Zondag 08/12/2019

interview

Ex-hoofdredacteur 'The Guardian': "Donald Trump is een zegen voor de journalistiek"

Alan Rusbridger, tot 2015 hoofdredacteur van de Engelse krant 'The Guardian': 'Mensen als Trump herinneren het publiek er­aan dat een samenleving journalistiek nodig heeft. Maar dan moeten we ons werk wel goed gaan doen.' Beeld Franky Verdickt

Voor vele journalisten is hij een held, voor uitgevers een roekeloze dwars­ligger. Alan Rusbridger (64) was als hoofd­redacteur van The Guardian verantwoordelijk voor een van de grootste succes­verhalen uit de media­geschiedenis – én voor een flinke financiële krater. Hoe kijkt hij nu, als lezer, naar de omknelling van kranten tussen mondige lezers en in elkaar stuikende zaken­modellen?

"Ik heb jullie toch geen depressie aangepraat?” vraagt Alan Rusbridger na ons gesprek. De man stond tot 2015 twintig jaar lang aan het hoofd van The Guardian. Onder zijn bewind groeide die uit van een kleine Britse krant tot een van de grootste nieuws­merken ter wereld. Maar wie van Rusbridger een triomfantelijk verhaal verwacht over hoe hij dat huzaren­stukje voor elkaar kreeg, komt van een kale reis thuis.

Nadat hij drie jaar geleden de deur van de redactie achter zich dicht­trok, schreef hij een boek waarin hij zijn visie op de media uiteenzet. Maar ook in dat boek – in september in de boekhandel – geen grote theorieën en al helemaal geen succes­formules. De immer bedachtzaam en aarzelend formulerende Oxford-intellectueel Alan Rusbridger mag dan al een van de grootste succes­story’s in de krantenwereld geschreven hebben, hij is de eerste om toe te geven dat hij het ook allemaal niet zo goed weet.

Rusbridger is in het land op uitnodiging van De Persgroep, het moederbedrijf van deze krant. Voor de verzamelde hoofd­redacteurs van het bedrijf komt hij het verhaal doen van de wonderbaarlijke expansie van ‘zijn’ krant. De ontvangst in België was zoals hij het zelf omschrijft “quite sceptical”. Niet geheel onlogisch: de spectaculaire groei van het aantal The Guardian-lezers onder Rusbridgers bewind ging immers gepaard met grote financiële verliezen. Rode cijfers die hem uiteindelijk ook de kop kostten.

Liever dan over business­modellen heeft ­Rus­bridger het over journalistiek. Want dit staat voor hem als een paal boven water: in tijden van de brexit en Trump is journalistiek belangrijker dan ooit. “Donald Trump is een zegen voor de journalistiek. Mensen als hij herinneren het publiek er­aan dat een samenleving journalistiek nodig heeft. Maar dan moeten we ons werk wel goed gaan doen.”

En daar is het, als je het Rusbridger vraagt, in het verleden fout gelopen. “Veel media hebben nog steeds de neiging het vingertje op te steken. Ze proberen mensen te overtuigen om te denken zoals zij. Maar zo werkt het niet meer. Het internet heeft de manier waarop mensen communiceren, de werking van de democratie en de rol van de journalistiek ingrijpend veranderd. Je staat niet meer op een platform boven je lezers, dat ­pikken ze niet meer. Je moet als journalist moeite doen om te weten te komen wat er bij een ­meerderheid van de bevolking leeft.”

The New York Times boekt net nu grote successen door zich, vanuit een gezagvolle positie, te profileren als een baken van waarheid.

Alan Rusbridger: “Ook als ‘baken van waarheid’ kun je luisteren naar wat je lezers je vertellen. Maar persoonlijk ben ik liever voorzichtig met het begrip ‘waarheid’. We kunnen proberen zo correct en accuraat mogelijk te zijn, maar ik vind het gevaarlijk om te claimen dat je de waarheid in pacht hebt. Ik geloof daar niet in. We moeten ­streven naar, zoals Carl Bernstein (Amerikaans journalist, onder meer betrokken bij de Watergate-onthullingen, red.) het omschrijft, ‘de best haalbare versie van de waarheid’.”

Hebt u bij The Guardian beter geluisterd naar de lezers dan de concurrentie?

“We zullen sommige dingen wel goed gedaan hebben, maar het is nog steeds te vroeg dag om te kunnen zeggen welke nu wel of geen goede beslissingen waren. Neem nu de lezers­commentaren. Ik heb vanop de eerste rij meegemaakt hoe het denken daarover is geëvolueerd.”

“Aanvankelijk was iedereen enthousiast; de lezer zou eindelijk zijn mening kunnen geven, hij zou deel gaan uitmaken van het verhaal. De commentaar­sectie leek op dat moment een garantie op een fantastische relatie met de lezer. Maar vijf jaar en een stroom van ongenuanceerde commentaren later klonk dat helemaal anders. De lezers waren plots idioten en de commentaar­secties werden afgesloten.

“Bij The Guardian hebben we dat niet gedaan. Je lezers laten weten dat je niet geïnteresseerd bent in wat zij denken, is gewoon een verkeerde boodschap. Ik blijf die commentaren heel ­interessant vinden, alleen moet je wel tijd en ­middelen willen investeren in de zoektocht naar de juiste manier om ze te gebruiken.”

Vele online­reacties zijn natuurlijk ook gewoon haatdragend. Had u niet wat meer verwacht van die wissel­werking?

“Ik ben altijd een utopist geweest. Ik geloof heel erg in de kracht van technologische vooruitgang. En tot op bepaalde hoogte ben ook ik teleurgesteld over wat bijvoorbeeld social media ons tot nu hebben opgeleverd. Maar het is veel te vroeg om conclusies te trekken.

“Kijk naar Twitter. Het kan soms een riool zijn, maar zelf vind ik er nog altijd materiaal van heel hoge kwaliteit. Diepte­analyses over gecompliceerde onderwerpen, geschreven door mensen die echt weten waar ze het over hebben. Dat blijft winst die we zeven of acht jaar geleden toch niet hadden zien aankomen?”

Zijn we niet met zijn allen naïef geweest over de mogelijkheden van social media? Na de Arabische Lente zouden die de instrumenten zijn die wereldwijd tot meer democratie zouden leiden.

“Dat hebben ze toch gedaan? Alleen is het ­misschien niet het soort democratie dat wij leuk vinden. Social media hebben een grote rol gespeeld bij de verkiezing van Trump en de keuze voor de brexit.

“Ik ben geen fan van Trump, noch van de brexit, maar dat is nu eenmaal hoe democratie werkt. Als Thomas Piketty een boek schrijft waarin staat dat neo­liberalisme voor een grote groep mensen niet werkt, dan vinden we dat een interessante visie. Wanneer een miljoen mensen via Facebook dezelfde boodschap sturen, ­weliswaar wat rudimentairder verwoord, dan vinden we dat gevaarlijk voor de democratie. De traditionele media slagen er gewoon niet genoeg in dat soort signalen op te pikken.”

Hoe probeerde u dat bij The Guardian wel te doen?

“Ik haal dan graag het voorbeeld aan van Glenn Greenwald (‘The Guardian’-mede­werker die de onthullingen van Edward Snowden publiceerde, red.). Glenn is eigenlijk advocaat, wat betekent dat niemand hem dus de basics van de journalistiek heeft bijgebracht. Waar journalisten doorgaans ’s morgens naar de redactie komen, hun stuk schrijven en nadat ze op ‘send’ hebben gedrukt weer naar huis gaan, doet Glenn het anders.

“Voor hem begint het pas nadat zijn verhaal gepubliceerd wordt, mensen het lezen en er ­reacties komen. In plaats van naar huis te gaan zoals zijn collega’s, zet Glenn een kopje thee, gaat achter zijn computer zitten en begint met zijn lezers te praten. Zij halen fouten uit zijn artikels of komen met aanvullingen, waardoor Glenn een paar uur later een stuk heeft dat veel beter is dan zijn eerste versie.”

Greenwald is een uitzondering, zelfs naar de normen van The Guardian.

“Ik zeg niet dat iedereen letterlijk zijn voorbeeld moet volgen, maar hij slaagt er wel in het ­vertrouwen van zijn lezers te winnen. In een tijdperk waarin het vertrouwen in journalisten daalt, is dat op zijn minst iets om over na te denken.

“Maar wat misschien nog belangrijker is, is de band die hij op die manier met zijn lezers ­op­bouwt. Glenn heeft 950.000 volgers op Twitter. Allemaal mensen die hem vertrouwen, net omdat hij met hen in gesprek gaat. Ook Edward Snow­den was een van die mensen. Toen die hem in vertrouwen nam, leverde dat Glenn een Pulitzer op.”

Hoe maak je daar de norm van in een krant die ‘algemeen’ moet berichten?

“Keuzes maken. Doe wat je het beste doet en link naar de rest. Niet elk nieuws­merk moet de hele wereld willen coveren. Waarom zou je een ­journalist naar een treinbotsing sturen om daar quotes te gaan rapen die je ook bij de nieuws­agent­schappen vindt? Maar het bleek heel ­moeilijk om mensen ervan te overtuigen bepaalde dingen niet meer te doen. Dan ging ik op vakantie en merkte ik bij mijn terugkeer dat er toch weer dat soort artikels de krant waren binnen­geslopen. ‘Maar het was een mooi ­verhaal’, argumenteerden mijn cheffen toen. ‘En The Telegraph pakte er ook groot mee uit.’ Tja...”

U bent drie jaar geleden van hoofd­redacteur van The Guardian plots lezer van de krant geworden. Heeft dat uw visie veranderd?

“Uiteraard. Soms zijn dat kleine dingen. Zo heb ik nu pas het nut van goede grafieken ontdekt. Tegenwoordig denk ik bij het lezen van een stuk van 1.500 woorden steeds vaker: ‘Dat had je ook met drie goede grafieken uit kunnen leggen’.

“Maar ik stoor me ook aan de vermenging van feiten en opinie. Een krant moet me niet vanaf de voorpagina vertellen wat ik over de brexit moet denken. Ze moet ook niet proberen de schijn te wekken dat het een simpel verhaal is, want dat is het niet. Ik wil als een volwassene behandeld ­worden en uitleg krijgen over de voor- en nadelen van de verschillende opties. Een heleboel Britse kranten hebben dat niet gedaan. Ze hebben hun lezers gewoon gezegd hoe er volgens hen gestemd moest worden.”

Waarom hebben ze voor die optie gekozen?

“Dat gebeurde bewust. Omdat, zo zeggen ze dat dan, ‘niemand dat soort verdiepende stukken leest’. Elke nieuws­redactie heeft tegenwoordig programma’s die minutieus bijhouden welk stuk op de site hoeveel keer gelezen wordt. Ook al ­wisten ze dat de brexit op een catastrofe zou ­uitdraaien, toch hebben ze dat niet geschreven. Omdat het te ingewikkeld was om uit te leggen en omdat de cijfers zwart op wit lieten zien dat hun lezers liever verhalen over die malle Boris Johnson lazen. Ze hebben aan hun journalistieke verantwoordelijkheid verzaakt. Als lezer vind ik dat zorgwekkend.”

(lees verder onder de foto)

Alan Rusbridger spreekt zijn journalisten toe op de redactie in Londen, nadat 'The Guardian' in 2014 een Pulitzer­prijs had gewonnen voor de berichtgeving over NSA-spionage­praktijken, gebaseerd op documenten van Edward Snowden. Beeld David Levene for the Guardian

Rekening houden met leescijfers is toch ook een vorm van lezers­participatie toestaan?

“Natuurlijk kan het handig zijn om te merken dat lezers graag stukken over gezondheid of over het milieu lezen. Maar als uit de cijfers blijkt dat je lezers de brexit te ingewikkeld vinden, gooi je dan de handdoek? Val je er hen niet meer mee lastig? Of zeg je: ‘Ook al weten we dat je dit stuk niet wilt lezen, geloof ons, je zou het beter toch doen’.

“Soms waren journalisten weken, maanden of zelfs jaren bezig met een bepaald onderzoek. Maar het eerste stuk, de eerste bouw­steen van zo’n dossier, is daarom niet altijd even boeiend. Alleen heb je die stukken nodig om er later op verder te kunnen bouwen. En dus zetten we ze urenlang op onze homepage, ook al zorgden ze amper voor trafiek op de website.”

Die cijfers links laten liggen is natuurlijk ­makkelijk bij een krant als The Guardian, waar de financiële putten op het eind van het jaar gedempt worden door The Scott Trust, een gigantisch fonds dat de redactionele ­onaf­hankelijkheid moet waarborgen.

“Mensen hebben een verkeerd beeld van hoe het er bij The Guardian aan toegaat. De krant is geen goed doel. De rekeningen moeten wel degelijk betaald worden. We hebben een fonds dat bijspringt op mindere momenten en daar hebben we er de voorbije jaren heel wat van gekend. Maar dat betekent niet dat we gelijk wat kunnen doen, zonder ons van de financiën ook maar iets aan te trekken. Het verhaal van The Times is ­trouwens niet anders. Alleen is het daar Rupert Murdoch die de gaten dicht­rijdt. En bij The Washington Post hebben ze Jeff Bezos om de rekeningen te doen kloppen. We hebben allemaal wel iemand die ingrijpt in geval van nood.”

Uw successen werden op het einde ­over­schaduwd door de financiële verliezen die u maakte. Hoe kijkt u daar zelf op terug?

“Het komt er op aan een evenwicht te vinden tussen commercie en journalistiek. Tussen de cijfers doen kloppen en je journalisten toch nog maandenlang aan een verhaal laten werken. Er zijn drie verhalen waar The Guardian voor altijd voor herinnerd zal worden. Edward Snowden, WikiLeaks en het phone hacking-schandaal. De bedragen die wij aan die verhalen hebben gespendeerd, kan zelfs de creatiefste boekhouder ter wereld niet verantwoorden. Maar het zijn wel die verhalen die symbool staan voor de journalistiek die we bij The Guardian willen brengen. Ze hebben van de krant een wereldmerk voor kwaliteit en onafhankelijkheid gemaakt.”

Uzelf zult de geschiedenis ingaan als de man die weigerde een betaalmuur op te ­trekken en er zo in slaagde The Guardian tot wereldwijd ­nieuws­merk uit te laten groeien.

“Ik ben niet vanuit een bepaalde ideologie vertrokken. Zo’n betaalmuur leek me gewoon geen goed idee voor een kleine Britse krant. Uit onderzoek wisten we dat na het installeren van zo’n muur 90 procent van ons online­lezerspubliek zou afhaken. Aangezien we toen slechts de negende grootste krant van het land waren, zouden er amper lezers overblijven. We konden op die manier gewoon niet overleven. Net op dat moment – na de aanslagen van 9/11 – merkten we dat ons lezerspubliek in de VS sterk groeide. We hebben toen beslist om daar vol op in te zetten, maar nieuwe lezers lokken lukt niet wanneer die meteen tegen een betaalmuur lopen.

“Het idee was om een paar jaar verlies te slikken en die periode te gebruiken om fors te groeien. Wilden we nadien dan een betaalmuur installeren, dan kon dat nog altijd. Dat groeien is ons gelukt en die betaalmuur is er nog steeds niet. Misschien komt die er wel niet meer. Er zijn ondertussen 800.000 mensen wereldwijd die betalen voor The Guardian, door een lidmaatschap of met vrijwillige giften. Als alles goed gaat, maakt de krant binnen twee jaar winst.”

Betaalmuren worden steeds vaker met de vinger gewezen wanneer het over de verspreiding van fake news gaat. Hoe kijkt u daar tegenaan?

“Tijdens het schrijven van mijn boek dook er in Zweden een gruwelijke verkrachtings­zaak op. Volgens het verhaal dat gretig op social media werd gedeeld, zou de dader aansteker­vloeistof gebruikt hebben om de vagina van zijn slachtoffer in brand te steken. Daarop stak een storm van protest op en kregen de traditionele media het verwijt dat ze niet over de zaak wilden berichten. Ik stelde daar op Twitter wat vragen over en kreeg van twee Zweedse journalisten links doorgestuurd die moesten bewijzen dat ze wel degelijk aandacht voor de zaak hadden. Maar toen ik daarop klikte, botste ik op een betaalmuur. En om nu 9 euro neer te tellen voor een abonnement op een Zweedse krant die ik niet eens kon lezen, vond ik net een beetje te veel van het goede.

“Het is misschien maar een anekdote, maar ze legt wel de vinger op de wonde. De waarheid over die hele zaak zat achter de betaalmuur. Na wat meer onderzoek ontdekte ik zelf dat het verhaal niet klopte, maar niet iedereen heeft de tijd om zich er op die manier in vast te bijten. Daar ­moeten we als media toch bij stil durven te staan. Het is behoorlijk ingrijpend om in zo’n geval te zeggen: ‘Wij weten hoe de vork echt in de steel zit, maar we zijn niet van plan om dat te delen met jou’. Op zo’n moment komen commerciële en journalistieke motieven met elkaar in conflict.”

Zou elk land dan een soort The Guardian moeten hebben die al haar kwaliteits­journalistiek gratis online gooit?

“Als je vindt dat een betrouwbare, niet vervuilde bron van informatie van vitaal belang is voor een samenleving en je merkt dat de markt daar zelf niet voor kan zorgen, dan moet je dat overwegen. Het hoeft daarom geen krant te zijn. Kijk naar de BBC, naar alle waarschijnlijkheid de beste nieuws­organisatie ter wereld. Daar hebben ze 7.000 journalisten in dienst die allemaal betaald worden met belasting­geld en niemand die daar over klaagt.”

Behalve commerciële nieuws­organisaties die zuchten onder de concurrentie van openbare omroepen die nieuws gratis online kunnen zetten.

“Oneerlijke concurrentie? Toch niet vanuit het standpunt van de nieuws­consument? Toen ik hoofd­redacteur van The Guardian was, kon ik me ook druk maken over BBC News. Niet alleen omdat al hun berichtgeving gratis was, maar ook omdat ze zo waanzinnig goed waren. Ook dat was trouwens een van de redenen waarom het voor ons zo goed als onmogelijk was om een betaalmuur op te trekken. Maar als burger kon ik alleen maar blij zijn met alles wat de BBC deed.

“Voor commerciële nieuws­organisaties is zo’n publieke nieuwsdienst misschien oneerlijk, maar voor de samenleving is het een goede zaak. Daarom ook durft geen enkele politicus aan de BBC te raken. Hoe hard Rupert Murdoch ook roept dat het oneerlijk is. Mensen hebben nu ­eenmaal vertrouwen in de BBC en dat is meer dan wat je van The Sun kunt zeggen. Er is wat mij betreft niets fout met publieke financiering van nieuws. Het wordt alleen een probleem als enkel die publieke nieuwsbron overblijft. Maar zo ver zijn jullie in Vlaanderen nog lang niet, toch?”

Het boek van Alan Rusbridger, Breaking News: The Remaking of Journalism and Why It Matters Now, verschijnt in het najaar bij Canongate Books.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met De Morgen?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van De Morgen rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234