Donderdag 22/10/2020

AchtergrondBritpop

En plots was Oasis de grootste band ter wereld: ‘(What’s the Story) Morning Glory?’ wordt 25 jaar

Liam (links) en Noel Gallagher ten tijde van de de release van '(What's The Story) Morning Glory?’. ‘Als we hadden beseft dat we geschiedenis schreven, hadden we wel betere outfits gedragen.’Beeld rv

Morgen is het 25 jaar geleden dat (What’s The Story) Morning Glory? voor het eerst in de winkelrekken lag. Het tweede album van Oasis was het hoogtepunt van de Britpop-revolutie die bands als Blur en Pulp hadden ingezet, maar luidde meteen ook het begin van het einde in.

“We live in the shadows and we / Had the chance and threw it away / And it’s never gonna be the same / ‘Cause the years are falling by like the rain / It’s never gonna be the same”

Zo sneert Liam Gallagher op ‘Hello’, de eerste track op Oasis’ tweede album (What’s the Story) Morning Glory?. De lyrics zijn voor interpretatie vatbaar, maar het vergt niet buitensporig veel verbeelding om er het verhaal van Oasis in te lezen: een groepje losers uit Manchester krijgt de kans om de grootste band ter wereld te worden, maar gooien het succes dat ze bereiken snel weer weg, waarna de dingen nooit meer hetzelfde zouden zijn.

Op 2 oktober 1995 lag (What’s the Story) Morning Glory? in de winkelrekken. Het was de tweede ronde in wat de Britse pers de ‘Battle of the Bands’ noemde. Anderhalve maand eerder, op 14 augustus, kwamen de Oasis-single ‘Roll With It’ en de Blur-single ‘Country House’ op dezelfde dag uit. Op nieuwsuitzendingen werd de strijd om de verkoopcijfers omschreven als “the biggest chart battle in 30 years” en muziektijdschrift NME zette Oasis-zanger Liam Gallagher en Blur-frontman Damon Albarn samen op de cover, vergezeld van de kop ‘The British Heavyweight Championship’.

Oasis had kort daarvoor met ‘Some Might Say’ zijn eerste nummer 1-hit gescoord, maar Blur was op dat moment een grotere band, dankzij albums als Parklife (1994) en hits als ‘Girls & Boys’. Damon Albarn en zijn drie kompanen wonnen het pleit: van ‘Country House’, de eerste single van hun vierde album The Great Escape, gingen ruim 50.000 exemplaren meer over de toonbank dan van ‘Roll With It’.

Toch werd Morning Glory een absolute triomf voor Oasis. Hun rauwe, ongepolijste debuut, Definitely Maybe (1994), mocht al het record van ‘snelst verkopende debuut’ op zijn naam zetten, maar de opvolger katapulteerde de broertjes Gallagher in de popstratosfeer. Na het succes van ‘Some Might Say’ en ‘Roll With It’ kwamen ‘Wonderwall’ en ‘Don’t Look Back In Anger’: twee meezingers van singles die in geen tijd klassiekers werden, net als ‘Morning Glory’ en ‘Champagne Supernova’.

De recensies waren nochtans lauw – Melody Maker noemde het album “lui” en omschreef Oasis als een band die op zijn grenzen stootte. “Toen Morning Glory uitkwam, werd het universeel afgebroken in de pers”, vertelt Noel in de documentaire Live Forever: The Rise and Fall of Brit Pop (2003). Maar de fans waren laaiend enthousiast, en ze waren talrijk. Na een week tijd waren 345.000 exemplaren verkocht: alleen Michael Jacksons Bad (1987) deed ooit beter.  “It was just madness. We verkochten meer singles dan andere bands albums verkochten. Van ‘Don’t Look Back In Anger’ werden meer dan een miljoen singles verkocht.”

Marginaal stuk stront

Sinds de hoogdagen van The Beatles en The Rolling Stones was gitaarmuziek in Groot-Brittannië nooit zo populair als halverwege de jaren 90. Als tegenreactie op de grungerock uit de VS – denk: Nirvana, Pearl Jam, Soundgarden – omarmden bands als Suede en Blur hun Britse karakter. Tegelijk kenden kunstenaars als Damien Hirst en modellen als Kate Moss hun doorbraak: Groot-Brittannië werd opnieuw het culturele epicentrum van de wereld, Britpop was geboren.

Oasis waren laatkomers op het feestje. Het waren vijf lads uit de arbeidersklasse in Manchester. Ze waren de verliezers van het Thatcher-bewind (Gallagher zag de nieuwe wind van Tony Blair en zijn New Labour maar wat graag komen) en hadden, in hun eigen woorden, “nothing worth working for”. Alles wat overbleef was de droom om het te maken als rock-’n-roll-ster.

De media zetten graag de verschillen met Blur in de verf: vier middenklassejongeren, die elkaar leerden kennen aan de universiteit in Londen. De twee bands, Noel Gallagher en Damon Albarn op kop, gingen iets te gretig mee in die tweestrijd, die een dieptepunt kende toen Gallagher hoopte dat Albarn en Blur-bassist Alex James “aids kregen en stierven.” (Een uitspraak waarvoor de Oasis-gitarist zich, ietwat atypisch, nadien excuseerde.)

De muziekindustrie voer er wel bij: de strijd tussen Blur en Oasis leidde tot pieken in de verkoopcijfers, en in hun schaduw boekten ook mindere goden als Supergrass, Sleeper en Elastica succes. Het talent van Jarvis Cocker, de eeuwige loser uit Sheffield die met zijn band Pulp al ruim tien jaar in de marge rommelde, werd plots ook opgemerkt: Pulps vierde plaat, His ‘n’ Hers (1994), markeerde een lang verhoopte doorbraak. “In die periode leek er iets te veranderen”, herinnert Cocker zich in Live Forever. “Ik vond dat spannend, want er was een lange periode waar de wereld waar ik vandaan kwam als heel marginaal werd gezien. Ik was het gewoon om een marginaal stuk stront te zijn, en dan kwam dat stuk stront plots in de spotlights te staan, alsof een revolutie zich voltrok.”

Die revolutie was in het najaar van 1995 op haar hoogtepunt. In september releasete Blur The Great Escape, een exuberant album, met veel koperblazers en catchy deuntjes als ‘Stereotypes’ en ‘Charmless Man’. Eind oktober liet Pulp met Different Class een triomfantelijk meesterwerk op de wereld los. En tussenin was er dus (What’s The Story) Morning Glory?: een plaat die op nauwelijks vijftien dagen was opgenomen, maar de ene meezinger na de andere bevatte en geschoeid was op de leest van stadionconcerten. En wat meer was: Morning Glory was ook een succes in de VS, waar Blur nog steeds een nichefenomeen bleef. Oasis had The Battle of the Bands gewonnen.

Uiteindelijk werden er wereldwijd 22 miljoen exemplaren verkocht. Tien maanden na de release speelde Oasis twee openluchtconcerten in Knebworth, voor 250.000 man. Het waren de grootste staande concerten in de Britse geschiedenis. Er wordt geschat dat 2,5 miljoen Britten een ticket probeerden te bemachtigen. “Als we hadden beseft dat we geschiedenis zouden schrijven”, aldus Gallagher, “hadden we wel een betere outfit gedragen.” Dankzij Morning Glory werd Oasis de grootste band ter wereld.

Spice Girls

Maar als Morning Glory een hoogtepunt markeerde, wil dat zeggen dat het daarna naar beneden ging. Dat gold voor zowel Blur, Pulp als Oasis.

In Blur, “the drunkest band in the world”, kwamen de spanningen tussen zanger Damon Albarn en gitarist Graham Coxon op de voorgrond te staan: die laatste had zich bekeerd tot de gitaarexperimenten van Amerikaanse (!) bands als Sonic Youth, en wilde muziek maken “waarvan mensen bang werden”. Frisse popsongs werden op albums als Blur (1997) en 13 (1999) ingeruild voor noise, punk en een meer donkere ondertoon, terwijl Albarns observaties over Britse archetypen plaats maakten voor persoonlijke, introspectieve teksten over relatiebreuken (‘Tender’) en heroïne (‘Beetlebum’).

Jarvis Cocker stelde dan weer vast dat beroemd zijn “really shite” is. “Mijn manier om daarmee om te gaan was om zo dronken mogelijk te worden.” Different Class werd opgevolgd met This Is Hardcore (1998), een bijwijlen uitstekende, maar moeilijk verteerbare plaat die aanvoelt als een gigantische Britpop-kater. “This is the sound of someone losing the plot”, klinkt het in het toepasselijk getitelde ‘The Fear.’

De broertjes Gallagher vonden beroemd zijn dan weer fantastisch, maar gingen te ver in hun excessen: hun onderlinge ruzies werden breed uitgesmeerd in de tabloids, en cocaïne werd het epicentrum van hun bestaan. “All your dreams are made / When you’re chained to the mirror and the razor blade", klinkt het op ‘Morning Glory’. Maar het resulteerde in de immense mislukking Be Here Now (1997): een opgezwollen plaat van maar liefst 72 minuten, verspreid over 12 veel te lange nummers, met te veel gitaren en te weinig ideeën. “Het is de sound van een hoop kerels on coke, in de studio, die er geen fuck om geven”, gaf Noel Gallagher achteraf toe. In de vier platen die nadien nog volgden, zou Oasis het niveau van hun eerste twee albums nooit meer evenaren: tot hun split in 2009 bleven songs uit die vroege periode hun setlists domineren.

De Britpop-revolutie eindigde niet met een knal, maar met een plof: het hoogtepunt van (What’s The Story) Morning Glory? viel door niemand meer te overtreffen. Weldra werden de Britse hitlijsten weer gedomineerd door popacts als Spice Girls en Robbie Williams. Kamerpop-bands als Coldplay en Travis vijlden de rauwe kantjes van Oasis’ erfenis en behielden enkel het idee dat meezingbare ballads als ‘Wonderwall’ hits opleverden. Ondertussen gaven alternatieve rockbands als Radiohead hun publiek vooral niet wat het verhoopte: hun eigen meesterwerk, Kid A, werd dag op dag vijf jaar na Morning Glory uitgebracht.

Maar een kwarteeuw later heeft het tweede album van Oasis nauwelijks aan kracht ingeboet. Het is nog steeds een heerlijk vitale en onbescheiden plaat, van een groepje lads uit Manchester die de Grootste Band ter Wereld werden en zo gulzig van dat moment genoten dat er alleen een roes overbleef. Of, zoals Liam Gallagher zingt aan het einde van het briljante ‘Champagne Supernova’:

“Where were you while we were getting high?”

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234