Woensdag 23/10/2019

Analyse

En op het einde gaat iedereen dood: een warm pleidooi voor de feelbadfilm

Son of Saul wint tal van prijzen, maar is geen kassasucces. Beeld SONY PICTURES

Zeker, op zijn tijd is een feelgoodmovie heerlijk. Maar wie doordenkt, begrijpt dat je beter naar een feelbadmovie kunt kijken.

'Ik moet nog naar Son of Saul, maar ik krijg niemand mee." Deze verzuchting, een tijdje terug opgevangen, staat niet op zichzelf. Vijfsterrenrecensies en een regen aan prijzen, waaronder een kersverse Golden Globe, maakten van het Hongaarse Holocaust-drama geen doorslaand bioscoopsucces.

Die kloof tussen waardering door critici en bezoekcijfers is natuurlijk niet nieuw. Toch lijkt sprake van een trend, als het gaat om sombere films over zware onderwerpen: de drempel om voor dat type film een bioscoopkaartje aan te schaffen, lijkt hoger te liggen dan ooit. Juist in een topjaar voor de bioscoopbranche zou Son of Saul, in talloze lijstjes genoemd als beste film van 2015, het toch beter hebben moeten doen.

Goed, een film over de Holocaust belooft geen pretje te zijn, maar dat is slechts een deel van de verklaring. Films als Schindler's List en La vita è bella waren publiekssuccessen ondanks de concentratiekampscènes. Het verschil met Son of Saul: zowel Steven Spielbergs zwart-witdrama als Roberto Benigni's komedie gaven een positieve draai aan de geschiedenis. Regisseur László Nemes weigerde dat te doen. Son of Saul benadrukt niet de kans op overleving, maar het genadeloze proces van vernietiging.

Son of Saul is daarmee een echte feelbadfilm: de tegenpool van de immer populaire feelgoodfilm, waarin verliefden elkaar krijgen, de wereld gered wordt, de vijand tot inkeer komt of gewoon tot moes wordt geslagen en het publiek, kortom, na afloop met een blij gevoel de zaal uitloopt. Feelbadfilms zijn dwarse films die juist niet dat goede gevoel nastreven. De filmwetenschapper Nikolaj Lübecker schreef er een boek over, The Feel-Bad Film, waarin hij het genre analyseert. De verhouding tussen maker en kijker is bij de feelbadfilm wezenlijk anders, zegt Lübecker.

Zonder happy end is het tobben in de bioscoop. De feelbadfilm, die eind vorige eeuw nog een solide reputatie had, raakt meer en meer uit de mode. Begrijpelijk misschien, want wie de tijd, het geld en een oppas heeft gevonden om een avondje naar de film te kunnen, kiest liever voor garanties. Depressief worden is niet wat de meeste mensen verlangen van een avondje uit. Juist daarin schuilt een misverstand: feelbadfilms hebben heus niet altijd een deprimerend effect. Het is hoog tijd dat ze de aandacht krijgen die ze verdienen.

Daarom: drie redenen om toch naar films te kijken waar je niet meteen blij van wordt.

1. Feelgood is afgezaagd

Hollywood lijdt hevig aan het feelgoodsyndroom. De grote filmstudio's eisen dat filmscenario's lichtpuntjes bieden, zelfs als ze over waargebeurde ellende gaan. Life-affirming heet dat in Hollywood-termen: films moeten het leven bevestigen, wat zoveel inhoudt als de dood ontkennen. Er mogen doden vallen, dat wel. Hele planeten mogen verwoest worden, zolang het de kijker maar niet nodeloos confronteert met zijn eigen sterfelijkheid.

Die drang naar positivisme leidt in de praktijk tot een hele reeks beperkende voorschriften. Personages mogen niet al te onsympathiek zijn, rampspoed lokt altijd heldendom uit en vergelding is een gegeven, net als een goede afloop. Binnen dat strakke keurslijf is het verdraaid lastig om origineel te zijn. Niet voor niets lijken veel feelgoodfilms op elkaar.

Wie zich wil laten verrassen, gaat naar een feelbadfilm. Daar wordt geëxperimenteerd, daar wordt de filmtaal vernieuwd. Dat de uitkomst van een verhaal niet bij voorbaat vaststaat, betekent een enorme verrijking van de mogelijkheden van de scenarioschrijver.

Ook camerawerk en montage profiteren als het publiek niet voortdurend op zijn gemak hoeft te worden gesteld. Logisch dus dat feelbadfilms relatief vaak in de prijzen vallen. Recente Gouden Palm-winnaars of Oscar-genomineerde films als 12 Years a Slave, The Missing Picture, Jagten en Winter Sleep hebben een ding gemeen: ze zijn verontrustend, maar ook bijzonder knap gemaakt.

2. Feelbad graaft dieper

Natuurlijk is het fijn af en toe je verstand op nul te zetten in de bioscoop, maar het zou treurig zijn als het daar altijd bij bleef. Wie film puur als entertainment ziet, doet het medium tekort. De eis dat we ons na afloop prettig moeten voelen, gaat in tegen de drang van filmmakers om zich te verhouden tot de maatschappij, met al haar minder leuke kanten. De beste feelbadfilms snijden akelige onderwerpen aan. Dat is nodig.

Sprookjes zijn mooi, maar met de bittere werkelijkheid moeten we ook omgaan, al was het maar om te blijven zoeken naar echte oplossingen in plaats van Hollywood-eindes. Daarom is het ook van belang de zaken niet te versimpelen. Hoe fijn het ook kan zijn om naar Intouchables te kijken, voor een dieper inzicht in immigratie- en integratieproblemen zijn lastige, weerbarstige films als Eastern Boys of Play waardevoller, juist omdat de makers zich niks aantrekken van ingesleten filmwetten en ruimte laten voor twijfel.

3. Sombere film, positief effect

Van een feelbadfilm word je waarschijnlijk geen beter mens, al betoogt Lübecker in The Feel-Bad Film dat regisseurs als Michael Haneke en Lars von Trier hun publiek in ethisch opzicht proberen op te voeden. Het zou zelfs kunnen dat ze daarin slagen. Als het lezen van gelaagde, niet-voorspelbare literatuur het empathisch vermogen en zelfinzicht kan bevorderen, zoals onderzoekers beweren, geldt dat misschien ook voor het kijken naar gelaagde films.

Maar dat is niet het belangrijkste effect. Feelbadfilms, zegt Lübecker, spelen vooral een rol in het aanvaarden van ellende. Altijd plezier nastreven is niet gezond, je kop in het zand steken ook niet. Een feelgoodfilm biedt hooguit een schijnoplossing voor echt leed. Hoe sterk onze wil ook is om nare dingen te verzachten en te vergeten, het is beter om gewapend te zijn tegen de waarheid.

Dat maakt het kijken naar feelbadfilms op de lange termijn lonend. Van kunstenaars mogen we geen pasklare oplossingen verwachten, wel een brede blik op de wereld - en een stok achter de deur om pijn en problemen onder ogen te durven zien. Dat kan ook een vorm van troost zijn.

The Feel-Bad Film, Nikolaj Lübecker, Edinburgh University Press, 26,99 euro.

Films om je heerlijk slecht te voelen

Songs from the Second Floor
(Roy Andersson, 2000)
In zijn drie laatste films onderzocht Roy Andersson 'de staat van de mens'. De uitkomst is treurig; gemene, deerniswekkende stumperds zijn we. Het levert briljante, films op, waarvan de eerste het verrassendst was.

The Hole
(Tsai Ming-liang, 1998)
Een wonderlijke ziekte treft de inwoners van Taipei, vlak voor de eeuwwisseling. The Hole gaat over de eenzaamheid van het moderne grootstadsleven en het onvermogen tot communicatie. Vrolijke liedjes doorbreken de naargeestige sfeer.

Das Weisse Band
(Michael Haneke, 2009)
Vrijwel elke film van Haneke past in dit rijtje. Hoewel Das Weisse Band een stuk makkelijker wegkijkt dan bijvoorbeeld Funny Games, maakt het kille verhaal over Duitse dorpskinderen begin twintigste eeuw des te meer indruk.

The Missing Picture
(Rithy Panh, 2013)
Er valt weinig hoop te ontdekken in dit waargebeurde verhaal over de jeugd van de filmmaker, die tijdens het genadeloze Rode Khmer-bewind in Cambodja talloze familieleden verloor.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met De Morgen?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van De Morgen rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234