Maandag 14/10/2019

Boeken

Frankrijk door de ogen van Sylvain Tesson en Joseph Roth

Joseph Roth was verliefd op de witte steden van Frankrijk en noemde Avignon zelfs "de witste stad van de wereld". Beeld Karel Duerinckx

Frankrijk speelt de hoofdrol in twee nieuwe boeken. Na een bijna dodelijke val besloot waaghals Sylvain Tesson een voettocht door eigen land te maken. Hij beschrijft zijn reis in Ongebaande paden. En in In het land van de eeuwige zomer doet de Joods-Oostenrijkse schrijver Joseph Roth verslag van zijn verblijf begin vorige eeuw in Parijs en in de witte steden.

De Franse avonturier Sylvain Tesson houdt het in zijn nieuwste boek nood­gedwongen dicht bij huis. Na een zware val trok hij langs godvergeten weggetjes, dwars door Frankrijk. Zo ontwikkelde hij een filosofie van de ongebaande paden. Een geestig verslag van een louterende vlucht uit de bewoonde wereld.

Twintig jaar lang stormde Sylvain Tesson (°1972) als een roekeloze maniak de wereld rond. Van Samarkand ging het naar Siberië en van Valparaíso flitste hij naar Ulaanbaatar. Om dan weer in een motorzijspan plaats te nemen en van Moskou naar Parijs te tuffen, in het kielzog van Napoleons terugtocht uit Rusland. Roetsjend langs de continenten verkeerde Tesson in een staat van "permanente overdrive", zo geeft hij toe.

"Voor mij was het ware leven zoiets als het dashboard van Siberische vrachtwagens: alle controlelampjes staan op rood, maar de truck ­dendert door en iedere Cassandra die midden op de weg stompzinnig staat te zwaaien om te waarschuwen dat er een ramp gaat gebeuren, wordt platgewalst."

Sylvain Tesson, 'Ongebaande paden. Een voetreis dwars door Frankrijk', De Arbeiderspers, 178 p., 18,99 euro. Vertaling Eef Gratama. Beeld RV

Manhaftigheid kreeg een nieuwe literaire dimensie bij Tesson, die vermetele schrijvers-reizigers als Ernest Hemingway, Redmond O'Hanlon, Paul Theroux of Bruce Chatwin tot broekventjes degradeerde. En zowaar, de man kon over zijn avonturen ook nog bijzonder pittig schrijven, met een joyeuze lichtheid van toon die hij van zijn vader Philippe Tesson ­meekreeg, ook al zo'n durfal en landenslokop met een rist boeken op zijn palmares.

Met Zes maanden in de Siberische wouden (2012), Tessons relaas over het leven in een blokhut aan het Baikalmeer, verwierf de Fransman wereldwijde faam. Hij liet zien hoe je het barre Siberische sneeuwlandschap en de eenzaamheid kunt trotseren. Met deciliters, ja zeg maar hectoliters wodka. Want Tesson bekent: "De afgelopen jaren had ik voor een heel leven gedronken en massa’s herinneringen met sloten wodka weggespoeld."

Tot hij onverwacht de rekening kreeg gepresenteerd voor alle stoerdoenerij. En zoals steeds stak het ongeluk in een klein hoekje. Niet op de steppen of een gevaarlijke bergpas, maar akelig dicht bij huis. Op 20 augustus 2014 tuimelde Tesson uit een dakgoot, nadat hij een chalet in Chamonix beklom. "Ik was in beschonken toestand van een dak gevallen omdat ik zo nodig de paljas uit moest hangen." De waaghals had de gewoonte om bij vrienden langs het raam binnen te dringen, na een zoveelste potje gevelklimmen. Nu liep het fout en belandde hij in een twaalfdaagse coma. "In acht meter was ik vijftig jaar ouder geworden."

Duiveluitdrijving

Als bij wonder overleefde hij de tuimelperte, maar met een verhakkeld lichaam, "een ingedeukte schedel, een slechte stoelgang, littekens in mijn longen, een ruggengraat vol ijzer en een misvormd gezicht". Tesson mocht voorgoed een kruis maken over zijn favoriete bezigheid: het alpinisme. Eén ding was zeker. "Het leven zou niet meer de pan uit swingen."

Maar een rusteloze ziel leg je niet zomaar aan de teugel. Tijdens talloze miserabele en doorwaakte nachten in het ziekenhuis, nadat ook nog zijn moeder overleed, deed Tesson zichzelf een belofte: "Als ik hier uit kom, ga ik een voettocht dwars door Frankrijk maken." Was het immers niet absurd? Je banjert de hele wereld rond, maar je eigen Indre-et-Loire of Provence-regio ken je amper. "Wanneer je zo'n val overleeft, is het alsof je een schuld moet aflossen tegenover het geluk dat je had", zo vertelde Tesson aan RTL.

Ongebaande paden is het verslag van deze duiveluitdrijving, van een gewaagde genezingsstrategie, met 'lopen als wondermiddel', slapen in de open lucht en het plukken van na­tuurweldaden. Een ultieme – alcoholloze – expeditie om zijn terugkerende fysieke vermogens uit te testen.

Maar het werd spoedig méér dan zomaar een therapeutische wandeltocht. Tussen eind augustus en november 2015 trok Tesson van de Tendapas in de Mercantour via de Cevennen en het Centraal Massief richting Cap de La Hague in Normandië. Gewapend met uiterst gesofisticeerde stafkaarten van het Institut National de Géographie volgde hij zoveel mogelijk woeste weggetjes en nauwelijks begaanbare paden. "Ik was net een larf, verzot op verborgen hoekjes", schrijft hij.

De onverschrokken stapper – zij het aan bejaardentempo – liet zich inspireren door een alarmistisch overheidsrapport. 'Daarin oordeelde een batterij deskundigen, dat wil zeggen specialisten van het nattevingerwerk, dat circa dertig Fran­se departementen tot het 'onderontwikkelde platteland' behoorden. Voor hen was het platteland niet een zegen maar een vloek: het rapport betreurde de achterstand van deze gebieden, die verstoken waren van internet, snelwegen of grote steden, of die het zonder winkelcentra en overheidsdiensten moesten stellen.'

Neoromanticus Tesson bestrijdt die visie en zingt uitgebreid de lof van het verweerde platteland, daarbij zoveel mogelijk asfalt en stads- en zelfs dorpskernen vermijdend. Hij beschouwt zijn tocht als 'een kans om te ontsnappen aan het foto-elektrische toezicht dat onze levens in zijn greep houdt'. Hij ambieert een verdwijntruc. Tesson is niets liever dan een vrije vogel die opgaat in het landschap. Leef in het verborgene, is een van zijn lijfspreuken, ontleend aan Epicurus. 'Leven leek me synoniem met wegwezen, weg van het koortsachtige stadsleven.'

Ronken onder de wijnranken

Struinend door het struweel, langs ravijnen, door wildernissen en labyrintische coulissenlandschappen of via beslijkte sluipweggetjes droomt hij hardop van een 'genootschap van ongebaande paden', de chemins noirs zoals ze in Frankrijk heten. Het zijn 'geheime passages die herinnerden aan het Frankrijk waar men nog te voet ging, het wegennet van een voorheen ­agrarisch land'.

Opnieuw ventileert Tesson luidop de geneugten van het alleen-zijn, als een verre echo uit zijn Siberiëboek (al krijgt hij nu regelmatig het gezelschap van een chaperonnerende wandelvriend). De clichés zijn daarbij niet veraf, gevat in bucolische taferelen. Nu en dan zit Tesson als een hedendaagse Pallieter aan een pijp in het wuivende gras te lurken of omhuld door de rookkringels van zijn cigarillo. 'Een Fransman die ligt te ronken onder de wijnranken', hij moet smakelijk lachen met zijn eigen karikatuur, intussen fulminerend tegen onze digitale afhankelijkheid. 'Was het leven mooier sinds het zich via schermen afspeelde?'

Sylvain Tesson in 2015. Beeld BELGAIMAGE

Toch heeft Tesson een scherp oog voor het veranderende Frankrijk, wat leidt tot pijnlijke diagnoses: 'Het platteland lag als een ziek oud vrouwtje te steunen op het bed van Frankrijk'. Hij stelt vast hoe fanatiek de mens de natuur afrastert en ­volplempt met verbodsborden. Hij beschrijft hoe het toerisme voort­durend fabeltjes creëert om een museale herinnering aan het platteland op te wekken, zoals bij de typische streekproducten waarmee de pr-jongens alle registers opentrekken. 

Of hoe ondoordacht de Franse urbanisatie tekeerging. Zie maar hoeveel hypermarchés, rotondes en zones industrielles het landschap in steeds grotere concentrische cirkels aantasten en de middenstand de nek omdraaiden. ‘Het landschap werd een weke, vreemde structuur, noch stad noch platteland, een matrix van gaten waartussen men heen en weer reed.’

Gretig citeert hij een voorspelling van Jean Cocteau uit 1951: 'Misschien is de vooruitgang wel een voortschrijdende vergissing'. Toch sluit Tesson de tegenstrijdigheden van 'het amalgaam' Frankrijk in zijn hart. 'Het onmogelijke Frankrijk was net als kalksteen: het resultaat van een verteringsproces.'

Af en toe gaat Tesson zich – als vanouds – te buiten aan stoer borstgeroffel. Dat hij stoutmoedig is en zijn hand niet omdraait voor spinnen, schorpioenen, wantsen of veldslangen pepert hij ons goed in. Zelfs als er duizendpoten in zijn bivakzak over hem kruipen, verroert hij niet. Ook zijn nostalgisch geschwärm neemt soms bizarre dimensies aan. Het gaat gepaard met uitbranders naar de mondialisering en onze drang naar wereldwijde circulatie en 'communicatie van universa'.

Waarom altijd de hort op?

Daartegenover plaatst de Parijzenaar (jawel) 'het platteland als principiële verzetshaard tegen deze algehele gekte'. Maar wacht even, was Tesson niet zelf een razende Roeland? Nu is hij gezwicht voor 'de beschamende ziekte van de nostalgie', ooit afgewimpeld als 'seniel gemekker van mensen die terugverlangden naar toen ze nog twintig waren'.

Zullen we deze oprispingen dan maar als accidents de parcours beschouwen? Beter in zijn element is Tesson als hij prakkeseert over de terugkeer van de wolf of over landschapsschilderkunst, de illusies van de Provençaalse blauwpaarse lavendelvlakten of zijn ongerijmde ontmoetingen schetst. Met bewonderenswaardige souplesse leidt Tesson de lezer door het Franse binnenland, subtiel verwijzend naar natuurschrijvers als Knut Hamsun of Hermann Hesse. Voor ons, behaaglijke armchairtraveller, geen doornen of bramenstruiken, hoge hekwerken of weerspannige runderen op ons pad. Ook Tessons relativerende humor (hij steekt zelfs regelmatig de draak met zijn geparalyseerde, tot grimassen veroordeelde tronie) is een verademing.

Natuurlijk past Ongebaande paden wonderwel in een nog steeds aan de gang zijnde hausse aan wandel- en natuurboeken. Stond Tesson niet mee aan de wieg van de opmerkelijke literatorentrek richting ongerepte natuur, met een dipsaus avontuur erbovenop? Sinds Rebecca Solnit en haar Wanderlust (2001) of Frédéric Gros met Wandelen, een filosofische gids (2011) kun je met stiltezoekers en wandelaars in Gore-Texoutfit de boekenplank plaveien. Vooral in de An­gelsaksische wereld tieren de terug-naar-de-natuurschrijvers welig, met als boegbeelden de bedaarde Brit Robert Macfarlane (De laatste wildernis en De oude wegen) en schrijvende schaapherder James Rebanks.

Tesson voegt alweer een verfrissend boek toe aan het genre. Hij smeedt wandelen om tot een daad van weerstand en stippelt 'een geestelijke vluchtroute' voor zichzelf uit. Voor het eerst vraagt hij zich af wat de zin is van zijn mondiale trektochten. 'Waarom je leven lang de hort op gaan? Wat levert je dat op? Herinneringen en heel veel stof.' Je kunt je ook in de beslotenheid van je tuin openstellen voor de wereld, zoals entemoloog Jean-Heni Fabre, die dertig jaar lang zijn nabije ­omgeving op insecten uitploos.

Is de vlam dan toch gedoofd bij Tesson? Zijn conclusie voorspelt een back to basics. 'Het gaat er in het leven om dat je de goede oogkleppen opzet.'

Joseph Roth-revival

Er school een hartstochtelijke francofiel in de Joods-Oostenrijkse schrijver Joseph Roth (1894-1939). In zijn zojuist vertaalde reportages over Frankrijk en zijn tochten langs de 'witte steden' strooit hij met glasheldere typeringen én journalistieke pienterheden.

Al een flinke poos heeft Duitse literatuur het moeilijker om tot onze contreien door te dringen. Toch mogen we de herontdekking van Hans Fallada, auteur van het magistrale Alleen in Berlijn, samen met die van Joseph Roth uitroepen tot dé literaire godsgeschenken van het laatste decennium.

De Roth-revival is voor een deel toe te schrijven aan de zelotenijver van gepassioneerd vertaalster Els Snick. Nadat Atlas Contact het hele oeuvre van Roth onder redactie van Elly Schippers in vertaling uitbracht, wierp Snick zich op het nog redelijk onontgonnen journalistieke en reportagewerk van het schrijvende drankorgel. Met succes. Want intussen zijn we toe aan de vierde bundeling Roth-teksten bij uitgever Bas Lubberhuizen.

Joseph Roth, 'In het land van de eeuwige zomer. Reportages uit Frankrijk', Bas Lubberhuizen, 240 blz., 19,99 euro. Vertaling Els Snick. Bart Van Loo en Els Snick stellen woensdagavond 7 juni (20u) in het MSK te Gent het boek voor. Beeld RV

In het land van de eeuwige zomer verzamelt zijn reportages en schetsen over Frankrijk, het land waaraan de tragische zwerfkat vanaf zijn eerste bezoek in mei 1925 zijn hart verpandde. Hij vond er een soort paradijs 'aan de andere kant van de schutting', een 'plek van de eeuwige nostalgie'. Parijs verrukte hem en wakkerde zijn door WO I zwaar op de proef gestelde joie de vivre weer aan. Parijs betekende 'vrijheid, geestelijkheid, in de edelste zin van het woord en sublieme, van ironie doortrokken pathos', aldus Roth. 'Iedere willekeurige taxichauffeur is geestiger dan al onze schrijvers bij elkaar.'

Maar uiteindelijk zou Roth in deplorabele omstandigheden op 27 mei 1939 in een Parijs' armenhospitaal sterven, volledig verteerd door de alcohol.

Aan de zijlijn

De schonkig ogende hotelmens Roth, met zijn indrukwekkende oeuvre waarin de Werdegang van een vermolmd Europa doorzindert, kon met een paar pennenstreken onnavolgbare personages neerzetten. "Een schrijver die als je zijn handen zou amputeren, desnoods de inkt uit zijn poriën zou laten gutsen", zo typeerde Erwin Mortier hem ooit treffend.

Joseph Roth in Parijs, jaren 30. Beeld Getty Images

Steeds weer drapeerde Roth een aura van droefenis, mededogen, ironie en zelfs sentiment over romans als Radetzkymars of Hotel Savoy. In zijn journalistiek werk legde hij enigszins andere accenten. Daar is hij vaker de alerte, afstandelijke ob­servator. Geen participerende of onderzoeksjournalistiek voor Roth. Lie­ver de man aan de zijlijn die niets ontgaat, 'de waarnemer van zijn epoche'.

'Ik werd op een dag journalist uit wanhoop over het volslagen onvermogen van alle beroepen mij te be­vredigen', zo opent zijn klassieke tekst 'De witte steden' uit 1925. 'Nooit vatte ik liefde op voor iets. Sinds ik kan denken, denk ik harteloos. Als kind voerde ik spinnen met vliegen.'

Toch is zijn lofzang op de witte Franse steden, zoals Marseille, Nice en Lyon, allesbehalve koel. Hij plaatst hen in frivool contrast met de grauwe steden uit het Oostenrijk-Hongarije van zijn jeugd. De ene keer bezingt hij de wasvrouwen bij de Rhône in Lyon, dan weer noemt hij Vienne 'een stad in haar volle schoonheid gestorven, en daarin lijkt ze werkelijk op een afgezette godin'. Avignon is volgens Roth 'de witste stad ter wereld. Ze heeft geen bos nodig. Ze is een stenen tuin vol stenen bloemen.' Hij bezingt er ook de elegantie van de meisjes 'op kwieke benen'.

Bij zijn passages door Les Baux, Nîmes, Arles ('Ook een witte stad, maar met het witte zilver van de ouderdom') en het kosmopolitische Marseille weeft hij als een volleerd reisgidsauteur soepel talloze wetenswaardigheden in. Steeds weer pulkt Roth details uit het raamwerk van de grotere geschiedenis. Zeer sporadisch overschreeuwt hij zichzelf in enthousiasme. Geestig zijn de typeringen van het wufte Nice van weleer: 'Nice ziet eruit alsof het gesticht is door schrijvers van gezelschapsromans en hun personages er wonen. (…) Deze mensen kunnen niet door God geschapen zijn. Ze zijn niet van gewone aarde gemaakt, maar van mondain papierstof.'

Joseph Roth stierf in deplorabele omstandigheden op 27 mei 1939 in een Parijs’ armenhospitaal, volledig verteerd door de alcohol. Beeld ullstein bild via Getty Images

Aan de Normandische westkust bezoekt hij ook Deauville, waar hij met scherts het onbezonnen luxevertier hekelt.

Sufgedronken en uitgewoond

Er zijn ook bedruktere stukken waarin de oorlogsdreiging de kop opsteekt of WO I nog zijn naweeën laat voelen. Dan schommelt het gemoed van zenuwpees Roth. Hij was toen al niet meer de sterreporter van de Frankfurter Zeitung en moest in een ijltempo schrijven om te overleven.

Nadat in 1933 Hitler aan de macht was gekomen, plooit hij zich steeds meer terug op Parijs en worden zijn omzwervingen beperkter. Duitsland mag hij immers ook niet meer in. In Parijs schrijft hij niettemin over het lijfelijke genot van het nachtleven, een optreden van fakir Tahri Bey of over zijn favoriete biotoop, 'de bistro na middernacht'.

In het laatste artikel uit de bundel, tweeënhalve maand voor zijn dood, vraagt Roth zich af waartoe al dat rondhossen heeft geleid. Want: 'Wie koppig blijft zitten, ziet veel. En wie ergens aankomt en weer vertrekt: wat kan hij nou gezien hebben?', klinkt het in 'Op een straathoek'. Roth wordt een immobiele reiziger, sufgedronken en uitgewoond.

Dit boek is niet alleen een must voor het uitstervende ras der francofielen (hoewel, je weet maar nooit met Emmanuel Macron). Elke liefhebber van snedige journalistiek met een panoramische blik kan er zich aan laven en iedere hedendaagse reisschrijver plukt er wel een trucje uit. Altijd weer stuit je op achteloze stilistische hoogstandjes van Roth, pientere observaties met een facettenoog.

Eén smet kleeft er wel op deze uitgave, keurig in- en uitgeleid door Bart Van Loo en Ilse Josepha Lazaroms: de tekeningen van Joep Bertrams. Die passen als een tang op een varken bij Roths teksten.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met De Morgen?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van De Morgen rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234