Vrijdag 06/12/2019

Interview

Geert Van Rampelberg: "Ik heb nooit in eeuwige trouw geloofd, tenzij misschien helemaal in het begin”

Geert Van Rampelberg. Beeld Thomas Vanhaute

Hij is wekelijks te zien in De dag, maar vanaf dinsdag ook in Studio Tarara, een VTM-reeks waarin anno jaren 90 nogal wat wordt afgesnoven en -gezopen. Wij keren met Geert Van Rampelberg terug naar zíjn jeugdjaren.

Geert Van Rampelberg is alweer bezig aan opnames van Black Out, een serie over hoe België zonder stroom valt, maar eerst moet Studio Tarara nog op tv komen, een fictiereeks naar aanleiding van 30 jaar VTM. De serie speelt zich af op een bedje van drank en drugs, begin jaren 90 – ‘No, no, there’s no limit!’ – en in de eerste aflevering zie je Koen De Graeve dikke lijnen coke snuiven op het rad van het Rad van Fortuin. “Dat de dramareeks zich achter de schermen afspeelt van een comedy­programma, zorgt voor een mooi contrast”, vertelt Van Rampelberg. “Koen De Graeve speelt een acteur met een drank- en cocaïneverslaving; je volgt zijn val naar beneden. Ik speel de publieksopwarmer die met grote ogen kijkt naar de echte acteurs die de sketches mogen doen.”

Geert Van Rampelberg

• geboren in Sint-Joost-ten-Node op 11 juli 1975

• afgestuurd aan Studio Herman Teirlinck in 1998

• richtte in 1999 het gezelschap Olympique Dramatique op met jaargenoten Stijn Van Opstal, Tom Dewispelaere en Ben Segers

• bekend van films als Tot altijd (2012), The Broken Circle Breakdown (2012), De behandeling (2014) en Image (2014), en van series als Dubbel­leven (2010), Code 37 (2011), Chaussée d’Amour (2016), De infiltrant (2018) en De dag (2018)   

Een publieksopwarmer zit niet in hem, zegt hij. De acteur kruipt graag in een rol en treedt niet graag op als zichzelf. Maar misschien heeft hij wel wat van de gretigheid in hem waarmee zijn personage verlangt naar het echte acteurschap. Rond zijn twaalfde zat Van Rampelberg al op een filmset, als figurant. Een dorp verder dan het zijne waren ze toen een begrafenis aan het filmen in de kerk, voor Het sacrament van Hugo Claus. “Ik heb van ’s ochtends vroeg mijn ogen uitgekeken. Naar hoe ze alles opstelden, naar de imposante figuur die Hugo Claus was. Ook Jan Decleir, Ann Petersen en Marc Didden speelden mee. Ik vond het allemaal fascinerend.”

“Mijn vader was technisch ingenieur en mijn moeder werkte, voor ze huismoeder werd, in de sociale sector, maar theater was hun passie. Ze speelden allebei amateurtheater en mijn moeder regisseerde ook. Ik die over het podium loop, is een van mijn eerste herinneringen. Mijn ouders namen me vaak mee naar voorstellingen. Mijn goesting werd aangewakkerd door Romeo en Julia (1988) in een regie van Dirk Tanghe, met onder anderen Sien Eggers en Michael Pas. Allemaal jonge mensen vol energie die met alle regels braken van het brave toneel, op Italiaanse muziek van Umberto Tozzi. Die voorstelling heeft mij getriggerd.”

Van Rampelberg groeide op in de natuur van Asbeek, een gehucht van Asse in het Pajottenland. Vrijheid voor hem was de straal van 1 kilometer rond zijn huis, in de velden en bossen. Er lagen enkele huizen en boerderijen rond en iedereen liep bij elkaar binnen. Hij zat veel in zijn hoofd, in zijn fantasie, en op de fiets. Veldrijders als Roland Liboton nadoen in de modder. Dat, en sjotten. Als ze thuis puree met worst aten, kreeg hij er een half pintje bij in een smurfenglas van de Seca, het benzinestation. Zelfs toen hij nog maar acht jaar was, herinnert hij zich. Ja, echt. En nee, daar werd hij niet dronken van. Het waren andere tijden. Hij deed zijn eerste communie en ging elke week naar de kerk voor de stempel die je nodig had om je plechtige communie te mogen doen – daarna werd het minder.

Hallucinaties

Van Rampelberg werd nooit gepusht om te acteren; zijn ouders wezen hem hooguit in de juiste richting. Hij volgde al dictielessen, zat in de filmclub, zag de cultklassieker My Own Private Idaho (1991). Toen het vijfde middelbaar in Asse een verloren zaak dreigde te worden, zocht zijn moeder een oplossing. “Op het einde van het jaar zei ze dat ze een andere school had gevonden: ‘Misschien is de kunsthumaniora in Brussel meer iets voor jou.’”

Wanneer hij precies aanvoelde dat hij talent had, weet hij niet. Misschien weet je het nooit zeker. “Als je jong bent, vecht je al tegen onzekerheid die samenhangt met de leeftijd. In het eerste jaar Studio Herman Teirlinck zat ik constant met twijfel en angst – zij het spannende angst. Soms kon ik die overwinnen, andere dagen was ik een vogel voor de kat. In het begin had ik weleens last van trillende benen. Je zag ze door mijn broek heen bibberen, zo zenuwachtig was ik. Uiteindelijk leer je daarmee omgaan. Stilaan krijg je meer vertrouwen. Weet je wanneer je een goede voorstelling hebt gemaakt, al kan je niet altijd precies benoemen waarom. Dat is het magische aan theater. Na een tijdje begin je te variëren in je spel, voel je je vrijer. Zo verdwijnt de zenuwachtigheid wat, maar nooit helemaal.”

Beeld Thomas Vanhaute

Met medestudenten Ben Segers, Tom Dewispelaere en Stijn Van Opstal richtte hij in 1999 het theatergezelschap Olympique Dramatique op. Hun eerste succes was De krippel. Hadden ze voordien een topavond als ze voor dertig mensen mochten spelen, dan traden ze nu op voor grote zalen en in culturele centra. “Erkenning is belangrijk. En kritiek doet pijn. Altijd.”

Tot altijd. Swooni. The Broken Circle Breakdown. De dag. De behandeling. De infiltrant. Code 37. Het lijstje met films en tv-reeksen die lof kregen, is gelukkig langer. Niet dat alles lukt. Enkele jaren geleden speelde Van Rampelberg mee in een film van een Argentijn, een half fictief ecologisch docudrama, maar de man achter het project bleek een halve psychopaat te zijn die zijn vrouw ‘voor de film’ liet afslaan. “Een zware controlefreak. Beangstigend. Ik heb geleerd om meer mijn buikgevoel te volgen.”

Bij Studio Tarara zat alles goed. Fantastische sfeer, goede vrienden Koen De Graeve en Peter Van den Begin als medespelers, met Ruth Beeckmans had hij al een paar keer gewerkt. “Een ongelooflijke actrice, net als Janne Desmet.”

In de eerste aflevering zie je Koen De Graeve zich in een coma zuipen en snuiven. Nogal zelfdestructief, in al zijn decadentie. Hoe herkenbaar is dat voor Van Rampelberg? “Ik kan begrijpen dat mensen vatbaar zijn voor verslaving of zich daarin verliezen. Je zult maar op het verkeerde, zwakke moment in je leven troost zoeken in de nacht en daar zwaar in blijven hangen. Ik zal nooit beweren dat zoiets mij nooit zal overkomen. Ik heb veel dingen onderzocht. Gewoon omdat ik er nieuwsgierig naar ben.” Onderzocht? “Ik bedoel dat ik verschillende drugs heb geprobeerd, als een soort onderzoek. Als ik bijvoorbeeld een documentaire zie over sjamanen in Mexico, over ayahuasca (Zuid-Ame­ri­kaans geest­ver­rui­mend plantenbrouwsel, red.) of over wat psychedelische champignons of lsd kunnen doen voor psychiatrische patiënten, dan denk ik niet: dat ga ik niet doen. Dan wil ik dat juist proberen.”

“Ik denk dat blowen – of cannabisolie – mensen soms beter zou kunnen helpen dan pakweg slaappillen. Mensen hebben altijd al geneeskrachtige planten gebruikt, voor allerlei zaken. Alcohol is een sociaal aanvaarde drug, maar wel een stevige. Je ziet zelden twee mensen op elkaars gezicht slaan nadat ze een joint gepaft hebben. Al ben ik blij dat ik pas op mijn achttiende een joint heb gerookt. Als je zo stoned als een kanarie op school zit, kun je niets bijleren, op die leeftijd zijn je hersenen in volle ontwikkeling.

“Een paar jaar geleden heb ik ayahuasca genomen als een soort van ritueel dat twee dagen en twee nachten duurde. Echt gehallucineerd heb ik niet. Als ik ervaringen van anderen hoor, denk ik dat ik kleine dosis heb gekregen, maar het was een boeiende ervaring. De weken nadien voelde ik me energieker, rustiger en ik snapte plots dingen over mezelf: ah, misschien komt die onrust wel daarvan. Ik zag verbindingen die ik voordien niet zag, ik kon mezelf op een of andere manier geruststellen. 
Ik zat toen in een periode dat ik voor mezelf wat had uit te zoeken en ben toen ook met een psycholoog gaan praten. Hoe je zelf in elkaar zit en hoe de anderen in elkaar zitten, vind ik bijzonder interessant. Ik heb geluk dat mijn beroep vaak gepaard gaat met zelfonderzoek.”

Geert Van Rampelberg: “Ik heb al fijn op xtc en MDMA gedanst en gefeest.” Beeld Thomas Vanhaute

Hij benadrukt dat hij geen pleidooi houdt voor welk middel dan ook. “Ik vertel erover omdat je ernaar vraagt. Ik ben geen pleitbezorger. Maar van mij mag het debat eerlijker. Ik heb al fijn op xtc en MDMA gedanst en gefeest. Het roept een heel warm, liefdevol gevoel op voor de mensen met wie je op dat moment aan het feesten bent. Je voelt de muziek harder met je ogen dicht, je ziet de beats van de elektro bijna.”

In de jaren 90 was er veel xtc, dat weet hij, al was hij daar toen veel te jong voor. Hij heeft mensen te ver zien gaan. “Ik heb een vriend verloren aan drugs. Hij was zwaar verslaafd en heeft zichzelf van het leven beroofd. En ooit heb ik een gast zien vechten op de parking voor de fuifzaal. Hij had speed in zijn lijf en bleef maar rechtkomen, terwijl hij keer op keer werd neergeklopt. Afschuwelijk.”

Waardevol gevecht

“Op welk moment van je leven kom je iets tegen, van wie krijg je het, welke groep mensen hangt rond je, welke passies en interesses heb je verder? Dat speelt een rol in of je al dan niet een probleem krijgt. Heb je iets om voor te leven of zeg je op vrijdagavond: ‘Het is pas maandagochtend weer school en intussen: fuck it all’? Zo heb ik nooit in elkaar gezeten. Ik kom uit een warm nest. Als je je veilig en geliefd voelt als kind, zal dat bijdragen tot je geluk. Voor een ander deel is geluk aangeboren: niet iedereen krijgt de wapens om gelukkig te zijn, om verdriet om te buigen naar iets anders. Ik kan bovendien dankzij mijn beroep troost vinden in wat ik lees en zie.

Als vader hoopt hij later open gesprekken te kunnen hebben met zijn dochters, over roesmiddelen. Hij wil er zijn, als er iets is. Ze zijn vijftien en dertien, hij is alleenstaande vader van toen ze vijf en drie waren. “De moeder van mijn kinderen en ik zijn twaalf jaar samen geweest. De laatste jaren hebben we gevochten om bij elkaar te blijven. Een waardevol gevecht, maar we moesten uiteindelijk beslissen dat het beter was om uit elkaar te gaan, voor ons beider geluk en dat van onze kinderen. Toen zag ik dat als een mislukking, nu als een goede beslissing.”

Hij zag zijn kinderen vanaf dan zes dagen wel en negen dagen niet. Op de dagen dat ze bij hem waren, moesten ze ook naar school en reed hij ze op en af naar Leuven, vanuit Antwerpen. Nu doen ze dat zelfstandig met de trein. “Ik ben geen betere vader geworden, nee, van dat co-ouderschap. Ik was altijd al een verzorgende ouder. In het begin is het echt hard. Je mist momenten dat ze opgroeien. Maar ik heb ze moeten leren missen.

Beeld Thomas Vanhaute

“Het zijn fervente donderdagbetogers. Niet om niet naar school te gaan, wel om het gevoel van noodzaak en verbondenheid. Een paar zondagen geleden betoogden we op straat voor het klimaat. Mijn vriendin en haar kinderen waren er ook, net als mijn zus en haar kinderen, en zelfs mijn moeder. Heel fijn. Ik was er al wel wat mee bezig. Die Argentijnse film heb ik gemaakt omwille van de milieuproblematiek. Ik pak de fiets als ik in Antwerpen ben, en gebruik een elektrische scooter in Brussel met zo’n app. Ik ben geen overdreven vliegtuigpakker. Maar: ik heb een auto.

“Ik vind consequent zijn moeilijk. Tegelijk aanvaard ik dat ik soms wispelturig ben. Ik kan ellende zien op het journaal en me schuldig voelen, een sms krijgen, en binnen de seconde de tragiek van zonet vergeten zijn. Daarom vind ik het soms schijnheilig van mezelf, om ermee in te zitten. Ik kan me wanhopig voelen omdat het zo moeilijk is om ethisch met alles in orde te zijn. Maar ik wil er niet cynisch over doen en het positief benaderen. Ik vind niet dat jongeren die betogen alleen seitanpasta op hun boterhammen mogen smeren.”

Pornoboekjes

Is het een te verre sprong van klimaatbetogingen naar feminisme en de hashtag #MeToo? Wat met twee dochters in huis? “Ik voel bij mezelf een grotere voorzichtigheid, om een mop te maken. Zelf heb ik nooit iets zien gebeuren. Ik vind het vooral heel raar dat als je een nee krijgt van iemand, je blijft doorgaan. Als ik een vrouw zie van wie ik denk, wow, dan probeer ik misschien wel met haar te praten. Maar je merkt toch wanneer het niet gewenst is, en dan ben je toch zo snel mogelijk weg? Mannen die dat niet doorhebben, die moet je bijscholen en aanpakken – en voor de vrouwen geldt hetzelfde, natuurlijk.”

Hij legt de link naar zijn meisjes. “Ik hoop dat mijn dochters mondig genoeg zijn om te weten wat kan en wat niet, wat fout aanvoelt en wat goed. Tegelijk moeten ze alles zelf ontdekken. Wij waren vroeger veertien, vijftien jaar toen de Playboy, de Hot Lips en andere pornoboekjes rondgingen op school – dan mocht je die meepakken naar huis – en iedereen wist wat er dan gebeurde. Heel anders dan de jonge generatie die iets intypt op de telefoon en de goorste smeerlapperij te zien krijgt – of de geilste. (lacht) Sommige kinderen krijgen hun seksuele opvoeding via het internet en denken dat je een vrouw direct anaal moet nemen... en terwijl ik dit zeg, vraag ik me af of ik nu zo’n oude zak ben die zeurt over hoe het vroeger beter was.

“De vraag is ook of je dat moet bespreken. Ik weet niet of ik dat tof had gevonden, hadden mijn ouders gezegd: ‘Zeg, in verband met porno...’ ‘Waar komt gij nu mee af?’ had ik gezegd.”

Van Rampelberg was er laat mee, met die eerste keer vrijen. Op zijn achttiende. In een veld. Met een deken die hij uit zijn raam had gegooid toen hij uit zijn kamer ontsnapte. “Het was heel schoon. Romantisch, puberig, gepland. Met mijn lief in de humaniora. Ik had op school verteld dat ik geen maagd meer was. Ik wilde me groter voordoen dan ik was, uit onzekerheid, tegenover haar en anderen. Door de groepsdruk. Ik was een slungeltje. Achteraf heb ik toegegeven dat het voor mij ook de eerste keer was.” (lacht)

Zielige figuren

Geloofde hij toen in eeuwige trouw? “Ik heb nooit in eeuwige trouw geloofd, tenzij misschien helemaal in het begin. We worden al jaren doodgeklopt met eeuwige trouw, maar moeten stilaan toegeven dat dat bijna onmogelijk is. Dan ga je ervan uit dat je partner nooit meer iets zou kunnen voelen voor een ander, terwijl er miljarden mensen rondlopen. Ik pleit niet voor open relaties of de vrije liefde. Ik ben jaloers, als het over mijn vriendin gaat. Ik zou niet kunnen zeggen: ‘Allee, amuseer je vanavond.’ Wetend dat ze naar een ander zou gaan. Ik zou zot worden. Toch zijn we maar de beestjes die we zijn.”

Geert Van Rampelberg: “Samen een boeiend seksueel leven uitbouwen, is het schoonste wat er is.” Beeld Thomas Vanhaute

Zou hij liever hebben dat er tegen hem wordt gelogen? “Ik zou liever willen dat het tegen mij verzwegen wordt. Ja, echt. Als ik het niet weet, kan ik er toch mee leven? Het is iets anders wanneer je voelt dat de persoon met wie je bent, liever ergens anders is. Of al jaren een dubbelleven leidt. Maar als een van de twee met iemand anders heeft gevreeën, is dat dan per se een doodsteek voor de liefde tussen twee mensen?”

Ja, hij is al bedrogen. “Lang geleden en toen dacht ik al: merci, nu heb je het mij verteld en ben jij er vanaf, maar zit ik ermee.” En ja, hij heeft al iemand bedrogen. “Ik ben geen heilige. Maar ik denk dat je vooral moet zoeken naar de persoon naar wie je hart uitgaat en voor wie je veel liefde voelt. Samen een boeiend seksueel leven uitbouwen, is het schoonste wat er is. Seksualiteit is iets energetisch en stelt je in staat om zonder woorden aan te voelen dat alles oké is tussen twee mensen. Ze kan troosten en geruststellen en een extatisch gevoel bezorgen.”

“Mijn vriendin en ik hoeven niet met onze kinderen samen onder één dak te wonen. Dat idee heb ik losgelaten. Ik zie haar drie, vier keer per week, afhankelijk van wie waar aan het werk is. Zij gaat nu drie maanden in Zwitserland filmen. Ik zal haar af en toe bezoeken, met de fiets uiteraard. (lacht) Ik hoef niet meer alles tot in de puntjes uit te dokteren. Ik heb niets gepland. Ik zie wel, waar ik uitkom. Maar ik geloof echt wel in de liefde.”

Hij heeft al te vaak de titel ‘Ik ben een gelukzak’ boven interviews zien staan. “Ik ben op veel momenten gelukkig. Als ik lekker eet, ben ik altijd gelukkig. Ook vlees, ja. Ik heb gezegd dat ik inconsequent ben. (lacht)

“Ik ben gelukkig wanneer ik omringd ben door mensen die ik graag zie. Als ik in een mooie omgeving zit, met mijn kinderen, en mijn lief. (denkt na) Eigenlijk kan ik het niet, zeggen hoe het moet zijn, om gelukkig te zijn. Zo werkt het niet voor mij. Ik heb een redelijk gelukkige jeugd gehad, ik ben een redelijk gelukkig mens. Ben ik daarom een geluksvogel? Dat weet ik niet. Ik vind dat ik me goed aanpas aan verandering. Ik zal bijvoorbeeld nooit lang kwaad zijn op iemand. Wraak heb ik al lang geleden afgeschud.

“Ik ben in het derde middelbaar eens gigantisch in elkaar getimmerd. We keken naar Salaam Bombay!, een Indiase film, voor de 11.11.11-actie. Gasten achter me duwden een paar keer het gasknopje van een aansteker in, vlak aan mijn oor. Eerst had ik het niet door, tot er een lach volgde, en plots voelde ik een vlam. Ik zei dat ze me met rust moesten laten, maar zij gingen me pakken op de speelplaats. Terwijl ik daar mijn boterhammen stond op te eten, hebben ze de kleinste tegen mij geduwd en begonnen we te vechten. Ik was helemaal geen vechter, maar ik hád hem. Tot een andere jongen tegen mijn hoofd sloeg met een motorhelm. Knock-out. En ze zijn blijven stampen. Mijn handen waren gebroken. Alles was kapot.

“Toen heb ik zo’n kwaadheid en onmacht gevoeld. Ik moest naar het ziekenhuis en nadien bracht de directeur me naar huis. Mijn vader en ik gingen klacht indienen bij de politie. Wat later kwam de vader van die gast mijn moeder opzoeken, toen ze alleen thuis was. Hij bedreigde haar: ‘Madam, die klacht gaan we niet doen, hè.’ Mijn moeder vertelde dat hij naar de drank rook en dat zijn broek open stond. Zijn zonen stonden naast hem. Ofwel moesten we naar de rechtbank, ofwel moesten we het zo laten. We hebben het zo gelaten. Het waren zielige figuren. Als je in zo’n gezin opgroeit, krijg je geen eerste vijf gelukkige jaren die zo bepalend zijn, en word je geen gelukkig mens. Wie thuis kletsen krijgt, deelt ze zelf ergens anders uit – denk ik toch.”

Ik stel nog een paar te grote vragen. Over zijn grootste zwaktes, zijn grootste sterktes. Maar zo deelt hij zichzelf niet in. “Ik heb mezelf leren aanvaarden, als soms een goede mens en soms een slechte mens. Soms gelukkig, soms triest. Ik heb geen goesting om maar één kant te laten zien. Een sterkte is misschien dat ik de mensen rond me een goed gevoel wil geven, om ze te verzorgen. Een zwakte is misschien het te veel relativeren. Zoveel dat ik niet meer daadkrachtig ben. Tegelijk zit er een goede kant aan: ik hoef me niet constant te bewijzen. Werk is heel belangrijk, maar je bent zoveel meer dan wie je bent in je werk. We zijn hier niet zo lang, hè. Vorig jaar ben ik nog een goede vriend verloren.”

Beeld Thomas Vanhaute

Klein, blauw jongetje

Het idee dat het rap gedaan kan zijn, zit altijd ergens in zijn achterhoofd. “In het derde leerjaar ging ik met een vriend en zijn mama naar zee. Op het strand zagen we een vader die met zijn zoontje een tunnel had gegraven in een duin. Die tunnel zakte in terwijl dat jongetje er net was ingelopen. De ouders begonnen meteen te graven, en de Sea King landde al snel. Ze haalden een klein, blauw jongetje uit het zand. De vader stond daar, totaal verslagen. De moeder bleef hysterisch op hem slaan zonder dat hij zich verdedigde. Dat beeld is mij bijgebleven. Zo rap kan het gaan. Van een schone zomerdag in een flits naar de grootste tragedie. Later, in de auto, hoorden we op de radio dat het kind gestorven was onderweg naar het ziekenhuis.

“Ik herinner me hoe we achteraf een speelgoedje mochten gaan kiezen. Dat doe je als ouder, als er iets ergs gebeurt, je wilt dat de kinderen hun gedachten kunnen verzetten. Het is nooit een trauma geweest, maar het blijft me bij als een moment dat ik besefte hoe dun de lijn is tussen leven en dood. Ik denk dat ik daardoor bepaalde dingen echt kan relativeren. Doe je niet graag wat je doet? Stop er dan mee.

“Ik plan soms bewust een periode niets in mijn agenda. Ik kan moeilijk twee projecten combineren. Voor mezelf en mijn omgeving. Met Black Out filmen we veel ’s nachts, waardoor ik mijn dochters amper zie. Dan wil ik er nadien zijn voor hen. Vroeger dacht ik dat dat luiheid was, om niet te veel te willen werken. Nu weet ik dat mijn lijf en mijn hoofd dat niets doen nodig hebben. Ik ben niet zo gretig dat ik constant dingen moet creëren of bezig zijn. Ik vind de rust in mijn beroep minstens even belangrijk. Intens aan iets werken, er keihard voor gaan, en dan loslaten.”

Studio Tarara, vanaf dinsdag 12/2 op VTM.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met De Morgen?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van De Morgen rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234