Maandag 09/12/2019
LAS VEGAS (2014). Een mural met een reusachtige gehoornde hagedis. ROA: ‘Ik heb een fascinatie voor de uitzonderingen.’

Interview

Gentse straatkunstenaar ROA: ‘Ik spuit niet gewoon op muren, ik werk ermee samen’

LAS VEGAS (2014). Een mural met een reusachtige gehoornde hagedis. ROA: ‘Ik heb een fascinatie voor de uitzonderingen.’ Beeld ROA

Van een opengesneden varken in een leegstaande fabriek in Gent tot een gigantische dode alligator in de straten van Atlanta: de iconische, zwart-witte muurschilderingen van de Belgische straatkunstenaar ROA zijn over de hele wereld te zien. Nu wordt zijn oeuvre ook in een boek vereeuwigd. ‘Achteraf denk ik: beestig! Je voelt dat je nuttig bezig bent geweest.’

Ergens in de herfst van 2009 werden de bewoners van een huis in de Londense wijk Shoreditch opgeschrikt door de deurbel. Op hun drempel stond een verlegen Gentenaar, met een simpele vraag: of hij misschien iets op de muur van hun huis mocht schilderen? In zijn schetsboek toonde hij een tekening van een eekhoorn, een diertje dat even typisch is voor Londen als de rode dubbeldeksbussen of de beroemde telefoonhokjes. Hij zou het gratis doen. Waarom niet, dachten de bewoners, en dus keerde de Gentse kunstenaar straks terug om die dode muur, op de hoek van twee straten, met enorme eekhoorn op te fleuren.

ROA aan het werk. ‘Ik heb als kind nog skeletten verzameld. Ik sta heel dicht bij het kind in mezelf.’ Beeld RV Lannoo

Het is een van de verhalen die de anonieme straatkunstenaar ROA typeren, en een van de verhalen die staan opgetekend in Codex, het boek dat hij nu uitbrengt. Een boek waarin het verhaal van ROA, “evenzeer een project als een persoon”, wordt verteld: met een aantal teksten van filosofen als Johan Braeckman en straatkunst-aficionado’s als RJ Rushmore, maar vooral met beelden. Foto’s van de muurschilderingen die hij in zijn loopbaan, die al dik tien jaar duurt, maakte. Sommige zijn klein, nauwelijks groter dan een persoon. Andere zijn immens, op muren van 50 meter hoog of 50 meter breed. Maar altijd zijn het dieren, getekend en geschilderd in haarfijn zwart-wit, vaak in onnatuurlijke poses en in een gruwelijke toestand: dood, gevild, in staat van ontbinding, met skeletten of hun organen ontbloot.

Hoeveel muurschilderingen hij al heeft gemaakt? “Dat weet ik niet echt”, zegt hij, als we hem ontmoeten in een Antwerpse galerie waar zijn werk wordt tentoongesteld. “Het zijn er zeker meer dan 1.000. Een van de grote problemen met dit boek was het maken van de juiste selectie. Kill your darlings. Het boek telt 350 pagina’s, maar het konden er ook 750 geweest zijn. De werken die erin staan, zijn maar een fractie van alles wat ik heb gemaakt.”

ROA is een fenomeen. Dat hij uit Gent komt, is algemeen bekend, en wie met hem praat, hoort het ook aan zijn sappige tongval. Maar verder is er, op zijn imposante oeuvre na, maar weinig informatie over de kunstenaar naar buiten gekomen. Hij is gesteld op zijn anonimiteit, maar niet ‘zoals Banksy’, niet ‘op een mythische manier’. “Anoniem zijn is gewoon leuk”, zegt ROA. “Die zelfgeobsedeerde personencultus van sommige mensen, die alles willen tonen wat ze eten en wat ze zien, ik begrijp dat niet. Het interesseert me niet. Ik vind het leuk om mezelf privé te houden. Omdat het niet over mij gaat, maar over mijn werk.”

BANGKOK (2016). ROA goes local: in Gent zul je geen olifant tegen­komen, maar in de Thaise hoofdstad zijn ze op hun plaats. Beeld ROA

Dat werk is te zien over de hele wereld. Van een brug­hagedis die zijn eigen staart opeet in Dunedin, Nieuw-Zeeland, tot een beer en bizon die op elkaar liggen in Montréal, Canada; van een afgerukt paardenhoofd in Santiago, Chili, tot twee vliegende eekhoorns in Seoel, Zuid-Korea. Uit Codex, dat als een ouderwetse atlas in vier continentale hoofdstukken is opgedeeld – Eurazië, de Amerika’s, Afrika en Oceanië – blijkt dat ROA zowat elke uithoek van de wereld heeft bezocht, en er iets van zichzelf heeft achtergelaten. “In ROA komen al mijn interesses en hobby’s samen: dieren, reizen en graffiti.”

Skeletten

Waar begint het verhaal van ROA? Misschien wel al in zijn prille puberteit. “Ik ben héél lang geleden begonnen met graffiti te spuiten, toen ik een jaar of dertien was”, vertelt de kunstenaar, die vandaag begin de veertig is. “Ik experimenteerde met spuitbussen op muren. Toen ik begon, had ik een heel helder beeld van wat mijn werk moest zijn. Graffiti had eigen regels – een outline, dikke letters, een 3D-effect... Maar met ouder te worden, begin je anders te denken. Over het feit dat je op muren werkt, bijvoorbeeld. En ik zag dat mijn schetsen beter waren dan de graffiti die ik spoot. Dus ben ik eerst meer schets­matig beginnen spuiten: vuiler en ruwer. Door dat te doen, kwam ik tot resultaten die me weer meer ideeën gaven.

“Toen ik eind de twintig was, is er iets veranderd. Toen is alles samengekomen. Ik ben in wit en zwart beginnen schilderen. Ik ben meer schets­matig gaan werken. Ik ben me op dieren gaan focussen. Ik ben grotere muren beginnen uitkiezen. En ik ben met die muren gaan samenwerken, in plaats van er gewoon iets op te spuiten. Mijn hele ‘filosofie’ is op dat moment samen gekomen, op een heel organische manier. Ik heb mezelf daardoor verbaasd. En op die manier heb ik veel inspiratie gekregen. Opeens had ik een eigen stijl.”

Dieren werden essentieel voor die eigen stijl. Het is een fascinatie die de kunstenaar al lang met zich meedraagt. “Ik heb nog skeletten verzameld als kind - dat heeft er dus altijd al ingezeten. Ik sta heel dicht bij het kind in mezelf. Ik houd me nog altijd bezig met dingen die ik als kind deed. Want dieren tekenen, dat is toch iets dat je als kind doet? Veel mensen waren creatief als ze klein waren, en laten dat los als ze volwassen worden. Ik heb dat nooit losgelaten. Ik ben altijd creatief geweest. En creatief gebleven. Ik ben gewoon een groot kind.”

Wie de gedetailleerde tekeningen bekijkt en ROA’s haast chirurgische precisie voor anatomie bewondert, zou bijna durven vermoeden dat de man een opleiding biologie of diergeneeskunde heeft gevolgd. Het is een vermoeden dat ROA ontkent. “Ik heb niet zoveel gestudeerd. (lacht) Maar aan elk dier dat ik schilder, gaat er zelf­studie vooraf. Ik teken geen dingen letterlijk na, maar ik moet wel in de geest van dat dier kruipen, die anatomie helemaal kennen, om de juiste posities te kunnen tekenen. Dat moet allemaal kloppen. Het moet juist zijn. Mijn tekeningen hoeven niet op school gebruikt te worden, maar het zou wel kunnen. Al zijn er natuurlijk artistieke toevoegingen die ik zelf doe. Kleine vervormingen, om er mijn eigen dier van te maken.”

Die vervormingen zijn vaak van gruwelijke aard. Veel van ROA’s dieren zijn levenloos, en vaak zijn ze een gruwelijke dood gestorven. Soms zijn ze gevild, en zie je de spieren onder de huid; soms zijn de karkassen volledig ontbonden en zie je enkel nog een skelet. Daardoor zijn de kunstwerken van ROA niet voor elke toeschouwer even verteerbaar.

Gordeldieren

“De street­art­festivals vragen mij niet meer”, zegt hij, schouderophalend. “En als ze mij vragen, hoor ik: we houden van je werk, maar liever geen bloed of skeletten of gevilde dieren. Ze hebben liever iets vrolijkere beelden.”

GENT (2010). ROA; ‘Ik heb altijd op ‘non-plekken’ geverfd, zoals verlaten fabrieken, waar ik kon experimenteren.’ Beeld ROA

Eveneens essentieel voor ROA’s filosofie: hij tekent enkel ‘lokale’ diersoorten. In Gent zul je geen olifant tegenkomen, integendeel: zijn voorliefde ligt bij meer onbekende, onbeminde dieren. “Ik heb een fascinatie voor de kleinere, rare dieren, voor de uitzonderingen die bestaan in het dierenrijk. Buideldieren, gordeldieren, pangolins – die soorten.”

Een leeuw of een tijger vind je niet snel terug in zijn oeuvre. “In Miami heb ik wel een poema gedaan. Maar meestal schilder ik planten­eters.

Katachtigen zijn snel kitsch. Ik heb de keuze gemaakt om niet de meest voor de hand liggende dieren te schilderen. Geen wolf, geen tijger, geen olifant, geen leeuw. Mensen vragen me dan: waarom schilder je een konijn op onze muur? Je kunt hier toch ook een aap schilderen, waarom dan een konijn? Of waarom een duif? Zo’n dom beest? Maar dat zijn dieren die net zo goed in die steden passen, die zich aan die omgeving aanpassen. Maar natuurlijk, toen ik dan in Afrika mocht werken, heb ik er wel voor gezorgd dat ik daar een neushoorn kon schilderen. En een olifant.”

Exorcisme

Lang voor die neushoorn en die olifant in Afrika was er een open­gesneden varken, op een vervallen muur in een vergeten deeltje van Gent. Daar wordt zijn verhaal in een definitieve plooi gelegd: op de muren van leegstaande fabrieken. Muren waar niemand last had van zijn creatief talent.

Het woord ‘illegaal’ neemt hij niet graag in de mond, maar toestemming om zich uit te leven op die muren, had hij in die tijd niet. Het is meteen nog een verklaring voor zijn keuze om anoniem te blijven. “Als er iemand niet content is met je werk en zijn muur wil laten overschilderen, en ze hebben je gepakt, dan moet je die hele gevel betalen. Het was gewoon interessanter om anoniem te blijven. Zelfs die leegstaande fabrieken: dat is mijn eigendom niet, uiteindelijk. Het blijft inbraak. Ik zie het niet als illegaal, maar eigenlijk ‘mag’ het niet.

“Je moet ermee weg geraken. Dus ofwel doe je het ’s nachts en loop je meteen weg, ofwel doe je het op een plaats waar niemand je ziet staan en waar het eigenlijk niemand iets kan schelen dat je op de muur verft. Dus ik heb altijd op ‘non-plekken’ geverfd, waar het niemand iets kon schelen en waar ik eender wat kon doen, waar ik me kon uitleven. Ik pakte mijn fiets en mijn spuitbussen, ik reed naar een verlaten fabriek en ik verfde. Ik kon me afreageren op die muren. Het was een soort exorcisme, een therapie. Een leegstaande fabriek is een oase van rust. Er is daar niets, niemand, op wat krakers en junkies na, misschien. Iedereen laat je daar met rust. Er zijn alleen wat vogeltjes die je hoort. Die fabrieken waren mijn schetsboek: ik kon daar experimenteren, en als het resultaat niet goed was, was er toch niemand die het zag.”

Achterlaten

ROA lijkt niet lang stil te staan bij wat er met zijn muren gebeurt. “Als graffiti­artiest of muur­schilder héb je je werk niet. Het enige wat je hebt, is de foto die je ervan maakt. De rest laat je achter. Of mensen het dan zien of niet, doet er niet zoveel toe. Op het moment dat ik iets afwerk, neem ik er afscheid van. Ik steek er al mijn passie, mijn frustratie in. Maar als ik ermee klaar ben: basta. Dan is dat werk niet meer van mij. Dan is het een deel van de straat. Er is maar één onnozelaar met een spuitbus of een pot verf nodig om mijn werk te vernietigen.”

LONDEN (2009). ‘Mensen vragen: waarom schilder je een konijn op onze muur, of zo’n domme duif? Maar die dieren passen net zo goed in die steden.’ Beeld ROA

De foto’s die van muurschilderingen worden genomen, lijken een persoonlijk aandenken. Maar ze zijn veel meer dan dat. Toen het internet doorbrak, begonnen mensen foto’s van hun werk daarop te delen.

“Ik kon opeens graffiti’s zien die een dag eerder in São Paulo, Mexico of New York waren gezet. Er was altijd al een grote graffiti­community, ook voor het internet, maar opeens gingen de deuren open. Op het gebied van communicatie, en qua mogelijkheden om je werken te tonen. Op het internet begonnen die muren een eigen leven te leiden. Uiteindelijk ben ik ‘ontdekt’ op internet. Omdat mensen foto’s van mijn werk zijn beginnen te posten en te delen. Andere mensen legden de linken met werken die ik toen al in het buitenland maakte, op mijn reizen.”

Een Facebook-pagina of Instagram-account heeft ROA nooit gehad. “Maar op den duur ontstaat er een gemeenschap van mensen die dat voor jou cureren. Dan zie je dezelfde werken die altijd terugkomen. Als je op het internet naar ROA zoekt, betwijfel ik of je mijn verhaal gaat kennen, of je mijn verhaal gaat begrijpen. Dit boek maakt dat verhaal veel duidelijker, denk ik.”

Gevallen soldaten

Uit dat verhaal blijkt dat ROA de relatief kleine tekeningen op verlaten fabrieks­muren al snel inruilde voor grotere ambities. Ambities waar hij wel ‘toestemming’ voor nodig had. Ambities die mensen uit de straatkunstgemeenschap in New York en Londen konden helpen waarmaken.

“Ik was het beu om altijd op hetzelfde niveau te werken. Ik gebruikte al ladders, stokken en verf­rollers om buiten de proporties van mijn lichaam te werken. Ik was daar redelijk snel mee. En als ik in New York of Londen ging schilderen, liet ik daar echt al grote werken achter. Een gigantische eekhoorn, bijvoorbeeld. Toen is alles heel rap gegaan.

“Ik vond dat de max. Van die fabrieks­muren die niemand zag naar gigantische beesten in de stad. Ik had een ongelooflijke drive. Elke grote muur die ik zag, wilde ik verven. Op de dag dat iemand me een lift aanbood, heb ik dat meteen gedaan.” De enorme, op zijn rug liggende alligator in Atlanta, waarvan de staart op de brandtrap rust, is maar een van de vele getuigen van ROA’s evolutie. “Als ik zo’n grote muur zie en achteraf besef dat ik de tekening daarop heb geschilderd, denk ik: beestig. Je voelt dat je nuttig bent, op een bepaalde manier.”

ATLANTA (2011). ROA: ‘Als muurschilder héb je je werk niet. Er is maar één onnozelaar met een pot verf nodig om mijn werk te vernietigen.’ Beeld ROA

In Codex wordt dat nut mooi geïllustreerd, met een verhaal over Salton Sea in Californië. “Dat is een groot meer, waar in de jaren 80 heel veel pesticiden werden gebruikt. Nu is dat meer helemaal verzilt. Een ecologische ramp. Niets kan daar nog leven. Rond het meer ligt een korst van dode vogels en vissen. Het stinkt er ongelooflijk. Het is een apocalyptische plek, een omgekeerde oase. Daarvoor was het een paradijs, een populair strand bij feestvierders uit LA, maar na die ramp is iedereen daar weggetrokken, op een paar mensen na, die de middelen niet hadden om te verhuizen.”

Pisplaatsen

Tot kunstenaars als ROA er weer naartoe trokken. Op een verlaten woonwagen schilderde hij er een vissen­karkas. Nu wordt de plaats steeds populairder voor kunstenaars. Het leven komt terug. “Ik noem dat ‘pisplaatsen’, zoals van die straatjes waar iedereen gaat pissen en zijn vuiligheid stort. Maar als je daar een schilderij maakt, verandert die plaats. Dan blijven er mensen stil­staan, maken ze er foto’s van. Dat ‘pis­plaatske’ wordt een plek die iedereen waardeert. Dat is mooi, als je iets kunt toevoegen aan een plaats die helemaal kapot is, als je die plek weer een nieuw leven kunt geven. Nu komen er weer mensen naar Salton Sea.”

Dat een dode vis nieuw leven brengt, lijkt ironisch. Maar wat er is gebeurd in Salton Sea, is een mooi en toepasselijk hoofdstuk in het ROA-verhaal. Vaak schildert hij dieren die in de verdrukking worden gedrongen door de destructieve kantjes van de mensheid. Het is niet vergezocht om in ROA’s werk een ecologische betekenis te zien, een waarschuwing over het leven en de schoonheid die door de menselijke evolutie de nek wordt omgewrongen.

“Mijn werk gaat daar zeker over, op een bepaalde manier. Het is een soort monument voor gevallen soldaten. Of soldaten die bijna gaan vallen, omdat er heel veel diersoorten verdwijnen. Door dieren te schilderen, kun je meer vertellen over mensen en de maatschappij waarin zij leven, zonder dat het een Greenpeace-pamflet wordt. Maar ik wil niet oordelen. Mijn werk is niet betuttelend, het is geen opgestoken vingertje naar de wereld. Ik maak gewoon een soort notitie van de tijd waarin we leven”, besluit hij.

“Ik ben niet hoopvol. Ik denk dat de wereld niet gered gaat worden. Ik denk dat de mens zichzelf kapot gaat maken, en dat er ondertussen heel veel andere soorten zullen uitsterven. Ik denk niet dat we slim genoeg zijn om dat nu nog om te draaien. Dus ik probeer de wereld niet te redden. Ik probeer gewoon iets te vertellen over die wereld, die ik inspirerend vind. En prachtig. Ik probeer aan die wereld nog iets toe te voegen. Zodat ik mezelf ook een beetje waardevol vind. En iets nuttigs doe met de dagen die ik heb op deze aardbol.”

ROA en Ann Vanhulle, ROA Codex, Lannoo, 352 p., 65 euro. Verschijnt op 3 december.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met De Morgen?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van De Morgen rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234