroeg zich af hoe lang een afgehakt hoofd nog bij bewustzijn blijft. Het verhaal deed de ronde dat zo’n hoofd van het executieplatform was gerold, op de grond onder de jurk van een mooie vrouw was beland, en ‘o la la’ had gezegd. Bijzonder ongeloofwaardig, vond de chemicus, die met zijn zijn vrienden afsprak dat hij met zijn ogen zou blijven knipperen nadat ‘de wraak van het volk’, zoals de guillotine ook wel werd genoemd, over hem was neergedaald. Op de dag van zijn executie zaten zij vooraan met een chronometer in de hand en zagen zij Lavoisier nog dertig seconden knipperen.

Het hoofdstuk over het Franse ‘nationale scheermes’ leest trouwens als een grote waarschuwing tegen iedere vorm van ideologische verdwazing. Tijdens de hoogdagen van de Terreur executeerde Charles-Henri Sanson in zes weken tijd 1.300 politieke tegenstanders van de revolutie. Robespierre had verkondigd dat iedereen die niet dolblij leek met die revolutie verdacht was. Politieke neutraliteit bestond niet langer en als je voor het gerecht gedaagd werd, bestonden slechts twee uitkomsten: vrijspraak of guillotine.

Op een bepaald moment waren er trouwens te weinig van dergelijke toestellen – of te veel veroordeelden, het is maar hoe je het bekijkt. In Nantes zijn toen 2.000 mensen in schepen geladen, waarna deze naar het midden van de Loire werden gemanoeuvreerd en tot zinken gebracht. Soms heb je geen oordelende auteur nodig om lessen te kunnen trekken uit de geschiedenis, en zijn de barre feiten voldoende.

Dat gevoel heb je na het lezen van Galg en guillotine trouwens ook wat de doodstraf op zich betreft. Ook al zijn er natuurlijk enkele historische anomalieën, toch zou je een lijn kunnen zien in de geschiedenis van deze straf. Waar men oorspronkelijk heel erg uit was op wraak en het lijden van de veroordeelde zo lang mogelijk wou rekken, sluipt geleidelijk aan het gevoel binnen dat ook een ter dood veroordeelde niet nodeloos moet lijden.

De oude Perzen waren er bijvoorbeeld gek op om een spies in iemands anus te steken en de ongelukkige te verplichten rechtop te blijven staan tot hij door zijn eigen gewicht die staak door zijn ingewanden zou drijven. In China was vanouds lingchi dan weer heel populair, wat ‘langzaam snijden’ betekent, en waarbij er kleine stukjes huid weggesneden werden tot het slachtoffer uiteindelijk bezweek.

Aan een touwtje

Zet daar William Marwood maar eens tegenover, de 19de-eeuwse Britse beul die vond dat het ophangen van mensen een stuk humaner moest kunnen. Bij ophanging kunnen immers drie dingen gebeuren. Ofwel is het touw te kort en sterft de gehangene een langzame verstikkingsdood die gepaard gaat met heel wat gespartel. Ofwel is het touw te lang en wordt het hoofd van het lichaam gescheiden door de kracht van de val, wat een heel erg bloederig tafereel oplevert. Ofwel heeft het touw de juiste lengte, waardoor de nek van de gehangene breekt en hij een onmiddellijke dood sterft. Marwood stelde een tabel op waarin gewicht en leeftijd van de gehangene gecorreleerd werden aan de lengte van het touw, zodat niemand nog een langzame of bloederige dood moest sterven.

Wereldwijd worden jaarlijks nog zo’n 2.500 doodstraffen uitgevoerd, schrijft Moore. Nogal wat hedendaagse methoden blijken echter pijnlijke mankementen te vertonen, pijnlijk vooral voor de veroordeelden. Schedels ontploffen op de elektrische stoel en bij sommige mensen pakt de chemische cocktail niet waarmee ze worden ingespoten, waardoor ze soms urenlang nodeloos lijden. Zonder dat Moore het ook maar ergens expliciet vermeldt, besef je dat hij vindt dat het zo stilletjes aan genoeg is geweest met die doodstraf. Wie Galg en guillotine uit heeft, zal hem daarin bijtreden.

Jonathan J. Moore, ‘Galg en guillotine, Executies door de eeuwen heen’, Davidsfonds, 256 p., 29,99 euro. Vertaald door Erika Venis. Beeld rv
Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met De Morgen?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van De Morgen rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234