Zondag 16/06/2019

Festivalitis

Gent Jazz, dag 4: failliete babyboomers, de geest van Coltrane en furieuze stilte

Soms klonk Hudson wel zo machtig als de rivier waarnaar de band zich heeft vernoemd, maar helaas gebeurde dat pas aan het eind. Beeld Bas Bogaerts

Dag vier van Gent Jazz was een kuitenbijter: voer voor de ware jazzcats. Headliner Hudson bleek voor het grote publiek de hindernis te veel, maar een ontketende Chico Freeman en een bedachtzame Brad Mehldau (allebei ★★★★) zorgden wél voor vuurwerk. Op het zijpodium dwaalde dan weer de geest van John Coltrane rond. 

Noem ons gerust traag van begrip, maar gisteravond op Gent Jazz daagde het ons weer waarom we jazz zo cool vinden: je kreeg nooit één versie van een track te horen, maar altijd minstens een handvol interpretaties, en op de beste momenten zelfs zevenendertig variaties. Er was altijd wel een plan of een partituur, maar meestal belandde dat al snel in de vuilnisbak en mochten de geesten lang en breed uitwaaieren.

Dat houdt natuurlijk risico’s in, en gisteren liep het ook wel eens mis. Hudson (★★☆☆☆), een supergroep met onder meer de 75-jarige ex-Miles Davis-drummer Jack DeJohnette, gitaarvirtuoos John Scofield en toetsenwonder John Medeski, joeg vooral mensen naar de bar of naar huis. Het probleem? Dit was de eerste show van hun Europese tour, en de bandleden vonden elkaar nog niet. Hoe meesterlijk ze ook speelden, ze liepen elkaar te vaak voor de voeten in hun odes aan de jaren 60. Vooral DeJohnette, de spil van dit gezelschap, leek er niet echt bij met zijn gedachten, getuige de wel erg aarzelende aanzet van Jimi Hendrix’ ‘Wait Until Tomorrow’, en zijn lichtjes pijnlijke zang in ‘Castles Made of Sand’, ook van Hendrix, en de eigen compositie ‘Dirty Ground’.

Tokkelen op de ruggengraat

Soms klonk Hudson wel zo machtig als de rivier waarnaar de band zich heeft vernoemd, maar helaas gebeurde dat pas aan het eind, toen de tent al akelig leeg oogde. In het voorlaatste nummer zat een goddelijke bassolo van Scott Colley – het leek wel alsof hij op onze ruggengraat tokkelde. Ook de bis, ‘Woodstock’ van Joni Mitchell, aangekondigd als hét babyboomersnummer, was raak.

Scofield liet zijn gitaar zingen, en Medeski drapeerde er prachtige pianolijntjes én een donkere bromtoon over. Het droeg de broeierige belofte van de sixties in zich, toen de revolutie elke dag om de hoek loerde. Too little, too late: de sfeer op het podium – de heren amuseerden zich duidelijk in het latino getinte ‘El Swing’ – was amper voorbij de frontstage geraakt, met als dieptepunt ‘A Hard Rain’s A-Gonna Fall’, een moeilijk te doorgronden Bob Dylan-interpretatie. Trek hier gerust zelf uw conclusie over ‘het failliet van de babyboomgeneratie’.

Chico Freeman Plus+Tet Beeld Bas Bogaerts

Duizelingwekkend palet

Het contrast met Chico Freeman Plus+Tet (★★★★☆) kon niet groter zijn: de 68-jarige saxofonist met diamantjes in zijn oor ging in opener ‘Black Inside’ meteen voluit met een solo die uitmondde in een complexe, maar swingende groove. Zo ging het de hele avond door: de hele jazztraditie staat in Freemans DNA-streng gegraveerd en hij slaagde erin die, inclusief de taaiste stukken, aan het brede publiek te slijten, zonder grote toegevingen. Eenvoudig klonk zijn band nooit, maar hij bezondigde zich ook geen moment aan moeilijkdoenerij. Neem ‘Elvin’, een ode aan Coltrane-drummer Elvin Jones: fenomenaal wat drummer Rudy Royston daar allemaal aan tempo’s uit zijn kit kreeg.

Maar de grootste ster was toch Freeman zelf, die een duizelingwekkend palet aan speelstijlen etaleerde: lyrisch en ingehouden, terwijl zijn band een bluesy nachtclubsfeer creëerde met een diep plukkende bas en een loungende piano. In ‘To Hear a Teardrop in the Rain’ eerst dwars schurend, en dan ineens lieflijk en melancholisch. Hij liet zijn instrument zelfs klinken als een contrabas, loeien als een sirene, piepen als een feedbackende versterker en pompen als een dancebeat (‘Blues Like’). Wedden dat Shabaka Hutchings groen uitslaat als hij dit hoort?

Magistraal was Freemans setsluiter, een eerbetoon aan pianist McCoy Tyner dat ruim tien minuten over tijd ging – een uitwaaierende jazzgeest stop je niet zomaar. Na een razendsnelle aftrap stuwde Freeman zijn band naar almaar hogere pieken met harde saxstoten en onverwacht opduikende solo’s, om te eindigen met gierende uithalen. John Coltrane keek vast goedkeurend toe vanuit zijn interstellaire stekje.

Orgastische sax

Het spook van Coltrane doolde ook de hele avond door de Garden Stage, de kleinere tent op Gent Jazz waar je het zweet van de muzikanten kunt likken. Contrabassist Sal La Rocca (★★★☆☆) speelde er met zijn kwartet (onder meer saxofonist Jeroen Van Herzeele) drie sets vol Trane-klassiekers en door hem geïnspireerd werk: gulle, gulpende bastonen, orgastische saxklanken en naar de hemel reikende melodieën in tracks als ‘Lonnie’s Lament’ en ‘Jupiter’. Fraai! 

Contrabassist Sal La Rocca Beeld Bas Bogaerts

Ook Too Noisy Fish (★★★☆☆), de afsluiter van de vierde Gent Jazz-dag, tackelde Coltrane. Of dat beweerden ze toch: een van hun nummers heette een bewerking te zijn van Missy Elliotts ‘Can’t Stop’, met een uitstapje naar ‘Giant Steps’. Kon ook een grapje zijn, want zowel de bindteksten als de tracks van dit trio (drummer Teun Verbruggen, bassist Kristof Roseeuw en pianist Peter Vandenberghe) bulkten van de ironie. Zo was ‘Fiercely Shaken, Not Stirred’ juist een heel subtiele song met minimale verschuivingen en ritselende geluidjes.

‘FUQ’ (frequently unanswered questions) kwam dan weer binnen zonder bellen en gooide de boel overhoop met gulzig over de randen klotsende, vet aangezette jazz. ‘FID’ (Frédéric in Doubt), pompte een soort oerkracht uit één enkele noot van Chopin, en ook ‘In Dust We Trust’ begon met een kleine pianomelodie, maar draaide allengs doller en doller, als een hond die in zijn eigen staart probeert te bijten. Fijn concert dat benieuwd maakt naar hun nieuwe plaat, Furious Empathic Silence.

Los en strak

Furieuze empathische stilte? Het had ook kunnen slaan op het Brad Mehldau Trio (★★★★☆), dat merkwaardig vroeg op de affiche stond. Afgaand op de volle tent was Mehldau, die het publiek in het Nederlands toesprak, de echte headliner. Begrijpelijk: de man die even makkelijk Bach interpreteert als Radiohead covert, betoverde met een concert dat losjes en strak tegelijk aandeed. Terwijl zijn band (drummer Jeff Ballard en bassist Larry Grenadier) compacte ritmes speelden, plaatste Mehldau er afgemeten plukjes piano tussen, melodieën op de vierkante millimeter.

Mehldau klonk altijd warm en toegankelijk, maar nooit gratuit: kleine, genadeloze versnellingen van de ritmesectie dreven de druk soms ondraaglijk hoog op, waarna Mehldau eerst nog even olie op het vuur druppelde, om dan te blussen met roezige deuntjes. Zoals ‘C Minor Waltz’, dat heel zwierig begon – kinderen wiegden spontaan mee – maar tien minuten later in een heel ander, veel grilliger universum eindigde. Wat een genot ook om die drie elkaars kleine gebaren te zien aangrijpen om weer iets heel onverwachts aan de mix toe te voegen – drummer Ballard deed nu eens denken aan een in de potten roerende topkok, dan weer aan een pingpongspeler die gemene effectballetjes slaat.

De twee ballads aan het eind, ‘Long Ago and Far Away’ en ‘I Fall in Love Too Easily’, vatten dit topconcert goed samen: minimalistisch én warm, traditioneel én uitdagend.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met De Morgen?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van De Morgen rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar info@demorgen.be.
© 2019 MEDIALAAN nv - alle rechten voorbehouden