Donderdag 07/07/2022

Reportage

Fotograaf Herman Selleslags: ‘Hugo Claus vertrouwde me voor geen meter’

Fotograaf Herman Selleslagh in zijn archief. ‘Hoe ouder ik word, hoe meer tijd ik doorbreng met mijn foto’s. De fotografie is nog altijd mijn reddingsboei.’ Beeld Thomas Sweertvaegher
Fotograaf Herman Selleslagh in zijn archief. ‘Hoe ouder ik word, hoe meer tijd ik doorbreng met mijn foto’s. De fotografie is nog altijd mijn reddingsboei.’Beeld Thomas Sweertvaegher

Souvenirs, noemt Herman Selleslags (84) zijn foto’s. Omdat herinneringen verteld moeten worden, dook de roemruchte Humo-fotograaf op verzoek van De Morgen in zijn ­archief. ‘Kunst? Onze taal heeft een woord dat veel beter omschrijft wat ik maak: foto’s.’

Stef Selfslagh

Code geel, allemaal goed en wel, maar waar moet een mens naartoe nu ­Covid-19 geen geldig excuus meer is om in horizontale positie naar het plafond te staren? Naar het Rijksmuseum in Amsterdam misschien, waar nog tot 6 juni een tentoonstelling loopt over leven en werk van Vincent Mentzel (76), de godfather van de Nederlandse nieuwsfotografie.

Mentzel werkte voor NRC Handelsblad van 1973 tot 2011. Een periode waaraan vaak gerefereerd wordt als ‘het gouden tijdperk van de persfotografie’: toen smartphonecamera’s nog niet aan concurrentie­vervalsing deden en je nog geen leger persattachés moest verslaan om een beroemdheid voor je lens te krijgen. Maar klopt dat cliché wel? Of zijn weemoedige bespiegelingen over de gloriejaren van de persfotografie wat weemoedige bespiegelingen wel vaker zijn: in romantiek gegaarde fabeltjes?

BIO * geboren in Antwerpen, in 1938 * was meer dan een halve eeuw fotograaf voor o.m. Humo, Knack en de Volkskrant blonk uit in straatfotografie, maar fotografeerde ook talloze nationale en internationale beroemdheden * gaf in 2007 zijn volledige archief, en dat van zijn vader Rik, in permanent bruikleen aan het Fotomuseum Antwerpen

Niemand die de vraag beter kan beantwoorden dan Herman Selleslags: generatiegenoot van Mentzel, een halve eeuw lang fotograaf voor onder meer Humo, Die Zeit, Paris Match en Vrij Nederland en ­eigenaar van een archief waar twee medewerkers van het Antwerpse Fotomuseum al tien jaar voltijds orde proberen in te scheppen. “Kies uit eigen werk een paar sleutelfoto’s”, had ik Selleslags gevraagd. “Beelden die uw fotografenziel blootleggen en bij voorkeur iets wezenlijks vertellen over het genre van de persfotografie.”

Wanneer we elkaar ontmoeten in zijn werkkamer op de bovenste verdieping van zijn huis, blijkt echter dat hij nog een extra selectiecriterium gehanteerd heeft. “Ik heb uitsluitend foto’s gekozen waar een auto op staat. Dat maakte de zoektocht leuker. Maar geen paniek: de auto’s spelen hooguit een ­figurantenrol.”

Harry Mulisch met een van zijn dochters. Beeld Herman Selleslags
Harry Mulisch met een van zijn dochters.Beeld Herman Selleslags

Terwijl hij zijn foto’s op zijn werktafel uitstalt, breng ik gewoontegetrouw niet één, maar twee band­opnemers in stelling: mijn angst om met stilte thuis te komen is groter dan mijn schrik om voor neuroot versleten te worden. Selleslags glimlacht wanneer hij me bezig ziet. “In het begin van de jaren zeventig ging ik samen met Jef Geeraerts – die toen voor Knack werkte – Harry Mulisch interviewen. Om indruk te maken had Geeraerts van de toenmalige BRT een Nagra-bandopnemer geleend: zo’n lomp geval met twee grote spoelen. Het interview duurde anderhalf uur, waarna Jef de tape controleerde. En wat bleek? Er stond niks op. ‘Ach Harry’, zei Jef. ‘Dan doen we ons gesprek toch even opnieuw?’ Mulisch hield zijn antwoord een paar seconden in beraad en zei dan, ijskoud: ‘Neen.’ De stilte die toen viel, vergeet ik nooit meer.” (lacht)

Is hij zelf ooit vergeten om een fotorolletje in zijn camera te stoppen? “Sterker nog: ik ben ooit vergeten om mijn camera mee te nemen. Ik was in Knokke om dokter Herman Lecompte te fotograferen. Maar ik had thuis ruziegemaakt met mijn vrouw en was in alle commotie vergeten om mijn fototoestellen mee te nemen. Gelukkig toonde Lecompte meer mededogen dan Mulisch: ik mocht de dag nadien terugkomen.”

Voor we met behulp van zijn foto’s de tijd terug­roepen, informeer ik nog even of hij het eigenlijk wel leuk vindt, praten over zijn werk. Geven fotografen niet liever het woord aan hun foto’s?

“Ik geef graag duiding bij mijn beelden. Maar verwacht van mij geen filosofische mijmeringen over fotografie. De fotografie-essays van Susan Sontag (Amerikaanse schrijfster, 1933-2004, red.), ik word daar onpasselijk van. Al dat gedoe over ‘roofzuchtige’ fotografen die met hun beelden het leed in de wereld in stand houden: totale onzin als je het mij vraagt. Wat is fotografie? Je ziet iets en je fotografeert het. Meer is het niet. En waarom zie je sommige ­dingen wel en andere niet? Geen flauw idee. ­Mensen vragen me soms: ‘Wat bedoel je met die foto?’ ‘Niks’, zeg ik dan. ‘En ook al zou ik er wél iets mee bedoelen: dat heeft geen enkel belang. Jij, de kijker, maakt de foto toch opnieuw. Jíj beslist wat je in een foto ziet. Niet ik.’”

Belgisch autocoureur Olivier Gendebien begint aan de 24 Uur van Le Mans in 1962. Beeld Herman Selleslags
Belgisch autocoureur Olivier Gendebien begint aan de 24 Uur van Le Mans in 1962.Beeld Herman Selleslags

We kijken naar een kleurenfoto uit 1962: auto­coureur Olivier Gendebien springt in de rode ­Ferrari waarmee hij dat jaar de 24 uur van Le Mans won. “Ik had van Kodak een kleurenfilm gekregen”, zegt Selleslags. “Daarmee kon ik eindelijk zélf kleuren­foto’s maken. Tot die tijd werden zwart-witfoto’s nog ingekleurd met een penseeltje.”

De dubbele kin van Hugo Claus

De foto is van heel dichtbij genomen: je zit als kijker net niet in de Ferrari van Gendebien. Selleslags nodigde zichzelf wel vaker uit in de personal space van de mensen die hij portretteerde: hij fotografeerde Paul McCartney terwijl die van een aftandse trampoline sprong en Françoise Hardy terwijl ze in haar kleedkamer nog snel een songtekst op haar hand krabbelde. Zijn beelden lijken te suggereren dat hij persoonlijk bevriend was met de iconen die hij fotografeerde. Dat hij zich langer dan een sluitertijd tot hun entourage mocht rekenen.

“Welnee”, zegt hij. “Ik ben Serge Simonart toch niet? (lacht) Vriendschap speelt in mijn foto’s geen enkele rol. Op een dag ging ik Hugo Claus fotograferen. ‘Herman, denk aan mijn dubbele kin’, waarschuwde Claus. ‘Welke dubbele kin?’, antwoordde ik. Waarop Claus mij een smeerlap noemde. Hij dacht dat ik bedoelde dat hij meerdere dubbele kinnen had. Terwijl ik uiteraard wilde zeggen dat hij géén dubbele kin had. Tot zover de vriendschap tussen mij en Hugo Claus. (lacht) Schrijvers wantrouwen fotografen wel vaker: ze houden van controle, en die moeten ze tijdens een fotosessie noodgedwongen opgeven. Claus vertrouwde me voor geen ­meter.”

‘Tijdens een sessie met Hugo Claus zei hij: ‘Herman, dit zijn momenten die nooit meer voorbijgaan.’ Ik dacht: niet overdrijven, Claus.’  Beeld ZIE LIJST
‘Tijdens een sessie met Hugo Claus zei hij: ‘Herman, dit zijn momenten die nooit meer voorbijgaan.’ Ik dacht: niet overdrijven, Claus.’Beeld ZIE LIJST

Lieten de groten der aarde zich veertig jaar geleden toch niet gewilliger besnuffelen? Vandaag wordt tussen beroemdheden en fotografen een muur van assistenten en bodyguards opgetrokken. “Luister. In 1967 kreeg Karel Anthierens, de toenmalige hoofdredacteur van Humo, een uitnodiging van Apple, het platenlabel van The Beatles: de groep ging ter promotie van hun Magical Mystery Tour een busrit maken door Engeland en Karel mocht een fotograaf sturen. Ik, dus. Alleen: toen ik in Londen aankwam, was de Beatles-bus al vertrokken. Toen ik The Beatles na twee volle dagen eindelijk gelokaliseerd had, zeiden ze botweg: ‘No pictures.’

“Net voor ik onverrichter zake opnieuw uit Engeland zou vertrekken, zat ik op een bankje voor het hotel waar de groep logeerde. Plots kwam Paul ­McCartney naar buiten. Hij liep mij eerst voorbij, maar kwam op zijn stappen terug en vroeg: ­‘Where did you buy your jacket?’ ‘Op een vlooienmarkt in Parijs’, antwoordde ik. ‘I have the same jacket. Who are you?’ Ik zei: ‘Ik ben een fotograaf die zijn werk niet mag doen.’ Waarop ik alsnog toestemming kreeg om foto’s te maken. Om maar te zeggen: in de fotografie hangt alles af van toevalligheden. Het is een mythe dat iconen vroeger zo benaderbaar waren. Ik heb daar nooit iets van gemerkt. Ook The Rolling Stones meden me als de pest.”

Beatle Paul McCartney laat het kind in zich los op een trampoline in het Londense Hyde Park, 1968. ‘Hij wilde weten waar ik mijn jasje had gekocht.’ Beeld Herman Selleslags
Beatle Paul McCartney laat het kind in zich los op een trampoline in het Londense Hyde Park, 1968. ‘Hij wilde weten waar ik mijn jasje had gekocht.’Beeld Herman Selleslags

Behalve The Beatles en The Stones fotografeerde hij onder meer Bob Marley, Gerard Reve, David ­Bowie, Jean-Paul Sartre, Harry Mulisch, Edith Piaf, Jimi Hendrix, Willem Frederik Hermans en Serge Gainsbourg: helden van de tegencultuur, bestrijders van de braafheid. Was hij na een reportage weleens teleurgesteld in een idool? Omdat de ­kanjer in kwestie een pain in the ass bleek te zijn, bijvoorbeeld?

“Mensen bewonderen: ik ben daar nooit zo fanatiek in geweest. (grijnst) Ik was 23 toen ik voor het eerst Hugo Claus fotografeerde. Tijdens onze sessie zei hij me: ‘Herman, dit zijn momenten die nooit meer voorbijgaan.’ Ik weet nog dat ik toen dacht: ‘Pff, niet overdrijven, Claus. Je moet niet over álles gewichtig willen doen.’ (lacht) Wat niet wegneemt dat ik zijn boeken fantastisch vond. Ik heb altijd veel gelezen: ik ben van de generatie die leefde van films en romans. Aan mij moest een journalist niet uitleggen wie Harry Mulisch was.”

Twee voeten en een wijsvinger

De Morgen-fotograaf Thomas Sweertvaegher meldt zich. Wanneer Selleslags ziet dat Sweertvaegher een statief bij zich heeft, zegt hij: ‘Wat had ik een bloedhekel aan dat ding. Ik heb het zelden gebruikt. Als er links of rechts van je statief iets interessants gebeurde, kon je niet weg. Kom, we gaan naar boven. Maar ik weiger je statief te dragen.” (lacht)

Anonieme jongen slaapt zijn roes uit in de Antwerpse Pelikaanstraat, naast het Centraal Station. ‘Ik heb een hele tijd gewacht voor ik deze foto publiceerde.’  Beeld Herman Selleslags
Anonieme jongen slaapt zijn roes uit in de Antwerpse Pelikaanstraat, naast het Centraal Station. ‘Ik heb een hele tijd gewacht voor ik deze foto publiceerde.’Beeld Herman Selleslags

Terug in de werkkamer buigen we ons over een ander iconisch Selleslags-beeld. Een jongen ligt op de motorkap van een Mercedes zijn roes uit te slapen. Hij ligt op zijn rug, gesneuveld op het slagveld van de nacht. “Die foto heb ik genomen in de Pelikaan­straat in Antwerpen. Ik was op weg naar de ­bioscoop. Omdat ik de jongen om voor de hand liggende redenen niet had kunnen vragen of ik hem mocht fotograferen, heb ik een hele tijd gewacht voor ik de foto publiceerde. Maar vandaag weet niemand nog wie hij is, natuurlijk.”

De straatreportage blijft zijn favoriete filiaal van de fotografie. “Ik sleepte de mensen altijd met veel enthousiasme mee naar buiten. Als je Ramones om middernacht in een studio in New York fotografeert, weet je dat er niks spannends gaat gebeuren. Maar als je met hen op stap gaat in nachtelijk Manhattan, misschien wel. En dus trok ik zo vaak mogelijk de straat op. Ik wilde het onverwachte een kans geven.

‘Wie zegt dat ik altijd op het juiste moment afdrukte? Misschien was het juiste moment al voorbij. Of moest het nog komen.’ Beeld Thomas Sweertvaegher
‘Wie zegt dat ik altijd op het juiste moment afdrukte? Misschien was het juiste moment al voorbij. Of moest het nog komen.’Beeld Thomas Sweertvaegher

“Eigenlijk ben ik een wandelaar die een excuus zoekt om te gaan wandelen. En dat excuus is de fotografie. Met een fototoestel in mijn handen kan ik schaamteloos doen wat ik het liefste doe: rondlopen en rondkijken. De Franse fotograaf Henri Cartier-­Bresson zei: ‘Het enige wat een fotograaf nodig heeft, zijn twee goeie voeten en een wijsvinger.’ De nagel op de kop. Alleen laten mijn voeten het tegenwoordig soms afweten.” (lachje)

Is straatfotografie anno 2022 geen hachelijke discipline geworden? Krijgen fotografen vandaag niet vaker verwensingen naar het hoofd geslingerd? “Er is meer achterdocht, ja. Zeker in Vlaanderen. Een tijd geleden fotografeerde ik op een garageverkoop de poppen van een twaalfjarig meisje. Ze steigerde: ‘Stop daar onmiddellijk mee, mijnheer.’ (lacht) Nu goed, argwaan is altijd al een Vlaamse specialiteit ­geweest. In Amerika kwamen mensen mij soms ­vrágen om een foto van hen te maken. ‘Misschien krijgen we dankzij die foto wel een rol in Hollywood’, dachten ze. In Vlaanderen denkt iedereen: ‘Waarom fotografeert die gast mij? Is hij iets van plan? Wil hij mij erin luizen?’”

Selleslags ontmoette Serge Gainsbourg vier keer. Deze foto, waar ook Gainsbourgs muze Jane Birkin op staat, dateert van 1970. Beeld Herman Selleslags
Selleslags ontmoette Serge Gainsbourg vier keer. Deze foto, waar ook Gainsbourgs muze Jane Birkin op staat, dateert van 1970.Beeld Herman Selleslags

Thomas Sweertvaegher: “Dat soort reacties krijg je sinds de opkomst van de sociale media steeds vaker. Mensen weten dat elke foto die van hen gemaakt wordt viraal kan gaan.”

Selleslags: “In Japan moeten fototoestellen sinds kort verplicht een klikgeluid maken. Zodat mensen het horen als ze gefotografeerd worden. Ik begrijp dat wel. Al is het niet omdat je een foto maakt dat je die ook gaat gebruiken. Zolang je een beeld in je camera bewaart, doe je er in principe weinig verkeerds mee.”

Herman Selleslags werd vaak geroemd voor zijn ­timing: de gave om precies op het juiste moment af te drukken. Om in een fractie van een seconde de essentie van een gebeurtenis vast te leggen. Maar zelf vindt hij le moment décisif maar een bedenkelijk concept. “Wie zegt dat ik altijd op het juiste moment afdrukte? Misschien was het juiste moment al voorbij. Of moest het nog komen. Neem het van mij aan: fotografie is puur toeval. Al kun je het toeval wel voorzien. Door veel rond te kijken. En vooral: door voeling te houden met je apparatuur. Ik ga binnenkort nog eens een fotoreportage maken. Dat is al een tijd geleden en dus loop ik nu al regelmatig met mijn Nikon rond. Zodat ik me niet hoef af te vragen hoe ik dat toestel ook weer moet bedienen als er straks iets moois gebeurt.”

Het luie oog van Sartre

“Zal ik jullie mijn donkere kamer eens tonen?” Thomas Sweertvaegher moet er niet over nadenken. “Zo’n donkere kamer heeft voor mij iets mythisch”, zegt hij. “Als ik Stephan Vanfleteren hoor vertellen over de donkere kamer in de vroegere redactielokalen van De Morgen, heb ik altijd het gevoel dat ik iets gemist heb. Ik stel me dan voor dat alle fotografen van De Morgen ’s avonds gezellig in de ‘doka’ kropen en elkaars werk prezen. Maar wellicht romantiseer ik het en haatten ze elkaar.” (lacht)

Geen filmster in deze Ford Thunderbird, maar ‘een goeie vriendin’. ‘Alles aan deze foto is fake.’   Beeld Herman Selleslags
Geen filmster in deze Ford Thunderbird, maar ‘een goeie vriendin’. ‘Alles aan deze foto is fake.’Beeld Herman Selleslags

Selleslags: “De manier waarop persfotografen vroeger werkten, wordt wel vaker geromantiseerd. ‘Jullie kregen zoveel bewegingsvrijheid’, zeggen mensen dikwijls. De waarheid is dat ik altijd drie camera’s moest meezeulen: een kleurencamera, een zwart-witcamera en een reservecamera. Bewegingsvrijheid, mon oeil. Fotograferen was een gedoe. De camera’s van vandaag zijn veel kleiner en wendbaarder. En met één en dezelfde camera maak je nu zowel kleurenfoto’s als zwart-witbeelden.”

Sweertvaegher maakt van de gelegenheid gebruik om Selleslags in zijn donkere kamer te portretteren. Tussen de kliks door worden er verhalen uitgewisseld. “Als jonge fotograaf moest ik uitgever Rob van Gennep portretteren in Amsterdam”, vertelt Selle­slags. “‘Nou’, zei Van Gennep smalend tegen mij. ‘Jij bent wel héél nerveus. Ga maar even wandelen en kom dan nog eens terug.’” (lacht)

We trekken naar de woonkamer op de beneden­verdieping, waar oude studiolampen van het Japanse merk Narita zichzelf als staanlampen hebben heruitgevonden. “Die lampen stonden in de fotostudio van mijn vader. Het is bij hem dat ik heb leren fotograferen. Aanvankelijk dacht ik: wat een verschrikkelijke job. Als assistent was ik voortdurend met glas­platen, lampen en statieven aan het sleuren. Maar uiteindelijk is de fotografie mijn reddingsboei geweest: ik zou niet weten wat ik anders had moeten doen.”

Selleslags zet verse koffie, ik overschouw de werk­tafel vol fotoprints. Mijn ogen worden gegijzeld door een foto van een bloedmooie vrouw in een cabrio. Een Italiaanse filmster, gok ik. Maar ik vergis me. “Dat was een vriendin van mij”, zegt Selleslags. “Ik heb haar gefotografeerd alsof ze een filmster was. De bontjas had ze van haar vader – een bonthandelaar – geleend, de Ford Thunderbird had ik voor een dag in bruikleen gekregen van Ford. Alles is fake aan deze foto. Als je nog een bewijs zocht dat fotografie nooit de waarheid vertelt: je kijkt ernaar.”

Alleen de rode Ford F150 is echt op dit beeld, gemaakt in Nevada. Beeld Herman Selleslags
Alleen de rode Ford F150 is echt op dit beeld, gemaakt in Nevada.Beeld Herman Selleslags

Hij toont me een bijzondere kleurenfoto die hij in Nevada maakte: een rode Ford, geparkeerd voor een beschilderde muur. “Ook op deze foto staat nauwelijks iets echts. De maanlanding, de astronaut, de cowboy, het paard: allemaal geschilderd, allemaal fake. Het enige wat in dit beeld reëel is, is de Ford F150 die voor de muur staat. En dan nog. Was die auto in werkelijkheid niet roder? Fotografie is hetzij een hyperbool, hetzij een parabool. Maar nooit de realiteit. Dat foto’s waar en waarachtig zouden zijn, is een misvatting.”

“In 1961 fotografeerde ik voor het ter ziele gegane weekblad De Post Jean-Paul Sartre. Toen ik aan ­Sartre werd voorgesteld, zag ik dat hij een lui oog had. Dat wist ik niet, want op de foto’s die Henri Cartier-Bresson van Sartre gemaakt had, was geen lui oog te zien. Cartier-Bresson verstopte dat oog, dus. Ik weet nog dat ik toen dacht: ‘Zie je wel dat iedereen liegt.’”

In fotografieboeken wordt Cartier-Bresson een artiest genoemd: een kwalificatie waartegen Selleslags zich altijd hartstochtelijk heeft verzet. Vindt hij nog steeds dat fotografen beter geen aanspraak maken op het woord kunst?

(knikt) “Het woord kunst is me veel te vaag. De Nederlandse taal heeft een woord dat veel beter omschrijft wat ik maak: foto’s. Helmut Newton zei: ‘I’m not an artist, I’m a photographer.’ Daar kan ik me helemaal in vinden. Schilders en schrijvers noemen zich toch ook geen kunstenaars? Die noemen zich een schilder of een schrijver, precies wat ze ook zijn. Alleen fotografen noemen zich kunstenaars. Mij niet gelaten. Maar als je je foto’s moet opsmukken met kunstige woorden, wil dat meestal zeggen dat ze niet goed genoeg zijn.”

‘Al dat gedoe over ­‘roofzuchtige’ ­fotografen die met hun beelden het leed in de wereld in stand houden: totale onzin.’ Beeld Thomas Sweertvaegher
‘Al dat gedoe over ­‘roofzuchtige’ ­fotografen die met hun beelden het leed in de wereld in stand houden: totale onzin.’Beeld Thomas Sweertvaegher

Ik werp op dat iemand als Dirk Braeckman juist blij is dat de fotografie erkend wordt als kunstvorm. “Dirk schildert met foto’s. Het kan zijn dat hij zichzelf veeleer als een kunstenaar beschouwt dan als een fotograaf. En dat mag: iedereen is vrij om zich te omschrijven zoals hij wil. Maar zelf noem ik me liever een fotograaf.”

Leven als een kameleon

We leggen nog één foto onder ons mentale vergrootglas: een gezinskiekje uit 1974. Vrouw Sonja, zoon Jan en dochter Yoko zitten dicht bij elkaar in de auto. Buiten regent het, maar binnen schijnt de zon: de foto is dan ook genomen net nadat Yoko uit Zuid-­Korea arriveerde en ten huize Selleslags het gezinsgeluk deed pieken.

“Een atypische foto”, noemt Selleslags het. “Meestal dicteert het toeval wat ik fotografeer. Maar voor deze foto hebben mijn gezinsleden duidelijk geposeerd. Het is ook een vrij sentimentele foto. Terwijl ik sentimentaliteit toch altijd vrij succesvol uit mijn beelden heb weten te weren.”

Gezinskiekje uit 1974. Vrouw Sonja, zoon Jan en dochter Yoko poseren. Beeld Herman Selleslags
Gezinskiekje uit 1974. Vrouw Sonja, zoon Jan en dochter Yoko poseren.Beeld Herman Selleslags

Lieten zijn kinderen zich graag door hem fotograferen? “Naarmate ze groter werden steeds minder. Mijn kleindochter zei al op haar negende: ‘Nu is het wel genoeg geweest.’ Wat later kwam ze op een tentoonstelling van mijn werk bij me klagen: ‘Hier hangt verdorie geen enkele foto van mij.’ (lacht) Maar ik ben blij met de foto’s die ik wél van haar gemaakt heb. Fotografie mag dan geen kunst zijn, het is wel degelijk magie: foto’s bevriezen de tijd. Elk beeld is een souvenir, een herinnering die ik opnieuw kan oproepen. Hoe ouder ik word, hoe meer tijd ik doorbreng met mijn foto’s. De fotografie is nog altijd mijn reddingsboei.” (glimlacht)

Veel fotografen gebruiken hun eigen leven als primaire grondstof voor hun werk. Herman Selleslags heeft vooral geput uit andermans bestaan. Toch noemt hij zijn werk ronduit autobiografisch. “Als ik John Lennon fotografeer, gaat die foto niet alleen over John Lennon, maar ook over Herman Selleslags die John Lennon ontmoet. Mijn foto’s vertellen dus ook het verhaal van míjn leven. Al betreur ik wel dat ik niet méér foto’s heb genomen toen ik 17, 18 jaar was: de jaren waarin ik het Antwerpse nachtleven ontdekte. Ik heb op café taferelen gezien die je niet voor mogelijk houdt. Die had ik beter moeten documen­teren.”

Waarom eigenlijk? Zijn hoofd heeft van die gebeurtenissen toch ook foto’s gemaakt? “Ja, maar je geheugen is niet te vertrouwen. De beelden die je in je hoofd hebt opgeslagen, wijken altijd af van wat er écht is gebeurd. Nu ja, foto’s kunnen ook verraderlijk zijn, daar hadden we het al over. Zelfs jouw stukken zijn niet eenduidig: ik neem aan dat mensen in jouw teksten weleens iets anders lezen dan wat jij bedoelt. In die zin is dit interview precies zoals een foto: het is een interpretatie van de werkelijkheid. Niet de werkelijkheid zelf.”

Tijdens een lang vervlogen interview zei hij: ‘Aan de foto’s van Robert Capa kun je zien dat hij een loslopend ­varken was. En aan die van Cartier-­Bresson dat hij een bourgeois was.’

Ik vraag wat zíjn foto’s over hem ­vertellen. “Dat ik een kameleon ben. Dat ik mij aanpas aan de omstandigheden. Dat klinkt een beetje ongunstig, maar ik vind een kameleon een erg verstandig dier. Aanpassings­vermogen is een sterk onderschatte kwaliteit.

“Toen ik pas begon te werken, dacht ik op voorhand uitgebreid na over hoe ik iemand ging fotograferen. Ik werkte altijd een heel scenario uit. Maar dat heb ik snel afgeleerd. Wat voor zin heeft het om te zeggen: ‘Ik wil Tina Turner op een houten keukenstoel fotograferen’? Misschien is er tijdens de fotosessie helemaal geen keukenstoel te bespeuren.”

‘Als ik op mijn 84ste al íéts heb geleerd, is het dit: doe wat de omstandigheden van je vragen.’ Beeld Thomas Sweertvaegher
‘Als ik op mijn 84ste al íéts heb geleerd, is het dit: doe wat de omstandigheden van je vragen.’Beeld Thomas Sweertvaegher

Hij neemt een slok van zijn koffie en laat zich dan toch verleiden tot een filosofische bespiegeling. “Ik fotografeer zoals ik leef en vice versa: ik laat de dingen op me afkomen en ga niet bewust op zoek naar mooie momenten. Als ik op mijn 84ste al íéts heb geleerd, is het dit: doe wat de omstandigheden van je vragen. Onderga het leven en pas je aan. Wat kan je anders doen?”

Onze bijeenkomst eindigt op metaniveau: met mijn smartphone maak ik foto’s van fotograaf Sweert­vaegher die nog wat foto’s maakt van fotograaf Selle­slags. Terug thuis bekijk ik mijn beelden. Het valt me plots op hoe genadig de groeven in het gezicht van Herman Selleslags zijn. Zouden kameleons ­minder snel oud worden?

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234