Zondag 14/08/2022

Voorpublicatie

Exclusieve voorpublicatie: 'Moedervlekken' van Arnon Grunberg

Arnon Grunberg. Beeld Thomas Sweertvaegher
Arnon Grunberg.Beeld Thomas Sweertvaegher

Moeders zijn er in alle soorten en gewichten. Kinderen ook. De band tussen beiden kan liefdevol zijn, maar tegelijk ook grillig, verstikkend of ondoorgrondelijk. Wie kan er beter vertellen over die bijzondere relatie dan de Nederlandse schrijver Arnon Grunberg? In zijn ultieme moederroman Moedervlekken zet hij twee mensen neer die elkaar zo dicht op de huid zitten dat ze niet mét en niet zonder elkaar kunnen leven of sterven.

Arnon Grunberg

'Dekha,' zegt hij, 'we hebben zo nachtdienst. Ik moet echt naar huis.'

Ze gaat op bed zitten.

'Val je op zwarte vrouwen?'

De vraag verrast hem, overvalt hem zelfs.

Hij lacht. 'Dekha,' zegt hij, 'zo zie ik de wereld niet. Ik heb geen type. Ik val niet op een bepaald type vrouw. Het spijt me.'

Hij gaat naast haar op het bed zitten. Niet om haar te verleiden, maar omdat hij zich ongemakkelijk voelt. Naakt, terwijl hij zijn kleren nog aanheeft.

'Hoe zie je de wereld dan, Kadoke?'

Hij maakt een armbeweging, slikt zijn woorden in, zonder dat hij precies weet wat hij wil zeggen. 'Ik ben psychiater,' zegt hij, 'dat is wie ik ben. Daar gaat mijn leven over. En verder zijn er andere behandelaars en patiënten, de dans tussen behandelaar en patiënt, tussen patiënt en patiënt, die tragikomische dans. Zo zie ik de wereld.'

Hij slaat een arm om haar heen, zonder haar aan te kijken. Zijn antwoord is wederom onbevredigend. Hij voelt het. Ze accepteert zijn woorden niet.

'En vrienden?' vraagt ze. 'Zijn er vrienden?'

Ze gaat op bed liggen. Hij gaat naast haar liggen. Met kleren aan. Zijn moeder zou dat vreselijk vinden, die vindt dat je niet met kleren op bed mag liggen.

'Ik heb niet veel vrienden.'

'Waarom niet?'

'Dat is een persoonlijke vraag. Ik heb daar geen antwoord op, Dekha. Heb jij vrienden? Wat doet het er ook toe. Je was onzeker over je functioneren, over de crisisdienst, daar hadden we het over.'

Kadoke heeft geprobeerd van de teleurstelling zijn vriend te maken, maar het is niet gelukt. Weinig vrienden, zijn werk is zijn hobby, een moeder. Dat vat vrijwel alles samen.

'Ik heb wel wat vrienden.' Ze streelt zijn haar. 'Maar we kunnen het toch ook over jou hebben? Je hebt zulk lekker haar.'

'Nee.' Hij komt overeind, gaat naast haar op bed zitten. Hij voelt zich een kind. 'Dit gaat niet over mij. Ik ben onbelangrijk. Of ik vrienden heb of niet. Of ik van bowlen hou of niet. We gaan het niet over mij hebben. En ik wil niet tot mijn haar worden gereduceerd.'

'Bowlen?'

'Ik zeg maar wat. Het is jaren geleden dat ik voor het laatst heb gebowld.'

'Dus je houdt niet van zwarte vrouwen? Je flirt niet met me omdat ik zwart ben?'

Hij wrijft over zijn voorhoofd. Iedereen deelt de wereld in op zijn eigen manier. Kadoke begrijpt dat, maar voor hem moet de indeling functioneel zijn. De huidskleur van de persoon die een suïcidepoging achter de rug heeft speelt zelden een doorslag­gevende rol in de evaluatie. Religie speelt eveneens amper een rol. Hij heeft weleens asielzoekers geëvalueerd, maar ook daar ging het eerder om een traumatisch verleden dan om huidskleur. Voor zover je echt oorzaken kunt aanwijzen uiteraard, voor zover elke oorzaak niet een veronderstelling is, een verhaal dat wordt verteld omdat er nu eenmaal verhalen moeten worden verteld.

'Als ik al met je geflirt heb, dan omdat je een arts in opleiding bent. Verder nergens om. Als ik je beledigd heb, dan bied ik mijn excuses aan.'

'Je hebt me helemaal niet beledigd. Ik was nieuwsgierig naar je, dat is alles.'

Hij draait zich naar haar toe, pakt haar pols. 'Ik wil niet dat je nieuwsgierig naar me bent,' zegt hij. 'Het hoeft niet. Er is niets om nieuwsgierig naar te zijn. Je projecteert dingen op me. Dat mag, dat kan ik je niet verbieden. Maar ik kan je wel vragen om het niet te doen. Projecteer je verlangens op iemand anders, niet op mij. Ik heb genoeg mensen teleurgesteld. Laat mij met rust. Graaf niet in mij. Je zult niets vinden.'

Ze staart hem geschrokken aan. Misschien sprak hij te hard, was hij te fel, had hij zich ironischer moeten uitdrukken? Is dat niet de kern van de meeste charme? Dat de onverkwikkelijke boodschap ironisch wordt verpakt?

'Dus jij, Kadoke,' zegt ze, 'bent de verboden kamer. Wat verleidelijk. Wat opwindend.'

Haar lukt de ironie, die hem ontglipt. Hij laat haar pols los.

'Ik ben niet de verboden kamer. Als ik mezelf tot verboden kamer zou uitroepen, zou dat inderdaad alleen een uitnodiging zijn om binnen te komen en ik begrijp dat je mijn woorden zo interpreteerde. Ik bedoelde dat niet elk contact verdiept hoeft te worden, niet elke nieuwsgierigheid moet worden bevredigd. Je hebt niet het recht om alles te weten.'

'Je wijst me af?'

'Nee. Ik wijs je niet af. Ik geef grenzen aan. Be­per­kingen die voortvloeien uit de manier waarop wij elkaar hebben ontmoet. Over een paar uur begint onze nachtdienst. Ik ga naar huis. Ik zal je begeleiden, meer heb ik je niet te bieden.'

Ze trekt hem naar zich toe. Niet agressief, zelfs niet echt verleidelijk, eerder zoals je een deken naar je toe trekt.

'Dus je wilt wel met de patiënten ten onder gaan, maar niet met mij?'

Hij schudt langzaam zijn hoofd. Zijn eigen woorden komen hem nu opeens absurd voor. 'Ik heb me afgevraagd of serieuze suïcidepreventie niet ook dat aanbod zou moeten behelzen. Ik ga met je mee. Ik loop die laatste weg met je ten einde. Waar jij ten onder gaat, zal ik ten onder gaan. Dat was mijn vraag, mijn twijfel. Dat stond los van jou. Want jij bent geen patiënt.'

'Ik ben geen patiënt,' zegt ze. 'Dat is waar.' En ze kust hem, met hartstocht, met een overgave die hem verbaast. Hij kan alleen maar denken: ze wil bewijzen dat ze er toch een is. Hij zoent terug, hij voelt haar lichaam, maar ze kleedt hem niet uit en hij kleedt haar niet uit. Het is niet de lust die komt, maar de gedachte aan de naderende nachtdienst. Nog even blijven ze zo liggen, allebei met hun kleren aan, op het keurig opgemaakte bed van Dekha. Hij staart naar de stapel handdoeken, alsof het hier een hotel is, zo liggen ze daar. Zo keurig, zo prettig en toch volstrekt onpersoonlijk. De handdoeken lijken op hem, keurig, prettig en onpersoonlijk.

'Ik moet echt naar mijn moeder,' zegt hij. 'Er is een nieuw meisje dat op mijn moeder past. Ik moet haar inwerken, ik moet kijken of alles goed gaat.'

'Woon je bij je moeder?'

'Sinds kort. Het klinkt raar. Een volwassen man die bij zijn moeder woont, maar ik ben weer bij haar ingetrokken, de meisjes die voor haar zorgden hebben ontslag genomen en ik dacht: ik doe het zolang zelf wel.'

Hij klinkt verontschuldigend, zelfs tegenover haar. Ook hier voelt de terugkeer als een kleine nederlaag, al was het maar een maatschappelijke nederlaag.

Ze speelt met zijn haar. 'Je moet je weer eens scheren,' zegt ze.

'Geen tijd.'

'Alles aan jou ruikt naar rook.'

'Mijn moeder ruikt niets meer. Ik denk dat ik een vrouw moet zoeken die ook niets meer ruikt.'

Kadoke komt van het bed af, probeert de deken en de sprei recht te trekken. 'Het was hier zo mooi op­gemaakt,' zegt hij. Dekha blijft liggen.

'Leuk dat je zo'n goed contact hebt met je moeder. Ik spreek mijn familie niet meer.'

Hij staat naast de stoel waarop de handdoeken liggen. 'In sommige gevallen is geen contact te prefereren boven contact.'

'Zo kun je erover praten. Zo kun je erover denken. Je kunt over alles wel denken: het is goed zo.'

Hij haalt zijn handen door zijn haar. 'Ergens vannacht zie ik je.' Hij wil zich vooroverbuigen om haar een kus te geven, dat leek hem het minste, maar uiteindelijk raakt hij alleen haar bovenarm aan.

'Je komt er zelf wel uit,' zegt ze.

Hij knikt. En een paar seconden later loopt hij de trap af en ruikt hij de verf weer. Kadoke kan zich niet geheel aan de indruk onttrekken dat hij de arts in opleiding niet geheel naar behoren begeleidt. Niet omdat hij haar gezoend heeft, maar omdat hij haar niet naar behoren heeft gezoend, omdat zijn antwoorden niet de antwoorden waren die zij nodig heeft. Iedere arts in opleiding heeft weer andere antwoorden nodig, andere begeleiding.

In zijn auto rookt hij twee sigaretten. Die zal Kadoke wel missen, sigaretten. Na het leven.

In een viswinkel koopt hij drie moten kabeljauw.

Tegen haar gewoonte zit moeder op de kruk in de keuken. Michette is nog niet thuisgekomen.

'Ik heb zelf maar thee gezet,' zegt moeder. Er klinkt lichte verontwaardiging in haar stem.

'Dat is heel goed.'

'Vroeger deden de meisjes dat.'

'Ik dacht dat je niemand nodig had.'

'Ik ben nu zo oud dat er wel voor me gezorgd mag worden.'

Hij trekt zijn trainingsjack uit, hangt het op in de garderobe en omhelst moeder. Ze kust hem, fluistert koosnaampjes in zijn oor.

'Jij past op mij,' zegt ze. 'Jij bent mijn vadertje.'

'Ik ben je zoon.' Hij schenkt haar een nieuwe kop thee in, pakt de rol met medicijnen en doet de tabletten die ze die avond na het eten moet slikken in een klein potje.

'Je bent ook mijn vader.' Ze kijkt hem aan met felle ogen. Ze heeft die wens eerder geuit maar nooit zo streng als op deze avond, niet eerder heeft ze hem zo dwingend uitgeroepen tot haar vader.

'Ik vind het wat veel om vader én zoon te zijn. Maar als het moet dan moet het.'

'Je past toch op mij,' zegt moeder. 'Daarom ben je mijn vadertje.'

'Dat is waar,' antwoordt Kadoke. 'Ik pas op je.' Hij kijkt op zijn telefoon om te zien hoe laat het is. 'Het nieuwe meisje zal er zo zijn, maar ik begin alvast met koken.'

Moeder veert op. Er zijn verscheidene moeders; de afhankelijke, de wanhopige, de angstige, de strijdlustige. Hier komt de strijdlustige moeder tevoorschijn. Hij ziet het aan haar ogen.

'Dat nieuwe meisje? Die straatvrouw komt er bij mij niet meer in. Ik wil haar niet, ik kan haar niet gebruiken. Heb je gezien wat ze met mijn woon­kamer heeft gedaan?'

'Wat heeft ze dan gedaan?'

Moeder laat zich van de kruk glijden, pakt haar stok en loopt snel naar de woonkamer. Daar prikt ze met haar stok in een stuk textiel dat onder de koffietafel ligt. Kadoke bukt zich om te zien wat daar ligt. Het is een onderbroek van Michette.

'Dat is toch smerig,' zegt moeder. 'Ik kan dat vod ruiken als ik aan de andere kant van de kamer zit.'

'Nee moeder,' zegt hij. 'Dat kan niet. Je reukorgaan doet het niet meer. Je kunt de onderbroek van Michette niet ruiken.'

'Soms doet mijn reukorgaan het weer.'

'Ik zal het met Michette bespreken, als ze er weer is. Ik zal haar vragen haar lingerie niet zomaar te laten rondslingeren.'

'Maar ik wil die straatvrouw niet in huis. Ik ben vanmiddag ook niet op de bank gaan liggen. Je denkt toch niet dat ik ga liggen waar die straatvrouw heeft gelegen?'

'Waar heb je dan gelegen?'

'Op de grond.'

Ze wijst op het Perzische tapijt.

Kadoke pakt haar vast. 'Moeder,' zegt hij, 'zo vat je kou. Je kunt niet op de grond gaan slapen. Ik heb het je eerder gezegd, je bent geen hond. Ik zal lakens op de bank leggen, zodat Michette daar 's nachts kan slapen en dan kun jij overdag op je vertrouwde bank je middagdutje doen. Dan hoef je niet vies van haar te zijn.'

Moeder schudt haar hoofd.

'Vies,' zegt ze alleen maar. 'Vies vind ik het allemaal.'

'Ik begrijp het niet,' antwoordt Kadoke. 'Je hebt de oorlog meegemaakt en je maakt je druk om Michette.'

'Auschwitz was minder vies dan die straatvrouw,' verkondigt moeder.

Ze staat daar in haar woonkamer, woedend om een onderbroek die onder de koffietafel ligt, alsof die alles symboliseert waar zij zich niet mee heeft kunnen verzoenen.

Even streelt hij voorzichtig haar haren, drukt haar tegen zich aan. Dan neemt hij haar mee naar de keuken.

'Ik heb kabeljauw gekocht,' zegt hij.

'Vind ik dat lekker?'

Ze is weer op haar kruk gaan zitten en kijkt wantrouwend naar de drie moten die hij op een soepbord heeft gelegd. Omdat Michette er niet is doet hij één moot terug in het zakje en legt dat in de koelkast. Vervolgens verkondigt Kadoke dat moeder kabeljauw altijd lekker heeft gevonden, dan begint hij zich af te vragen hoe hij de kabeljauw zal klaarmaken en of Michette ooit nog terug zal komen. Of hij haar moet zoeken als ze niet terugkomt. Eerst kookt hij aardappelen in de schil en als die klaar zijn legt hij de moten kabeljauw in het vocht waarin de aardappelen hebben gekookt. Hij weet niet of het de juiste methode is, maar het is in elk geval een methode die weinig schade kan aanrichten. Omdat hij geen groente heeft gehaald, snijdt hij wat tomaten en wast een krop sla die hij in een buitenkast vindt.

Hij legt de kabeljauw en twee aardappelen op een bord. De salade serveert hij in een bakje. Als hij daarmee klaar is pakt moeder zijn onderarm vast. 'Dat jij voor me moet koken,' zegt ze. 'Wat maakt me dat verdrietig. We hadden hoge verwachtingen van je. Zulke hoge verwachtingen. Vooral je vader.'

Ze blijft zijn arm vasthouden.

'Het geeft niet,' antwoordt hij. 'Het is tijdelijk.'

'We zullen zien.' Hij merkt dat ze haar twijfels heeft of het echt tijdelijk is. Dat ze vreest dat hij zal eindigen als kok en verzorger. Een zoveelste teleurstelling.

Kadoke wacht tot zijn moeder op haar stoel aan de eettafel zit en brengt haar dan het bord met de kabeljauw en het bakje met de sla.

'En bestek?' roept moeder. 'Of moet ik soms met mijn handen eten?'

'Komt eraan.'

Hij haalt zijn eigen eten en bestek voor twee personen en gaat naast zijn moeder zitten. Ze eten zoals altijd zwijgend. Hij vraagt of ze muziek wil horen maar daar heeft ze geen behoefte aan.

'Wil je het journaal zien?' vraagt hij als ze twee aardappelen en de helft van haar vis heeft gegeten.

Moeder wil het journaal zien. Ze gaat op de stoel vlak voor de tv zitten. Kadoke heeft al een paar keer voorgesteld naar de oogarts te gaan, maar moeder antwoordt steeds weer: 'Ach, die oogarts, die wil alleen maar geld aan mij verdienen.'

De bel gaat.

'Michette,' zegt hij en hij hoort de opluchting in zijn stem. Kadoke opent de deur. Michette heeft een muts op en een grote tas bij zich waar, zo vermoedt hij, haar camera's in zullen zitten.

'Daar ben ik weer,' zegt ze.

Ze zet haar tas op de grond, drukt haar jas in Kadoke's hand, die hij daarom maar ophangt. Ze loopt de woonkamer in alsof ze hier al jaren woont en gaat op de bank zitten waarop ze die nacht heeft geslapen.

Moeder keurt Michette geen blik waardig. De nieuwe bejaardenverzorgster zit met haar muts op op de bank en kijkt recht voor zich uit. Alsof ze in een wachtkamer zit, klaar voor de dokter. Kadoke gaat op een stoel tegenover haar zitten.

'Wie is dat?' vraagt Michette. Ze wijst op een schilderij dat aan de muur hangt.

'Dat ben ik toen ik jong was. Er is nog kabeljauw. Wij hebben al gegeten.'

'Ik heb ook al gegeten. Je kijkt zo serieus op dat schilderij. Heb je wel gelachen als kind?'

'Ik heb veel gelachen als kind. Wat heb je gegeten als ik vragen mag?'

'Muesli.'

'Dat is geen avondeten. Ik denk dat het goed is als je wat vis eet. Iets anders: wil je je ondergoed hier niet laten slingeren? Moeder vindt dat vervelend. Dit is een woonkamer. Je slaapt in andermans woon­kamer.'

Ze kijkt naar haar onderbroek. Ze lijkt zelf verbaasd te zijn dat die daar ligt.

'Oké,' zegt ze. 'Het was een teken van vertrouwen dat ik hem hier liet liggen. Ik doe dat echt niet overal.'

'Dank je voor het vertrouwen,' zegt Kadoke. 'Dan nog wat praktische details. Moeder gaat meestal om halfnegen naar boven. Ze gaat vroeg in bed liggen. Soms zit ze eerst nog even aan haar bureau in de slaapkamer. Wil jij haar zo naar boven brengen? Als moeder klaar is en aangeeft dat de dag wat haar betreft beëindigd mag worden? Tandenpoetsen doet ze eerst nog in de keuken.'

'Is goed.'

Nu wendt moeder zich van de tv af. Ze keert zich naar Kadoke toe en zegt: 'Ich sag das jetzt einmal auf Deutsch: Ich möchte von dieser Frau nicht angefasst werden.'

Kadoke wrijft in zijn ogen. 'Lieverd, Duits is geen geheimtaal. Michette verstaat je vast. Ook als je Duits spreekt. Ze is niet vies. Ze is een gewone vrouw. Zoals er veel vrouwen zijn. Misschien met wat meer lit­tekens, maar die zijn niet vies.'

'Met oude mensen wordt geen rekening gehouden,' mompelt moeder en ze keert zich weer naar de televisie.

'Michette,' zegt Kadoke, 'zou je kunnen opstaan en zou je zachtjes moeders hand of arm willen aan­raken?'

Michettes blik verraadt afkeuring, op zijn minst weerstand, maar ze staat op en loopt naar moeder. Moeder zelf doet alsof ze niets heeft gehoord. Ze is verdiept in het journaal, hoewel het onderwerp, iets met veeteelt, haar onmogelijk kan interesseren.

De jonge vrouw die hij in huis heeft gehaald om alternatieve therapie op toe te passen, staat naast moeder. Ze lijkt niet te weten wat ze moet doen, alsof een doodgewone aanraking zo beladen is geworden dat ze het niet meer kan. Dan legt Michette voorzichtig haar rechterhand op de linkerhand van moeder, die in haar schoot ligt.

Uit moeders mond ontsnapt een hoge, indringende kreet alsof ze op haar hoofd is geslagen of iemand haar onverwacht in de billen heeft ge­knepen.

'Wat is er, moeder?' vraagt Kadoke.

'Ik vind dat vies,' zegt ze. 'De hand van die vrouw. Ik vind dat gewoon smerig.'

Kadoke knikt.

'Michette, hoe vind jij het om moeder aan te raken?'

De hand van Michette ligt nog altijd op moeders hand.

'Ik vind het oké,' zegt ze, 'maar als je moeder het echt niet wil hou ik er onmiddellijk mee op.'

Moeder reageert niet. Ze kijkt nu naar het weer. Ze veinst dat niets spannender of belangrijker is dan het weerbericht voor morgen.

Kadoke knielt aan de rechterkant van de stoel naast moeder en pakt haar andere hand. 'Denk je dat je aan Michette zou kunnen wennen?' vraagt hij. 'Dat zij je naar bed brengt en onder de douche zet?'

De hand van Michette begint moeders hand en haar onderarm te strelen. Moeder kijkt ernaar alsof de hand een soort ongedierte is, en misschien zijn de handen van Michette ook wel kleine diertjes.

Hoe langer Kadoke naar de hand van Michette kijkt die over moeders onderarm wrijft, hoe meer hij het gevoel heeft dat de hand onafhankelijk van haar lichaam en haar hoofd opereert, een eigen leven leidt.

'Ik heb toch geen keus,' zegt moeder zacht.

'Maar zou je eraan kunnen wennen?' vraagt de zoon, die sinds kort weet dat hij ook de vader is.

'Als het moet.'

De hand van Michette blijft de onderarm van moeder strelen, niet alleen de onderarm, ook de bovenarm. Een apparaat dat is begonnen met strelen en dat er nu niet meer mee kan ophouden.

Kadoke komt overeind. 'Ik zal de kabeljauw voor je koken,' zegt hij tegen Michette. 'Maar vanaf morgen kook jij.'

Terwijl hij op weg is naar de keuken hoort hij moeder zeggen: 'Hij kan niet koken, maar hij doet zijn best.'

Arnon Grunberg, Moedervlekken, Lebowski, 400 p., 22,50 euro.

Het boek verschijnt op 7 mei.

undefined

null Beeld rv
Beeld rv
Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234