Maandag 14/10/2019

Interview

Els Dottermans en Han Kerckhoffs: ‘Wij kunnen alles relativeren, ook de lovende kritieken’

Wie is bang, het toneelstuk dat Tom Lanoye speciaal voor Els Dottermans (55) en Han Kerckhoffs (66) schreef, zorgde bij de première in Nederland op twee manieren voor vuurwerk. De diepchristelijke politieke partij SGP deelde na afloop flesjes water uit: de toeschouwers moesten na al die godslasterende taal hun mond maar eens spoelen. En dat terwijl de pers niet genoeg superlatieven kon vinden om Wie is bang de geschiedenis mee in te sturen.

Tom Lanoye voorzag zijn geheel eigen versie van Who’s Afraid of Virginia Woolf van nieuwe personages: Jo en Denise, twee vermoeide acteurs die fin de carrière zijn en het hebben over oud worden, hun tanende roem, het failliet van het theater en hun hopeloze huwelijk. Hij een oer-Hollander, zij een rasechte Vlaamse. Hij het toppunt van nuchterheid, zij vuriger dan een mortiergranaat. Om maar te zeggen dat de rollen Dottermans en Kerckhoffs, die ook in het echte leven een koppel zijn, op het lijf zijn geschreven.

‘Thuis zijn we heel harmonieus en kalm, omdat we op de scène alles uitvechten’, zeiden jullie toen jullie in 2001 speelden in Moeder Medea, ook een stuk over een echtelijke ruzie dat Lanoye voor jullie schreef.

Dottermans: “Zo gaat dat, ja. Alleen raakten we deze keer niet zo makkelijk op dat punt. Moeder Medea was Groot Theater, met personages die ver van ons afstonden.»

Kerckhoffs: “De rol van een koning, anno 1.000 voor Christus, staat net iets verder van mij af dan die van een vermoeide acteur die fin de carrière is. (lacht)

Dottermans: “Wie is bang gaat niet letterlijk over ons, maar Tom heeft de tekst wel voor een stuk gebaseerd op gesprekken met ons. In de verte zie je flarden van ons echte leven.”

Kerckhoffs: “We gaan elkaar twee uur lang te lijf met taal die we zelf ook gebruiken, in discussies over het toneelleven en ons huwelijk. Daardoor zat de tekst ons eerst te dicht op de huid. Ik kon het niet aan dat Els me aan één stuk door onder vuur nam, en zij kon het niet aan dat ik haar voor rotte vis uitschold. Pas na twee weken heb ik – met behulp van onze regisseur, de geweldige Koen De Sutter – een manier gevonden om het stuk te lijf te gaan zonder dat ik de hele tijd dacht: ‘Wat doet Els toch naar tegen mij.’”

Toch vreemd dat je na al die jaren ervaring het onderscheid tussen jezelf en je rol niet kon maken.

Kerckhoffs: “Als ik tegenover een andere actrice had gestaan, was dat probleem niet gerezen. Maar Els en ik zijn 24 jaar samen. Dan ervaar je nu eenmaal wel wat irritaties en onhebbelijkheden bij elkaar. Els wijst tijdens een discussie bijvoorbeeld vaak met haar vingertje in mijn richting. Ik vind dat onbeschrijfelijk irritant. Wanneer zij dat in de voorstelling ook doet, dan is het Han, en niet Jo, die meteen denkt: ‘Ga weg met dat vingertje!’ Want dat ken ik zo goed van thuis.”

Dottermans: “En als Han zo woedend speelde, dan dacht ik: ‘Is die afkeer nu gespeeld of echt?’”

Maar tegelijkertijd maakt die nabije werkelijkheid de voorstelling extra spannend.

Dottermans: “Omdat er geen hygiëne meer is tussen ons. Ik ben schaamteloos bij Han, ik geneer me nergens voor.”

Jo staat, net als jij, Han, voor het einde van zijn carrière. Lanoye schreef dit stuk ook ter ere van je pensioen. Je stopt ermee. Ik dacht dat acteurs niet van het podium af te slaan waren en in het harnas wilden sterven.

Kerckhoffs: “Dat is een romantisch cliché.”

Dottermans: “Wij zijn ambtenaren, hè. Cultuurambtenaren. (lacht)

Kerckhoffs: “Ik ga volgend seizoen wel nog de monoloog Spinoza, die Stefaan Van Brabandt voor me schreef, in Vlaanderen opvoeren. Tot mijn 68ste ga ik door, daarna is het mooi geweest. Enfin, dat zeg ik nu. Je weet nooit wat er nog op mijn pad komt.”

Dottermans: “Niet meer móéten spelen is een bevrijdende gedachte.”

‘Van mijn pensioen zullen we niet kunnen leven. En jij kunt nog niet met pensioen’, zegt Jo in Wie is bang. Jij móét dus wel doorgaan, Els.

Dottermans: “Ik mág nog tien jaar.”

Kerckhoffs: “Voor Els zou het wel een straf zijn als ze morgen moet stoppen.”

Dottermans: “Toch kan ik ook weleens denken: Pfffffft.’

Kerckhoffs: “Dat is mijn slechte invloed. (grinnikt)

Nog een uitspraak van Jo: ‘Niet alleen Shakespeare is dood, poepie. Toneel als geheel is overleden.’

Kerckhoffs: “Toneel is niet dood, maar het heeft het in Nederland wel erg moeilijk. De grote hits en bekende namen trekken nog wel publiek, maar in het algemeen is het afzien. Ik heb de afgelopen jaren in producties gestaan die zo slecht liepen dat ik me schaamde. Een tournee van veertig voorstellingen van Groningen tot Middelburg, en iedere avond niet meer dan 150 man in een schouwburg met plaats voor 700 mensen. Dat is zo demotiverend.”

Dottermans: “Verschrikkelijk.”

Kerckhoffs: “Als je dat keer op keer meemaakt, denk je: ‘Toneel leeft niet meer, het is dood.’ Natuurlijk sta je daarna ook wel weer voor volle zalen – als freelancer is je leven kleurrijk. Zonder dat evenwicht hou je het niet vol.”

Voor lege zalen spelen, dat ken jij niet, hè, Els?

Kerckhoffs: “Nóg niet, ze is nog maar net freelancer. (lacht) Ze werkt ook niet veel in Nederland, waar cabaret en musical het pleit hebben gewonnen. Twee jaar geleden is een kwart van de toneelsubsidies geschrapt, en dat ging gepaard met een enorm dedain. ‘Toneel is voor linkse zakkenvullers, subsidieslurpers die dingen maken voor een veel te klein publiek’, aldus onze liberale vrienden in de regering. Je weet hoe het gaat met populistische uitspraken: als je ze maar vaak genoeg herhaalt, gaan mensen ze geloven. Zelfs in mijn eigen familie heb ik al eens iemand horen zeggen ‘dat ik toch maar mooi van de staat leef’. Dat is zo, maar ik ben er fucking trots op dat ik in een staat leef die het belang inziet van toneel, en van mensen eventjes samen in alle stilte bij één en ander te laten stilstaan.”

Gaat het met het Vlaamse toneel dezelfde kant op? De N-VA ziet theatermakers ook als linkse subsidieslurpers.

Kerckhoffs: “Maar die negatieve stemming leeft in Vlaanderen nog niet. En ik hoop van harte dat dat nooit zal gebeuren.”

Dottermans: “In Vlaanderen staat het toneel toch ook op de helling, vind ik. Er zijn geen huizen meer met vaste gezelschappen. Iedereen reageert ook angstvallig op nieuwe collectieven die als paddenstoelen uit de grond schieten, want de subsidies moeten worden verdeeld. En er is al zo weinig geld.”

Kerckhoffs: “Ik deel die mening niet. Er is in de Vlaamse toneelwereld geen sprake van een crisis. Je mag je eigen nieuwe situatie – voor het eerst freelancer na dertig jaar vaste dienst bij grote huizen – niet verwarren met de toestand van het toneel in het algemeen.”

Dottermans: “Alle acteurs zijn nu freelancers.”

Kerckhoffs: “De meeste acteurs waren altijd al freelancer. Jij bent een van de weinigen die sinds de toneelschool in een vast gezelschap heeft gewerkt. Ik ken verder niemand in Vlaanderen die dat kan zeggen.”

Dottermans: “Dat geen enkel huis het nog noodzakelijk vindt om een groep acteurs bijeen te houden, vind ik geen plezierige evolutie. Zeker niet voor jonge, beginnende acteurs. Voor hen zijn er geen veilige plekken meer waar ze kunnen groeien. Ze zijn nu verplicht meteen eigen collectiefjes op te richten en makers te worden, terwijl niet elke acteur een maker is. Ik ben ook geen maker.”

Het idee voor Wass will das Weib? kwam toch van jou? En dat is ontegensprekelijk een hit.

Dottermans: “Maar dat is een liedjesprogramma. Mensen vinden zingen plezierig, ze snakken daarnaar. En toen was ik geen freelancer. Het is een productie van NTGent, ik kreeg steun langs alle kanten.”

Bijna elke voorstelling waarin jij meespeelt is een hit.

Kerckhoffs: “Dat is waar, Els. Jij hebt weinig ellende meegemaakt in je carrière. Je hebt in onwaarschijnlijk veel succesproducties gestaan. Dat maken de meeste acteurs niet mee, hoor. Maar dat komt niet alleen omdat je altijd bij grote huizen hebt gespeeld. Jij hebt gewoon een feilloze neus voor welke voorstellen je moet accepteren of weigeren. Als jij zegt: ‘Déze tekst met díé regisseur? Neen, dat wordt niets’, dan haak je af.”

Dottermans: “Dat is waar.”

Denise zegt in Wie is bang: ‘Ik zeg dit niet graag, maar het is een feit: ik ben een vedette.’ Dat is Els ook wel een beetje.

Kerckhoffs: “Tuurlijk is zij een vedette – wat dat ook moge zijn.”

Volgens Denise is Jo jaloers op haar succes en status.

Kerckhoffs: “(lacht) De buitenwereld maakt van haar een vedette, tussen ons speelt dat niet. Ik ben niet met een vedette getrouwd, ik ben gewoon met Els Dottermans getrouwd. Ze gedraagt zich thuis geen seconde als een vedette. Daar zou ik niet tegen kunnen. Maar Els is natuurlijk wereldberoemd in Vlaanderen, punt uit.”

In een vorig interview zei Els nochtans: ‘Ik wil me uitverkoren voelen. Ik doe geen auditie meer.’

Dottermans: “Ja, maar dat is een ander verhaal. Een regisseur moet denken: ‘Ik wil het koste wat het kost met díé actrice werken.’ Als een regisseur dat zegt, dan geef ik álles voor hem. Maar als er tien andere actrices naast me zitten met wie hij net zo goed wil werken, dan lukt me dat niet. Ik ben barslecht op audities. Ik haat het. Meestal moet je daar ook spelen met iemand die geen acteur is, maar alleen de antwoorden voorleest.”

Kerckhoffs: “Ik vind het ook fijn als ze me vragen omdat ze me kennen. Terecht ook, als je al veertig jaar speelt en in tachtig series hebt meegedaan. ‘Maar,’ zeggen ze toch vaak, ‘we willen je toch eens tegenover je tegenspeler zien spelen.’ Ach ja. Je kunt ook niet te vaak neen zeggen tegen castingbureaus, want dan bellen ze je op den duur niet meer. Ik ben, denk ik, ook wel iets beter in auditie doen. Jij komt meestal al met zoveel weerzin binnen dat het gewoon niet lukt.”

Dottermans: “Ik kom al kwaad binnen, dat is waar. Voor De luizenmoeder heb ik wel auditie gedaan, en ik kreeg uiteindelijk een andere rol dan die waarvoor ik gekomen was. (lacht)

“Ik heb als freelancer een beetje de beginnersfout gemaakt te denken: ‘Ik zal maar veel werken, want je weet maar nooit wat er kan gebeuren.’ Ik heb me een slag in de rondte gewerkt de afgelopen maanden. Maar ik kijk uit naar mijn leven als freelancer. Ik heb altijd de geborgenheid opgezocht van de grote huizen en me in de armen gesmeten van grote regisseurs die de leiding nemen. Maar op mijn leeftijd begin ik me van die nood aan geborgenheid los te maken, en voel ik de behoefte iets nieuws te proberen. Al is die breuk met NTGent (Dottermans vertrok er na een conflict in het ensemble, red.) me gewoon overkomen, net zoals alle belangrijke wendingen in mijn leven.”

Kerckhoffs: “En als huidig artistiek leider Milo Rau had gezegd: ‘Ik ga de spelersgroep bijeenhouden’, was je dan ook opgestapt?”

Dottermans: “Ja. Milo is ook weer zo’n sterke, dirigerende man. Ik heb dat niet meer nodig.”

Die hang naar geborgenheid is terug te voeren op hoe je bent opgegroeid in een, volgens jou, disfunctioneel gezin. Bij Han ging het er anders aan toe.

Dottermans: “Daar was alles zo keurig, correct, ordelijk. Afstandelijk ook wel. Han is een veel autonomer persoon dan ik en kan makkelijk alleen zijn.”

Kerckhoffs: “Wij zijn thuis erg gestimuleerd om onze eigen weg te zoeken, maar misschien leefden we daarom ook wel een beetje langs elkaar heen. ‘Hé, Han, zei jij nu dat jij ooit hebt paardgereden?’, vroeg mijn broer gisteren tijdens een familiereünie. ‘Dat heb ik nooit geweten.’ Dat is toch een beetje bizar?

“Ik ben in een sfeer opgegroeid van: doe maar wat je wilt. Niet dat mijn ouders liefdeloos waren – verre van. Ze hadden gewoon een groot vertrouwen in eigen kunnen. We wilden ook allemaal heel snel het huis uit. Die neiging om al jong op eigen benen te willen staan, had ook te maken met de geest van de jaren 70: je bleef niet zitten bij je ouders en hun burgerlijke leven. Hup! Naar Amsterdam: blowen en kraken!”

Hoe komt iemand uit zo’n keurig gezin erbij te gaan acteren?

Kerckhoffs: “Het Jezuïetencollege waar ik naar de middelbare school ging, had een enorme toneeltraditie. Daar ben ik beginnen te spelen. De wereld van het theater was me niet vreemd. Mijn vader was journalist en hij had al een paar toneelstukken geschreven.

“Ik heb wel eerst nog drie jaar geschiedenis aan de universiteit gestudeerd – dat werd in mijn milieu wat verwacht. Maar ik had op school ontdekt dat mensen ontzettend om mij moesten lachen als ik op een podium stond. Dat gaf mij de bevestiging die andere jongens vonden in sport. Ik wilde méér daarvan. Ik heb toen ik begon met spelen vooral in komedies gespeeld. Sinds ik in Vlaanderen woon, is dat aspect van mijn spelen wat ondergesneeuwd geraakt. Hier heeft men een veel serieuzer beeld van mij als acteur. Ik hield ook van de romantiek rond het toneel – de kleedkamers, de geur van de kostuums. Ik voel dat nog steeds, wanneer ik op plekken kom waar het ruikt zoals vroeger. Het was een warme wereld waar ik vol overgave ben ingestapt. Ik heb me er van het begin af aan thuis gevoeld.”

Jij niet, hè, Els? Het toneel is je zoals veel andere dingen ‘overkomen’, zoals je daarnet al zei. Je was met een vriendin meegegaan naar een auditie om haar te helpen. Zij werd niet gekozen, jij wel.

Dottermans: “Ik vond dat vreselijk, ik heb huilend in mijn bed gelegen. Ik was echt een dutske.

“Nu, ik droeg het spel in mij, maar als Ilse Uitterlinden dat niet had gezien, had ik hier nu niet gezeten. Zij heeft zich over mij ontfermd en mij laten ontbolsteren.”

Ivo Van Hove zei in Zomergasten: ‘Als je als acteur niet in jezelf wilt graven, kun je maar beter een ander vak kiezen.’

Kerckhoffs: “Mja. Ik ben niet zo’n graver, en ik ga regisseurs die op zelfonderzoek aansturen meestal uit de weg. Het zit niet in mij om voor alles een verklaring te zoeken. Ik heb daar met Els al veel discussies over gehad. Zij gelooft wel dat veel van wie we zijn terug te voeren is op onze jeugd.”

Els, regisseur Johan Simons heeft bij jou naar eigen zeggen de druk weggehaald om voor de grote schittering te gaan, de prestigieuze Theo d’Or te moeten winnen. Waarom wilde je dat zo graag?

Dottermans: “Dat had ook weer te maken met het rommelige gezin waarin ik opgroeide – mijn vader die als kunstschilder helemaal opging in zijn kunst, mijn moeder die troost zocht in de drank. Het was een huis van veel discussies. Ik heb daartussen standgehouden door de beste te proberen zijn, goede punten te halen en uit te blinken. Om aandacht te krijgen van mijn ouders. Wat niet simpel is als je met vijf kinderen bent. Moe dat je daarvan wordt! Maar die manier van overleven zet zich op den duur vast in je systeem.”

Kerckhoffs: “Ik weet het niet. Waarom heeft dat in ons gezin van zes kinderen dan niet gespeeld?”

Dottermans: “Omdat er bij jullie rust heerste, en er een natuurlijk gezag van de ouders uitging. Bij ons vroeg je je constant af: ‘Wanneer gaan we eten?’ ‘Waar zijn mijn kleren?’ ‘Kom ik wel op tijd op school?’ Ik kreeg helemaal niet, zoals jij, het gevoel dat het allemaal wel goed zou komen. Ik heb daar zélf voor moeten zorgen. Vandaar dat ik Grieks-Latijns koos en die goede punten wilde halen.”

Milo Rau stuurt zijn acteurs ook op zelfonderzoek. In La reprise. Histoire(s) du théâtre liet hij de rol van Ihsane Jarfi, slachtoffer van de zogenaamde eerste homofobe moord in België, en die van de moordenaar spelen door amateurspelers wier leven dicht aanleunt bij dat van hen. En hij laat die verhalen door elkaar lopen. Dat werkte subliem.

Kerckhoffs: “Ja, maar heb je Orestes in Mosul gezien? Het is leuk dat al die geweldige acteurs, zoals mijn vriend Bert Luppes, naar Mosul zijn geweest, maar de documentaire daarover die tijdens de voorstelling wordt getoond, is interessanter dan wat op het toneel te zien is. Voor de paar zinnen die Bert daar te zeggen heeft, hadden ze ook een stagiair kunnen aantrekken. Dat getuigt niet van veel respect voor de acteur.

“Maar Rau is natuurlijk een waanzinnig interessante maker, met een enorme drift om te vertellen. Een beetje een provocateur ook wel, maar een verrijking voor het Vlaamse toneel.”

Wordt een acteur, naarmate hij langer in het vak zit, steeds beter? Of roest hij eerder vast in routines?

Kerckhoffs: “Zó dicht bij mezelf spelen als in Wie is bang had ik nog nooit eerder gedaan. Ik heb echt een stap gezet, denk ik. Als oudere acteur kun je wel op je wijsheid terugvallen. Je hoeft niet meer alles uit de kast te halen, want je bént ook gewoon dat zware, volwassen lijf met dat grijze hoofd. Dat zie je ook bij Jan Decleir. Natuurlijk doet hij onderhuids nog van alles, maar hij weet dat hij voor een stuk kan vertrouwen op zijn imposante verschijning.

“Ik snap ook best dat ze me voor de zoveelste krimi vragen voor de rol van meneer pastoor, de burgemeester of een minister. Je hebt gewoon die rijpe kop. Die moet je te gelde maken, haha! Het voordeel dat jonge vrouwen doen met hun schoonheid, doen mannen met hun rijpheid.”

Dottermans: “Jonge jongens profiteren ook van hun schoonheid.”

Kerckhoffs: “Misschien, maar van dat soort populariteit heb ik nooit last gehad. (lacht)

Jij daarentegen, Els... Droom je nog weleens van die tijd?

Dottermans: “Dromen niet. Maar ik kan wel naar een foto van vroeger kijken en denken: kijk hoe mooi we waren, en we wisten het niet.”

Kerckhoffs: “We wisten het niet? Dat geloof ik niet.”

Dottermans: “Ik heb nooit van mezelf gedacht: ‘Amai, wat ben ik een mooie vrouw.’ Zo ben ik nooit door het leven gegaan.”

Kerckhoffs: “Hoe verklaarde je al die aandacht dan? Denk je dat die mannen geïnteresseerd waren in je bankrekening?”

Dottermans: “Nee, in mijn talent!”

Kerckhoffs: “Je wordt toch niet verliefd op talent?”

Waarop dan wel? Ik weet dat jullie elkaar ontmoet hebben tijdens een samenwerking van De Blauwe Maandag en Art & Pro. En dat jij, toen je Els heel onstuimig bezig zag, hebt geroepen: ‘Zo gaan we het toch niet spelen?’

Kerckhoffs: “Maar natuurlijk is juist die hevigheid, die ongebreidelde energie, wat mij zo aantrok. Terwijl ik op mijn beurt voor Els standvastigheid en trouw vertegenwoordigde, waar ze na haar vorige leven (met acteur Luk Perceval, red.) misschien behoefte aan had.”

Lanoye roemt ook nu in Wie is bang jouw onbegrensde energie weer. ‘Els is een mortiergranaat, ze staat er weer in al haar hoedanigheden: van grote comédienne tot emotioneel wrak en gillende keukenmeid.’ Het motto van Was will das Weib was het citaat uit Connie Palmens Lucifer: ‘Neem een vrouw haar lijden niet af, want het is vaak het enige waarin ze groots kan zijn.’ Is dat zo?

Dottermans: “Ik weet nog dat ik die zin las en zo hard moest lachen. Ik herkende het meteen. Mijn moeder was ook een koningin in het lijden. Ik bedoel dat niet oneerbiedig. Ze is de scheiding en de zelfmoord van mijn broer gewoon nooit te boven gekomen. Zij is toen van het lijden haar leven gaan maken.”

En jij je werk.

Dottermans: “Ik speel het graag. Zoals veel vrouwen dat volgens mij doen. Soms uit opportunistische overwegingen – om iets gedaan te krijgen. (lacht)

Met het citaat uit Lucifer bedoelde Connie Palmen dat vrouwen vaak aangetrokken worden door mannen die hen doen lijden, iemand die hen steeds wegduwt. Omdat het hen op een of andere manier herinnert aan hoe het er als kind thuis aan toe ging.

Dottermans: “Dat is volgens haar vaak de kern van een relatie, ja. Ik herkende dat. Maar je leert van vorige relaties. Tussen Han en mij speelt dat niet. Er heerst bij ons een grappige gelijkwaardigheid.”

Jullie zijn heel eerlijk tegen elkaar.

Kerckhoffs: “We kunnen vooral goed lachen samen. En relativeren. Ook de lovende kritieken, als die ons te beurt vallen.”

Was je echt nooit jaloers op Els haar succes, Han?

Kerckhoffs: “Ik ben soms wel jaloers geweest op haar vaste stek bij zo’n warm gezelschap. Als freelancer blijf je altijd een beetje een buitenstaander. Al heeft dat ook een voordeel: als er hommeles is, kun je snel je snor drukken. Terwijl Els hier twee jaar heeft rondgelopen van: ‘Oooo jongens, hoe moet het nu verder met die Simons en het NTGent?’”

Jo zegt in Wie is bang tegen Denise: ‘Je moet niet altijd zo depressief reageren op iets nieuws.’ Het geëxperimenteer bij het NTGent ging jou op een gegeven moment te ver. Je vond het niet de plaats om theater in vraag te stellen.

Dottermans: “Maar toen was ik heel boos. Natuurlijk moeten we theater wél in vraag stellen, maar ik wil die zaak niet opnieuw oprakelen, want ik word alweer woedend.

“Kijk, Johan wilde ons confronteren met een experiment: ik zag er helemaal niets in, maar werd gedwongen eraan mee te doen. Het was een voorstelling waarvan bij voorbaat vaststond dat er anderhalve man en een paardenkop naar zou komen kijken. We werden met zijn allen in een kleine kamer gezet met een dikke cactus (ze doelt op Benny Claessens, die haar nadien ‘the has-been pearl of he Flemish theatre’ noemde, red.). Johan Simons deed de deur dicht en zei: ‘Trek jullie plan!’ Ik heb toen de deur weer geopend en ben naar buiten gestapt. Waarop een groot conflict is ontstaan. Je kunt niet zomaar een vernieuwingsgranaat in een groep gooien zonder dat een moderator het effect een beetje in goede banen leidt. Dan ontstaat er geen gesprek, maar een handgemeen.”

Kerckhoffs: “Het is faliekant uitgedraaid. Ook voor de cactus.”

Dottermans: “Ik heb er van afgezien. Ik voelde me in de steek gelaten en ben vrienden kwijtgeraakt. Maar dat gebeurt nu eenmaal in theaterfamilies. Het komt wel weer goed.

“Ik ben bij TG Stan gaan spelen en dat was vreselijk spannend. Ze zijn een collectief waar ze alles samen beslissen. Er is geen leider en ze repeteren anders dan ik het gewend was. Ik ben er echt doodsbang geweest, maar die angst wakkerde ook iets aan. Ik heb dingen gedurfd waarvan ik niet wist dat ik ze in me had. Ik heb een Frans stuk uit mijn hoofd geleerd en ben zonder te repeteren in Genève op het podium gaan staan en ben beginnen te spelen. Dat was kicken, man! Ik wil alleen nog maar meer. Ik wil verontrust worden.”

Kerckhoffs: “Allemaal goed en wel, schat, maar nu moeten we spelen in Middelburg. Maak je je klaar?”

Kerckhoffs kust Dottermans en ze gaan af.

Wie is bang loopt nog tot 21 december. Tickets en info: ntgent.be
Tom Lanoye – Wie is bang, Prometheus

© Humo

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met De Morgen?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van De Morgen rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234