Dinsdag 10/12/2019

Interview Stephan Vanfleteren

Fotograaf Stephan Vanfleteren: ‘Ik ben niet het Bokrijk van de fotografie’

Beeld Robin De Puy

Als voorbereiding op de overzichtstentoonstelling van zijn werk, ging Stephan Vanfleteren (50) de krachtmeting aan met zijn archief. Een half jaar wikken, wegen en worstelen met het verleden. ‘Je ziet de triomfen, maar ook de nederlagen. Het was moeilijk om niet heel de tijd kwaad te worden op mezelf.’

Luister hier naar aflevering 1 van de podcast ‘Stephan Vanfleteren: Present’

Waarschijnlijk was het een mooie dag in Veurne, ­misschien brak de zon door de wolken en rook de lucht naar vers­gemaaid gras. We zullen u de lyrische ­beschrijvingen ­schuldig moeten blijven.

Een interview met fotograaf Stephan Vanfleteren, dat is een middag doorbrengen in een donkere kamer. Een kleine kelderruimte zonder ramen, zonder daglicht, met zwart geverfde muren. Hier worden geen foto’s ontwikkeld, het is een plek waar beelden met haast chirurgische precisie door hun eigen maker worden ontleed. Als een forensisch ­onderzoeker die zijn eigen verleden opensnijdt.

We zitten in de voormalige kluizenzaal van het statige oude bankgebouw waar Vanfleteren woont en werkt. Ooit brachten klanten hier hun meest waardevolle bezittingen in bewaring, tijdens WO II was dit een schuilkelder. De ­voorbije zes maanden trok Vanfleteren zich hier terug, in zelfopgelegde ballingschap. Om te schuilen voor het nu, zich te verzoenen met het verleden, en voorzichtige plannen te smeden voor de toekomst.

Een carrière van drie decennia is hier gekristalliseerd tot honderden – nee, duizenden – kleine fotoafdrukken, die chronologisch aan de muren zijn geplakt door hun maker. “Ik heb snel geleefd”, stelt Vanfleteren vast, als hij de indrukwekkende oogst overschouwt. Straks mag u ­meekijken, wanneer een strenge selectie uit dit werk aan de muren van het FOMU komt te hangen.

Dertig jaar aan fotografie ging hier door zijn handen. Met als enige hulpkracht die vreselijk onbetrouwbare bondgenoot: zijn geheugen.

Vandaag voelt Stephan Vanfleteren zich onrustig, ­emotioneel uitgeput. Het is chaos in zijn hoofd, sinds hij negen maanden geleden die eerste mappen met oude ­negatieven opentrok. Niets lijkt nog zeker. Zoals een helder beekje een modderpoel wordt zodra je in de bodem begint te woelen.

Voor zijn verjaardag heeft hij op aandringen van vrouw en collega’s toch één lang weekend vrij genomen. “Ik was op de terugweg vanuit Rijsel toen ik op een haar na van de weg werd gereden door een witte Alfa Romeo. Ik had altijd al een groot doodsbesef, maar zo snel kan het dus gedaan zijn. Op mijn verjaardag, door een witte Alfa Romeo. Dat zou echt te lullig zijn.” (lacht)

Dan had een curator een mooie postume overzichts­tentoonstelling moeten samenstellen uit uw beelden. Wat zou dat geven?

“Onmogelijk! Alsof je iemand in de jungle dropt zonder kompas. Ik wil iets anders tonen dan de beelden die mensen al van mij kennen. Dit is geen best of. Dat had ik snel kunnen bolwerken, en dan was ik lekker lang op vakantie kunnen gaan. (lacht) Ik heb de interessantste en moeilijkste weg gekozen. Ik vond het noodzakelijk om dit allemaal zelf te herbeleven en te verwerken. Maar het gevolg is dat ik hier zit te sms’en naar journalisten met wie ik ooit op pad was: ‘Welk jaar waren wij in Roemenië? Libanon? Sicilië?’”

Mogen we het een beetje gekkenwerk vinden dat u dat allemaal zelf doet?

“Ja, dat zegt mijn vrouw dus ook. (lacht) Dit waren de moeilijkste maanden uit mijn leven. Ik heb voor het eerst gevoeld wat het moet zijn om dicht bij een burn-out te zitten. Maar ik wilde er absoluut in mijn eentje door graven, hoe uitgeput ik me ook naar de eindstreep sleep. Ik ben nog nooit zo diep in mijn eigen werk gedoken. Uiteindelijk is dat wat dit project de moeite waard maakt. Na dertig jaar racen even op de rem staan.

“Het is confronterend. Je ziet de triomfen, maar ook de nederlagen. Ik zag alle fouten, de gemiste kansen. Het was moeilijk om niet heel de tijd kwaad te worden op mezelf. Heb jij dat ook, dat je je bandje na het interview beluistert en denkt: sukkel, dát had ik moeten vragen, en dát had ik niet mogen zeggen?”

Absoluut.

“Soms heb ik hier het gevoel dat ik word platgedrukt door het gewicht van mijn eigen werk. Dat klinkt negatiever dan hoe ik het bedoel. Maar ik voel me omsingeld en bekeken door wat hier aan de muren hangt. Alle ogen die hier op ons gericht zijn, dat zijn echte mensen, voor wie ik een verantwoordelijkheid draag.”

Het lijkt soms of u uw eigen beelden wilt beschermen voor te opdringerige blikken.

“Ik ga nooit voor zo veel mogelijk impact, ik gruw van controverse en sensatie. Kijk, ik heb een post-mortemportret mogen maken van Jan Hoet. Dat is een beeld waar ik heel omzichtig mee wil omspringen. Ik hoop dat je daar niet zomaar op stoot in Google Images als je zijn naam intypt. En voor ik het beeld opneem in de expo, wil ik dat bespreken met zijn dochter Marianne. Dát is ook mijn taak, vind ik.

“Veel personen hebben me hun vertrouwen gegeven, hun verhalen met me gedeeld. Ik heb hen in alle intimiteit en weerloosheid mogen weergeven. Bij elk beeld vraag ik me opnieuw af: mag het? Daar kan en wil ik nooit achteloos mee omspringen.”

Hebt u echt elke foto van de afgelopen 30 jaar in handen gehad?

“Het was onmogelijk om elk beeld op de negatieven in detail te bekijken, maar ik heb wel al mijn werk chronologisch doorgenomen. Er waren ook beelden die heel scherp op mijn netvlies gebrand stonden, maar die ik niet meteen terugvond. Daar werd ik heel nerveus van. Heb ik dat gezien maar toch niet afgedrukt? Of heb ik het helemaal niet gezien en vergis ik me?

“De confrontatie met de gaten in je geheugen, dat is shockerend. Ik was ervan overtuigd dat we in Kigali in het beruchte Hôtel des Mille Collines hadden overnacht. Klopt niet, denkt Gert Van Langendonck, de journalist met wie ik voor De Morgen in Rwanda was net na de genocide. ‘Maar weet je nog dat we twee dagen hebben vastgezeten, met huisarrest en zonder eten?’ vroeg hij. Daar wist ik niets meer van.

“Als je hersenen heel veel input krijgen, vergeet je ­sneller. Als ik morgen met een brommer over een rij auto’s door een brandende cirkel vlieg, dan zal ik me dat heel levendig herinneren voor de rest van mijn leven. Maar een stuntman die dat jaren aan een stuk elke dag doet, die ­onthoudt niet élke sprong.”

Een rode draad door de carrière van Stephan Vanfleteren? Hij verkent graag het moeilijke pad. Liever de kasseistrook dan de asfaltweg. Zo besloot hij tijdens het herontdekken van zijn eigen werk notities te maken. En, waarom niet, er meteen een heel boek van te maken. “Zelf schrijven was ­tijdrovend maar heel zinvol, omdat ik gedwongen werd om na te denken over alles wat ik doe en over de keuzes die ik heb gemaakt.”

Veel meer dan enkel toelichting bij de beelden laat het resultaat zich lezen als een schitterende autobiografie van een bezeten artiest, vol poëtische beschouwingen, ­anekdotes en zelfreflectie.

Zo lezen we bijvoorbeeld hoe hij overvallen werd in Nairobi, en op zijn beurt het jonge straatboefje probeerde te beschermen in een bloedstollend straatgevecht. En vooral, hoe hij die avond een fax naar zijn vrouw afsloot met: ‘PS: ik wil kinderen’.

Beeld n

Als ik uw boek zou lezen als een handleiding ‘Hoe word ik een succesvol fotograaf?’, dan lijkt de belangrijkste les: zorg dat je een rijk gevuld en interessant leven leidt.

“Daar zit iets in. Techniek en kennis zijn zeker van belang, maar je moet dat allemaal gebruiken om een verhaal te vertellen. Als je niks te vertellen hebt, dan zal het niet lukken. Ik heb al mijn passies en interesses in mijn werk kunnen verkennen. En ik heb dankzij de fotografie prachtige mensen ontmoet en wonderlijke momenten beleefd. Tot de meest banale gebeurtenissen, zoals Jacky Ickx die tegen een paaltje reed. De grote autocoureur die haarfijn de bochten op Francorchamps kon nemen. (lacht) Daar hebben we met ons twee heel hartelijk om moeten lachen.”

Hebt u een advies voor fotografen die ‘Vanfleteren-achtige foto’s’ willen maken?

(trekt bedenkelijk gezicht) “We worden allemaal beïnvloed en geïnspireerd door anderen, maar ik zit echt niet te wachten op Vanfleteren-copycats. Ik vind het geen compliment gekopieerd te worden. Toen ik stopte bij de krant, vond ik het verfrissender om te zien hoe jonge talenten op hun manier vernieuwden en rebelleerden, met veel kleur en humor en branie. Zelfs al staat dat mijlenver af van wat ik doe.”

Ex-collega’s vertellen dat u de liefste, warmste, slimste mens bent die ze kennen. En ook: een ambetanterik die mensen de kast op jaagt met zijn controledrang en perfectionisme.

“Echt? Het kan gewoon niet anders. Als fotograaf moet je constant meedraaien in een wereld waar je heel weinig controle hebt over de omstandigheden. Je probeert controle te behouden over de weinige zaken die je wel in de hand hebt.

“Zo ben ik trouwens ooit beginnen schrijven. Ik had een fotorubriek in de weekendbijlage van De Morgen en daar schreef een journalist dan een tekstje bij. Vreselijk vond ik dat. Ik begrijp hoe dat gaat, iemand moet dat snel doen tussen zeven andere deadlines door. Maar alleen ik ken het verhaal en het gevoel dat achter die beelden schuilgaat. Dus schreef ik het liever zelf. Zo begon ik korte, poëtische teksten te maken. Over Parijs-Roubaix, een ode aan de kassei, dat soort dingen. Het moet juist zijn. En als iemand kritiek heeft, dan ben ik tenminste zelf verantwoordelijk.”

U bent streng en veeleisend voor anderen, maar nog veel harder voor uzelf. Uw oordeel over het werk uit uw beginperiode bij De Morgen is beenhard: ‘Trukendoos van een overijverige fotograaf, op egotrip’.

“Je wil niet weten hoe slecht ik was. Echt. Ik kwam zoveel slechte foto’s tegen. Het was visuele egotripperij. Kijk eens wat ik durf, hoe ik een lekker gewaagde kadrering zoek. In die tijd was het bijzonder en vernieuwend, we hebben de grenzen verlegd en fotografie is daardoor ook bij de andere kranten belangrijker geworden. Maar nu zie ik dat het veel simpeler en beter kon. Dat was pijnlijk om te beseffen.”

Toch valt vooral op hoe coherent uw oeuvre is, vanaf het prille begin al.

“Ik zie dat als een kracht, maar het is een kritiek die ik soms krijg. “Te eenzijdig in wat hij doet” schreef een journalist ooit over mij. Maar ik maak ook kortfilms, ik geef les, ik schrijf. Dat is toch al heel wat? Ik heb reportages, portretten, landschappen én stillevens gemaakt. Dat is een wijd spectrum. Maar het is herkenbaar, dat klopt, er is een signatuur die al deze foto’s verbindt.”

Deze expo lijkt het ultieme antwoord op al wie u als een onetrickpony wil afschilderen. In de expo zitten veel beelden die een heel andere kant van u tonen. Een reeks in kleur waarvoor u verkleed als Elvis door de VS trok, om er maar eentje te noemen.

“Op mijn overzichtstentoonstelling van portretten in het Wintercircus in Gent kwam iemand me zeggen: ‘Mooi, maar wel spijtig dat u enkel bekende mensen fotografeert.’ Zucht. Terwijl ik zo veel ander werk heb dat me minstens even nauw aan het hart ligt. Die wolk in Friesland die hier aan de muur hangt, heeft evenveel waarde voor mij als een bekend gezicht.

“In mijn werk ben ik compromisloos. Een schilder die beslist: ik ga alleen rood, blauw, geel gebruiken, dat bewonder ik. Daar ben ik zelf goed in, om te beslissen: dit is wat ik ga doen en daar wijk ik niet van af. Maar je moet ook op tijd verandering toelaten, om jezelf fris te houden. Met dat Elvis-project heb ik me heel erg geamuseerd en het werk heeft nog aan kracht gewonnen. Ik zie het nu als selfies avant la lettre. Destijds kreeg ik te horen dat het niet bij ‘mijn imago’ paste.”

U werd net 50. Dat is een bijzonder moment voor iemand die heel lang heeft verkondigd dat hij niet ouder dan 37 zou worden.

“Ja het klinkt pathetisch, ik weet het. Het was een romantische gedachte, in een leven vol intensiteit en risico’s.

“Ik ben me elke dag bewust van hoe dicht we bij de dood zijn. Toen ik door mijn foto’s ging, zag ik armoede, oorlog, honger. Ik was pas 25 toen ik in Rwanda met de dood ­geconfronteerd werd in proporties die absoluut niet te bevatten zijn. Dat schud je nooit meer van je af. Maar ook in mijn persoonlijk leven is het altijd aanwezig. Als mijn ­kinderen uitgaan en ’s nachts met de fiets naar huis rijden… Ik besef heel goed hoe fragiel we allemaal zijn.”

In uw boek beschrijft u al minstens drie beklijvende bijna-doodervaringen. Van net niet ontvoerd worden in Libanon tot net niet verdrinken in de Noordzee.

“En reken daarbij alle kilometers die ik heb afgelegd in de auto, dat verhoogt je risicoprofiel behoorlijk. Juist omdat ik goed weet dat elke dag de laatste kan zijn, heb ik een enorme levenslust en dadendrang. Mijn doodsbesef wakkert de vitaliteit van het leven aan.

“Als je het licht wil zien, moet je naar de schaduw kijken. Dat is letterlijk zo in fotografietermen, maar ook in het leven. Omdat ik de zwaarte en de duisternis ken, wil ik vandaag álles beleven in volle intensiteit.”

Wie enkel uw werk kent, zou kunnen vermoeden dat u een zwaarmoedige, ernstige man bent.

“Daar ben ik natuurlijk zelf een beetje schuldig aan. Mijn beelden hebben een sérieux, het is geen frivole kost. Maar het werkt juist als een catharsis. Daardoor kan ik in het leven heel vrolijk en onnozel zijn, iemand die drinkt en danst en flirt. Soms zie ik mensen verrast kijken. Is dat die fotograaf van de ernstige zwart-witfoto’s, die daar op de dansvloer de Bee Gees staat mee te zingen? Ik vind het soms fijn om mensen in verwarring te brengen.

“Die dualiteit zat altijd al in mij. Dat is typerend voor mensen aan de kust, omdat je leeft met het contrast van de seizoenen. Mijn ouders baatten een tennisclub uit en van Pasen tot oktober werd er elke dag hard gewerkt, zolang de toeristen er waren. In de winter waren ze drie maanden gesloten en viel alles stil. Zo leefde ik ook: van grote drukte en plezier, naar complete stilte en weemoed. Licht en donker zitten nog altijd in mij.”

‘Opgroeien aan zee maakt van een mens een nostalgicus of een commerçant’, schrijft u zelf. En bij u werd het het eerste?

“Ja, al vind ik nostalgie een bescheten begrip. Ik hou niet van stilstand en ik voel helemaal geen verlangen naar wat voorbij is. Ik omarm nieuwe technieken, ik heb al lang geleden de omslag gemaakt van analoog naar digitaal, ik werk in kleur, ik sta met twee benen in de wereld van vandaag. Er zit weemoed en verval en tristesse in veel van mijn werk, dat klopt. Maar ik ben niet het Bokrijk van de fotografie.

“Ik was altijd wel een oude ziel, toen ik jong was verlangde ik er al naar om een oude, wijze man te zijn. Maar nu ik ouder word en mijn botten wat beginnen te kraken, zie ik des te meer de schoonheid van jeugd en kracht en energie.

“Dat is ook zo’n cliché over mijn werk, alsof ik graag mensen zo veel mogelijk rimpels geef. Maar als ik een ­portret maak, wil ik vooral tonen hoe mooi en interessant die persoon is. Ik vind het even bijzonder om bijvoorbeeld in mijn portretten van de Rode Duivels hun gladde huid en fysieke kracht weer te geven.”

Over tegenstellingen gesproken: hoe slaagt iemand met dyslexie erin een prachtig boek te schrijven?

“Dyslexie neemt vele vormen aan, ik zie het ondertussen als een voordeel. Ik merk dat ik op een andere manier naar de wereld kijk. Ik ben heel gevoelig voor poëzie en beeldspraak. Ik heb een redacteur die mijn teksten verbetert, natuurlijk. Er zijn zaken die iedereen logisch vindt, en die ik niet kan vatten. Ik las het woord welluidend: iets dat ‘wel luid’ is, hoe kan dat positief zijn? En bij een naam als Stromae zal ik gegarandeerd de klinkers omwisselen. Ik kan me heel machteloos voelen tegenover taal. Bij mijn kinderen zie ik hetzelfde, die hebben het van mij geërfd. Maar ­gelukkig is er ondertussen iets meer begrip voor dyslexie. Vroeger vonden ze je op school gewoon een dommerik.”

Stephan Vanfleteren

geboren in 1969, Kortrijk

studeerde fotografie aan Sint-Lucas in Brussel

werkte van 1993 tot 2009 als freelance fotograaf voor De Morgen

combineerde zijn werk voor de krant al die tijd ook met eigen projecten

won meerdere keren een World Press Photo Award

kende zijn doorbraak bij het grote publiek in 2007, dankzij Belgicum, het boek en de expo in het FOMU

bracht verschillende boeken uit, waaronder Atlantic Wall, Elvis&Presley en Surf Tribe

Is gastdocent aan de Koninklijke Academie voor Schone Kunsten in Gent

woont in Veurne met zijn vrouw Natacha en drie kinderen

Wat betekende dat voor u tijdens uw schoolparcours?

“Op het college werd ik op mijn 14de vriendelijk maar kordaat verzocht om naar een andere school te gaan. Dat vreet aan je, als je heel de tijd krijgt ingeprent dat je niet slim genoeg bent. Ik heb een ontzettend mooie jeugd gehad, in een warm gezin met goede ouders en een fijne broer. Maar iedereen heeft een litteken, en die schoolervaring is het mijne. Toch heeft het me kracht gegeven. Ik heb geleerd om hard te werken. Ik verwacht nooit dat dingen vanzelf gaan.

“Misschien mis ik een bepaalde logica, maar ik heb een visueel en artistiek inzicht dat beter ontwikkeld is. Ik vond in het archief mijn allereerste studio-opdrachten terug. Dat was iets dat ik meteen onder de knie had, de studiolamp wat bijstellen, en klaar. Terwijl ik medestudenten daarop zag wroeten. Het was de eerste keer dat ik mijn verhaal kon vertellen, zonder dat de taal me in de weg stond.”

Hier hangen enkele beelden uit uw studietijd. Wat is u bijgebleven uit die periode?

“Mijn docenten verklaarden me gek omdat ik geen studio­fotograaf wilde worden. Ik kon dat goed, en commercieel is het makkelijk om zo je kost te verdienen. Mijn foto’s vonden zij volstrekt oninteressant en onnuttig. Ik werkte toen al met thema’s die ook later zouden terugkomen. De straat, vervallen façades, de zee. Zij zagen niet de schoonheid van die beelden, van het echte leven.

“Neem nu de foto van een gesloten frituur, ‘La Reine des Fritures’, op een zeedijk in de winter. Het was deel van mijn eindwerk en is toen vreselijk afgekraakt. Maar als ik er nu naar kijk, ben ik nog altijd bijzonder trots op die foto.”

Wat zou u nu aan het doen zijn, als u het advies van de docenten had opgevolgd?

“Ik zou failliet zijn, in ieder geval, en doodongelukkig. Nog altijd krijg ik het te horen. ‘Je kan toch reclamecampagnes doen om geld te verdienen.’ Daar word ik soms boos van. Ik kan niet fotograferen met een artdirector die over mijn schouder hangt en me aanwijzingen geeft. Fotografie wordt nog te vaak gezien als iets dat utilitair moet zijn.”

Wanneer had u voor het eerst het gevoel dat er erkenning kwam voor het werk dat u wilde maken?

“Dat is ten tijde van Belgicum gekomen, denk ik.” 

Wacht even. Toen was u al 15 jaar bezig.

(lacht) “Mijn vrouw geloofde altijd al in mij, dat is veel waard. En echt, ik ben heel blij dat ik geen jonge fotograaf ben vandaag. Ik heb het geluk gehad dat ik mezelf heb kunnen ontwikkelen bij de krant. Ik kreeg vertrouwen en creatieve vrijheid, dat was een unieke tijd. Toen ik met eigen projecten naar buiten kwam en een eerste boek publiceerde, had ik al veel wat kilometers op de teller staan.

“Op het KASK, bij mijn studenten fotografie, zie ik de drang om zo snel mogelijk álles te bereiken. Een boek, een expo. Dan moet je verdomd sterk in je schoenen staan. Wat gaan ze doen op hun 50ste, als ze op hun 25ste al in het brandpunt van de belangstelling staan?” 

U wil nog maar sporadisch in opdracht werken voor de media, maar om een of andere reden wordt u ook niet erkend als volwaardig ‘kunstfotograaf’. In het Fotomuseum in Antwerpen zit geen enkele foto van u in de vaste collectie. Hoe komt dat volgens u?

“Natuurlijk vind ik dat jammer. Mijn werk zit in buitenlandse collecties, maar niet in het museum waar het voor mij allemaal begon. Ik wil meer en meer mijn eigen opdrachtgever zijn en dan moet je telkens hopen dat iets succesvol wordt, zodat je weer kan investeren in een ­volgend project. 

“Voor de subsidiecommissie vallen we onder ‘beeldende kunsten’, maar daar vinden ze een fotograaf als ik een ‘ambachtsman’ en geen kunstenaar. Ik denk in alle bescheidenheid dat ik als fotograaf wel een bijdrage kan leveren die waardevol is voor de samenleving. Iets dat ondersteuning verdient, of een plaats mag krijgen in musea.

“In Charleroi ben ik fotograaf in residence geweest, voor een schamel bedrag. Mijn liefde voor die stad is enorm groot, en ik vond het heerlijk om opnieuw de straat­fotografie te verkennen. Me met een lichte camera te laten mee­voeren door het moment. Ik heb achteraf al mijn werk geschonken, uit dankbaarheid voor die mooie tijd daar. Maar qua businessplan is dat totale kamikaze.”

Hebt u het idee dat artistieke vrijheid iets is dat u moet afkopen? 

“Ja, vrijheid kost geld. Het vergt risico en ondernemerschap, en een beetje waanzin.”

Beeld robin de puy

Een beetje zelfkastijding lijkt ook een constante in uw verhaal. De charme van het harde werken en het afzien, dat verklaart ook uw fascinatie voor de landbouwers en vissers.

“De noeste werkers, daar hou ik van. Misschien door in deze streek op te groeien, als zoon van hardwerkende middenstanders. Of misschien is er toch wat katholicisme in mij ­blijven hangen. Geluk en voldoening komen meestal van zaken waar je hard voor gezwoegd hebt. Als iets te ­makkelijk gaat, dan valt er weinig eer uit te halen.

“Ik ben heel erg op mijn hoede voor ‘roem’, wat dat ook moge zijn. Toen ik hier naam had gemaakt met Belgicum en bekend werd als portretfotograaf, ben ik doelbewust meer in Nederland gaan werken. Ik moest alles weer bewijzen, nieuw terrein veroveren. Het was hier bijna te makkelijk geworden voor mij. Ik vind het fijn om als een broekie helemaal vanaf nul te beginnen, zoals toen ik portretten maakte op het Filmfestival in Cannes. Dat is bandwerk, als je geen Leibovitz (Annie, Amerikaans fotografe, °1949, red.) bent, is niemand daar van jou onder de indruk. Toen ik daar het vertrouwen kreeg van iemand als Vanessa Paradis, had dat niets met mijn naam te maken, maar puur met mijn werk.”

Is het u opgevallen dat u veel meer mannen hebt gefotografeerd dan vrouwen?

“Oei, ik zie een bezorgde blik.”

Het is geen beschuldiging hoor, eerder een vaststelling. Vindt u het moeilijker om vrouwen te fotograferen?

“Bij de portretten die ik in opdracht maakte, kan ik alleen maar vaststellen dat er minder vrouwen worden geïnterviewd voor de weekendbijlages. Dat is aan het evolueren, maar het is gewoon zo. Anne Teresa De Keersmaeker hangt hier, koningin Beatrix en Sylvie Kreusch, met daarrond allemaal mannen: schrijvers, kunstenaars, muzikanten.

“Soms zit het in de onderwerpen: coureurs, vissers, boeren. In mijn project met surfers had ik heel graag meer vrouwen gefotografeerd. De mannen zeiden vaker spontaan ja.

“Maar zelfs in mijn selectie voor de expo waren het vaak de vrouwenportretten die uiteindelijk sneuvelden. Ik toon wél Jan Decleir en Josse De Pauw, maar niet Viviane De Muynck, terwijl ik haar een fantastische actrice vind. Misschien zit er iets in mijn manier van fotograferen dat beter pakt bij mannen. Ik kan er nog niet helemaal de vinger op leggen.”

Er passeren op de expo heel wat figuren die ondertussen gestorven zijn, van Hugo Claus tot Luc De Vos. Gebeurt er iets met dat beeld, als die mensen er niet meer zijn?

“Ja, goeie vraag. Er gebeurt zeker iets, het beeld krijgt een andere lading. Kijk, dat is dus iets waar ik nu graag drie maanden over zou willen nadenken, ik kan daar niet zomaar voor de vuist weg een theorie over verzinnen.”

We zijn vijf uur onafgebroken aan het praten. Twee mensen in een donkere kelder, los van tijd en plaats. Ik stel het vast wanneer ik de tape uitschrijf: geen koffie- of plaspauzes, ­niemand die even de smartphone bovenhaalt. Misschien is extreme focus wel het grootste geheim van Vanfleteren.

“Mijn grootste talent is dat ik het gevoel kan opwekken in mijn hoofd dat het hier en nu het allerbelangrijkste is. Als ik iemand portretteer, dan is die ene persoon op dat moment de enige die telt. Als ik naar een boom kijk, doe ik dat met diezelfde overtuiging. Dat is mijn geheim.

“Zo werk ik als fotograaf, maar zo sta ik ook in het leven. Op dit moment vind ik praten met jou het allerbelangrijkste, zonder te denken aan de onderschriften die ik straks nog moet maken en de mails die ik moet beantwoorden. De ­passie van mensen die helemaal opgaan in wat ze doen, dat is een krachtige motor. Dat zit ook in de titel van de expo, Present, ergens aanwezig zijn met volle aandacht, dat is de kern van wat ik doe.”

Ergens present zijn, betekent ook dat u ergens anders afwezig bent. In uw gezin, bijvoorbeeld.

“Mijn intensiteit heeft ook een keerzijde, dat is zeker. Achter alles wat hier aan de muren hangt, gaan offers schuil. De buitenwereld ziet de expo’s, de prijzen en publicaties. Maar ze zien niet al die keren dat je niet op tijd in een hotel geraakt en in je auto slaapt, geen tijd hebt om deftig te eten, niet mee op vakantie kan met je gezin. Wanneer ik met overgave aan het werken ben, moet alles wijken.

“Het is soms heel bevreemdend. Wanneer ik weg ben, runt mijn vrouw hier alles in haar eentje, met de drie kinderen. Als ik na enkele weken thuiskom, voel ik me eerst even onwennig, alsof ik een buitenstaander ben die zich plots met het huishouden en de opvoeding komt bemoeien. Ik moet telkens weer even mijn plaats vinden. Ik ben gezegend met een fantastische vrouw en zeer leuke kinderen, maar ik besef heel goed dat het niet evident is.

“Ik vind het bijzonder om ook dat te tonen. Dat je heel intens kan opgaan in je werk en veel kan bereiken, zonder brokken te maken. Zonder aan de drank te geraken, zonder je vriendschappen te verraden of je gezin te verliezen.”

U draagt uw boek op aan uw vrouw Natacha. Hoe is het om als koppel ook samen te werken?

“Ze is heel sterk, maar ik denk vaak: wat heb ik haar aangedaan? Veel van de zorgen en opofferingen komen ook bij haar terecht. Zij werkte vroeger voor televisie achter de schermen, Natacha kan heel goed anderen steunen en aansturen zonder zelf in de spotlights te willen staan. Nu we alles samen beleven, wordt het alleen maar beter. We doen dit werk echt samen. Voor de reeks Atlantic Wall maakte ik een fantastische trip samen met mijn oudste dochter, die toen 12 was. Natacha deed de research, regelde praktische zaken. Dat gezin en werk zo mooi samensmolten, dat was een van de mooiste ervaringen uit mijn carrière.

“We zijn geen conventioneel gezin, soms komt het avondeten pas om halftien op tafel. Misschien ­missen we structuur, maar de kinderen voelen wel de passie, en we beleven prachtige momenten samen. Dat de kinderen tijdens de middagpauze van school komen ­wanneer ik net Stromae in de studio heb gefotografeerd. En dat we hier allemaal aan tafel soep met boterhammen zitten te eten. ‘We gaan dat maar niet op school vertellen, zeker?’, zeiden ze.” (lacht)

Beeld robin de puy

De expo eindigt met prachtig studiowerk, schilderachtige stillevens van dode dieren. Vereeuwigd met dezelfde extreme focus en liefde en gravitas die al zijn werk tekenen. Dat betekent concreet: dagenlang in de studio zoeken naar precies de juiste lichtinval om een bruinvis prachtig vast te leggen. “Toen ik die bruinvis weer wegbracht, zei die man: ‘Ik heb nog een mooiere binnengekregen’. Dan stond ik hier terug, met een aangespoelde bruinvis in plastic gewikkeld. Om opnieuw te beginnen. Zes dagen lang ben ik daar dan mee bezig: kijken hoe het licht valt op een donkere vis. Die zoektocht, dat is het allermooiste.”

Het is uw meest recente, en meteen ook meest geënsceneerde werk.

“Als ik hier rondom mij naar alle beelden kijk… de cirkel is rond. Van de lijken in Rwanda langs de kant van de weg, naar de dode pimpelmees hier in de studio. Daar zit alles in samengebald. Van de beginperiode, met veel chaos en actie en beweging naar de totale verstilling. Van anekdotiek en actualiteit naar steeds meer abstractie. Ik zie het parcours dat ik heb afgelegd, en ik merk hoe mijn werk steeds trager wordt, serener.”

En straks? Wat wilt u nog?

“Misschien kan ik tot mijn 80ste blijven werken, de liefde voor het beeld zal ik nooit verliezen. Maar mijn motor draait al zo lang in het rood, ik weet dat ik dit tempo niet kan volhouden. Dat er misschien al een kankercel in mijn lijf woedt zonder dat ik het weet, of dat ik volgende maand een hartaanval krijg, of weer een roekeloze chauffeur met een Alfa Romeo op mijn baan tref.

“Maar ik weet ook heel goed waarom ik zo onrustig werd tijdens de voorbereiding voor deze expo: ik heb nog nooit zo weinig gefotografeerd als de voorbije maanden. Ik moest mijn focus op dit project houden. Maar ik voel nu dat ik die ontlading nodig heb. Zodra ik een camera vastneem, komt er een soort jagersinstinct in mij naar boven. Ik kan niet wachten om er terug aan te beginnen. De donkere kelder uit, op zoek naar het licht.”

De expo Present loopt van 25/10 t.e.m. 1/3/2020 in het FOMU, Waalsekaai 47, Antwerpen, fomu.be. Vanaf 19/10 kan u via de De Morgen-app een gratis ticket voor de expo claimen.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met De Morgen?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van De Morgen rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234