Maandag 09/12/2019

Boeken

Erwin Mortier schrijft hommage aan Jef Geeraerts: "Dit is een uitdrijving, alleen om hem te kunnen weerzien"

Een van de allerlaatste foto's van Jef Geeraerts en zijn vrouw Eleonore, in oktober 2006. Beeld Koen Broos

In Omtrent liefde en dood brengt Erwin Mortier een luisterrijke hommage aan zijn vriendschap met Jef Geeraerts en zijn echtgenote Eleonore Vigenon. Het temmen van de dood doordesemt elke pagina van dit relaas, geschreven door "een toekomstig skelet dat op een toetsenbord een danse macabre uitvoert".

Ons sterven mag dan van ons zijn, we zijn niet de grootgrondbezitters van onze dood. Die is van iedereen.”

Het zou een aforisme kunnen zijn uit de verzamelde werken van Arthur Schopenhauer of Michel de Montaigne. Maar het is wel degelijk een notitie van Erwin Mortier in Omtrent liefde en dood, zijn intieme eresaluut aan Jef Geeraerts (1930-2015) en zijn echtgenote Eleonore Vigenon (1938-2008). Eens gestorven worden we publiek bezit, een schrijver met enige envergure beseft het maar al te goed. “De afgelopen jaren heb ik vaker doden herdacht”, bedenkt Mortier. “Maar nog nooit heb ik geschreven over doden die ik van zo nabij heb gekend toen zij nog levend waren, en warm.”

Erwin Mortier. Beeld Jonas Lampens

Je kunt er niet omheen. Sinds een dik decennium waart Thanatos wel heel opdringerig rond in de cahiers én schrijfateliers van Mortier. Als gelouterd leverancier van rouw­bulletins liet de auteur van Goden­slaap en Sluitertijd zich allerminst onbetuigd. Denk maar aan zijn ­ uitzwaaiproza voor Hugo Claus, Gerard Mortier of Gerard Reve. Ook zijn fascinatie voor de Eerste Wereldoorlog en al dat vergeefs vergoten loopgravenbloed is bekend.

In het oeuvre van de ooit zo bejubelde schrijver is een elegische toon binnengeslopen, een niet te verdrijven tristesse over de vergankelijkheid. Heeft het te maken met de ­aftakeling van zijn – vorige week overleden – moeder waarover hij in Gestameld liedboek (2011) zo pijnlijk treffend schreef? Een aannemelijke hypothese. Alzheimer is een sluipdoder die niet enkel de zieke stapvoets de afgrond in drijft. Ook de omgeving moet leren omgaan met het nakende afscheid als een bestendige, jarenlange aanwezigheid.

De dood stileren

De dood van Jef Geeraerts aan een hartaanval op 11 mei 2015 leverde Mortier opnieuw “een boodschap van mijn eigen sterfelijkheid” af. Want “ieder verdriet kent blijkbaar zijn eigen gisting, zijn eigen droesem en afdronk. Elk verlies maakt ander verlies wakker.” Of zoals hij het met kenmerkend gevoel voor pathos formuleert: “Door hun dood is de sterfelijkheid onder de rokken van mijn taal gekropen en tot in mijn botten doorgedrongen”.

Erwin Mortier, 'Omtrent liefde en dood', De Bezige Bij, 104 p., 17,99 euro. Beeld RV

Geplaagd door nachtmerries en angstspasmen restte Mortier weinig keuze, beweert hij. “Als we de doden niet uit de kamers verdrijven, blijven ze hangen. Dit is een uitdrijving, alleen om hen te kunnen weerzien.”

Op 14 april 1978 trouwen Jef Geeraerts en Eleonore Vigenon in Gent. Beeld BELGA

Hij moest de dood stileren, “rillen en klappertanden in de taal” en “hen naar de overkant varen”. “Misschien is de pen in mijn handen de peddel die ik in de zachte bedding van de Styx dompel.”

Toch is dit geschrift meer dan zomaar een wenteling in droefgeestigheid of een pompeus rouwtelegram. Het is ook een bijwijlen mild komisch portret van een joyeuze vriendschap, waarover na Geeraerts’ dood de grauwsluier van aanslepende erfenisperikelen met de drie kinderen is komen te ­hangen.

De amicale omgang met Jef Geeraerts begon schoorvoetend, geeft Mortier toe. Die leek op het eerste gezicht weinig evident. Wat zouden een pointillistisch stilist en een schrijver van vitalistische, controversiële romans als de Gangreen-cyclus met elkaar gemeen kunnen hebben? Mortier en zijn levensgezel, radiomaker Lieven Vandenhaute, maakten kennis met Jef en Eleonore op het Parijse Salon du Livre, toen Vlaanderen en Nederland er in 2003 gastland waren. Het gebeurde tijdens een lunch op “een overbevolkte ambassade.” De glamoureuze “burgertrut” Eleonore, schrijft Mortier, was – zoals zo vaak – omgeven “door een explosie van bont van bijna uitgestorven dieren”, “gepantserd in glitter”, terwijl Jef “gekooid was achter die net iets te hippe bril van ondoorgrondelijk traliewerk”. Het duo was “geïntimideerd en ook wat spotziek”. Mortier noteert: “Er kwam ineens wel heel veel dierenleed en metallurgie op ons af”.

Ze bleken vlak bij elkaar te wonen. Mortier en Vandenhaute werden vanaf dat moment geregeld uitgenodigd in de bungalow in Baarle-Drongen, waarvan het ­koppel later zelfs de eigenaar zou worden. Spoedig behoorden “de ­jongens, de snaken, de pubers”, zoals hij hen noemde, tot de inner circle van Geeraerts. Die had zich op dat moment tot de thriller bekeerd. Een carrièrewissel mee ingegeven door Eleonore, suggereert Mortier, want zij besefte dat “de oerbron van zijn schrijven, Afrika, Congo, aan het opdrogen was”.

Het gekraak van lederen pakken

Vandenhaute en Mortier zijn eersterangsgetuigen van de symbiotische omgang van het exuberante koppel, van hun soms verstikkende onafscheidelijkheid. Ze maken eerst nog grote sier met talloze diners en zomerse tuinfeesten. Ze wonen, stevig geparfumeerd, klassieke concerten bij, waar ze de toeschouwers ergeren met het gekraak van hun lederen pakken.

“Het schouwspel van hun tot ritus verheven hedonisme” zint niet iedereen. Gaandeweg weren ze de buitenwereld deskundiger af, “een eilandbestaan achter de vestingwal van groen in Baarle”. Dat verandert langzaam in “een overlevings­machine” en “een voorraadschuur”, gezien de slinkende inkomsten van de schrijver. Mortier schrijft de ­peripetieën met veel smaak op, in passages waaruit een zekere onbezonnenheid opkringelt en die tot de vrolijkste behoren van een over­wegend zwart omrand boek.

Het paradijs verbrijzelt wanneer Eleonore in 2007 voor het eerst kanker krijgt en in 2008 aan slokdarmkanker komt te sterven. Geeraerts blijft ontheemd en ontredderd ­achter, even overwoog hij zelfs om samen met haar euthanasie te plegen of zich “een kogel door de kop te jagen”. Eleonores opdracht om goed voor de poezen te zorgen, houdt hem licht overeind. “Te moedeloos om nog te schrijven, te moedeloos om haar te laten gaan, is hij in haar dood gaan wonen, wachtend op de zijne”, schrijft Mortier.

Geeraerts leek met “stervensangst” behekst. Zeven jaar lang zal hij haar urne met de as onder zijn werktafel verschuilen. Zijn viriele levensdrift sijpelt weg, slechts af en toe toont hij nog flitsen van stoerdoenerij. Zoals wanneer hij op zijn 77ste in de tuin van Mortier in “een enigszins verbouwereerde den” klom. “Tot de kruin vervaarlijk heen en weer wiegde.” Pogingen om zijn laatste roman De zwarte vogel (over Nora, het leven en de dood) af te werken, strandden in snippers en losse aanzetten.

Mortier vergezelde Geeraerts nog naar Congo voor een onafwendbare reis naar het verleden, uitmondend in een omstreden tv-documentaire én het boek Afscheid van Congo (2010). Geeraerts toonde “splinters van de oude koloniaal” en dat viel niet overal goed. Maar Mortier verdedigt zijn vriend. Hij hoedt zich ervoor “scherprechter van de tijd te zijn” of hem voor het “tribunaal van het Grote Gelijk” te sleuren. Waarna een zorgvuldige pleitrede volgt voor “de existentiële noodkreet” van de Gangreen-romans. Om vervolgens een dam op te werpen tegen wie “vanuit het academische onderhout” met elastiekjes op ‘de seksist’ en de ‘racist’ Geeraerts schoot.

Geeraerts’ nadagen waren lichtjes ontluisterend. Het laatste, ronduit voyeuristische Humo-interview, een week voor zijn fatale hartaanval, zette dat al treurig in de verf. Ook Mortier gaat de deerniswekkende details niet uit de weg, zij het met gepaste piëteit. Geeraerts’ woning veranderde in een puinhoop, de stofnesten rukten aan gestaag tempo op.

De opengeslagen agenda naast de telefoon was voorgoed verankerd op die augustusdag in 2008, toen Eleonore in zijn armen stierf. Haar beige, lederen jasje bleef over de stoelleuning gedrapeerd. Steeds vaker droeg hij een van haar dierentanden als een ketting om de hals. Het huis, de “laatste kampplaats” van de eeuwige jager, werd een vochtig mausoleum.

Mortier lijkt zich te willen verantwoorden voor het feit dat het ook hem niet doortastend lukte om de schrijver tot extra huishoudelijke hulp over te halen. De eigenzinnige Geeraerts ging prat op zijn onafhankelijkheid. Slechts de arts in het ziekenhuis, die laatste week, haalde – te laat – zijn slag thuis: “Ik laat je hier maar gaan, Jef, als er weer iemand aan huis komt om te schoonmaken, en af en toe voor jou te zorgen.”

Uitstrooiing op papier

En dan is er nog de zaak die niet alleen Dag Allemaal- en Story-redacteuren van de straat houdt: de aanslepende erfeniskwestie. Na Geeraerts’ dood barstte vrijwel onmiddellijk het gehakketak los over de nalatenschap. Zijn drie kinderen – met wie de schrijver allang gebrouilleerd was en die hij niet meer onder ogen wilde komen – eisten hun deel van de koek op en lieten zelfs de woning (die intussen eigendom was van Mortier en Vandenhaute) verzegelen. Ze verweten Mortier dat hij hun wettelijke part van de levensverzekering ter waarde van 152.000 euro achterhield.

Er was ook heisa over de al te schamel ingeschatte inboedel. En wat te denken van de Stichting Jef Geeraerts die door Mortier, Vandenhaute en Geeraerts in het leven was geroepen om later de auteursrechten te beheren? Mortier gaf vorige week in Humo geduldig opening van zaken en benadrukte dat hij zelf ook “stomverbaasd” was door de toewijzing als begunstigde van Geeraerts’ levensverzekering. En verzekerde: “Alles waar ze (de kinderen, DL) recht op hebben, zullen ze ook krijgen. Daar is geen enkele discussie over.”

Hij rept over de polemiek niet in deze “uitstrooiing op papier”, zoals hij zijn hommage noemt. Maar tussen de regels valt misschien wel een voorzichtige handreiking te detecteren. Op de spits drijven is uit den boze.

Weinig auteurs weten de dood zo te laten glanzen als Mortier, je zou bijna zeggen: als het koetswerk van een corbillard. Tot het zodanig schettert, weerkaatst en pijn doet aan de ogen. Soms klinken de langgerekte zinnen alsof ze ontsnapt zijn uit het repertoire van een übermaniërist. Aan tremolo valt in dit rouwgenre niet te ontkomen. Bij momenten lijkt Mortier de gijzelaar van zijn eigen stijl.

Niettemin is Omtrent liefde en dood een erg intense tekst, waarin zowel “het legato van de weemoed” als het “pizzicato van de scherts” zijn plek krijgt. Mortier verheft zich ver boven de anekdotiek en schakelt geregeld over op gemijmer: over hoe de geschiedenis individuele levens binnensijpelt, over vergankelijkheid, gemis en eenzaamheid, én over de koers van zijn auteurschap. Schrijven geldt in dit geval als “krachtig verwoorde onmacht”.

Toch alludeert Mortier meermaals op een welkome kentering in zijn werk en “het gevoel dat alles nog moet beginnen”. “Ik (hoop) dat ik de droefenis die de laatste paar jaren al te zeer mijn inkt is geweest nu ook aan de aarde kan overlaten.” Zou het?

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met De Morgen?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van De Morgen rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234