Woensdag 08/04/2020

Zomerverhaal

'Eenzaamheid is een besef, de liefde een geloof'

Beeld © KORNEEL DETAILLEUR

Vijf zomerse woensdagen lang pennen vijf Vlaamse schrijvers hun zwoelste zomerse verhaallijnen voor u neer. Eerste in de rij is Christophe Vekeman.

Ze werkte in een fruit- en groentewinkel in Sint-Amandsberg en sprak met een accent dat even Gents was als dat van Jacob van Artevelde met een cuberdon tussen de kiezen, maar had niettemin, afgaande op haar verschijning, net zo goed een Hollandse meid kunnen zijn. Rijzig, beetje hoekig lijf, donkerblonde haren in een paardenstaart dik als een tochthond, volle lippen, tanden waarvan de kracht en sterkte vanzelf tot uiting kwamen in hun glanzend witte kleur. En dan haar schouders. Schouders die lasten en leed konden dragen, brede rotsen in de branding die leken te zijn gemáákt om er naar believen uithuilend de heetste tranen op te storten. Een wonder van formaat was ze, kortom, al was het grootste wonder nog dat ze niet eens te mooi om waar te zijn was, want daar stond ze, daar stond zij wel degelijk, daar stond zij te leven, dag na dag, zij bewoog en ademde en praatte, telkens weer legde zij een pruim, banaan of appel in de metalen kom van haar weegschaal en zei ze hoeveel een en ander kostte. "Zesenveertig cent", zei ze, en "Alstublieft" en "Dag, dank u wel".

"De eenzaamheid is een besef, de liefde een geloof" - nee, zulke dingen zei ze dan weer nooit, ze kwamen niet eens in haar op, nog in geen honderd jaar, want toen hij de woorden enkele dagen geleden zelf hardop had uitgesproken, was haar blik meteen gevuld geraakt met verwarring die aan angst grensde. Ze had hem zwijgend aangekeken alsof hij geen dichter maar gek was. Misschien was het zelfs juist haar blik geweest die hem op het idee gebracht had. Hij had haar angst gezien en zich ogenblikkelijk, spontaan, gelaafd aan de aandacht voor hem waarmee die gepaard ging. En nu was hij hier. Er was nog altijd niets gebeurd, niet echt, maar het was zonder twijfel bezig te gebeuren. Met elke seconde die voorbijging, greep het meer en meer plaats. Er was een weg terug, jazeker, maar al had hij het gewild, hij zou hem niet hebben weten te vinden.

Christophe Vekeman.Beeld Johan Martens

Sinds hij haar de dag van de proclamatie, exact drie weken geleden nu, voor het eerst had gezien - sinds zijn leven definitief was veranderd -, was hij elke ochtend een stuk fruit bij haar komen kopen, maar zo vroeg als nu was hij nog nooit geweest, natuurlijk, en ze wees hem er dan ook op dat de winkel pas om negen uur open zou gaan.

"We zijn nog gesloten nu", zei ze.

"We?" vroeg hij, en hij voelde dat er in plaats van de nogal onheilspellende grijns die hij om zijn lippen had willen leggen louter een vertwijfeld en zelfs ronduit beverig glimlachje onder zijn neus ontstond. Maakte niet uit, ze zag het niet, gebukt bezig met trossen tomaten.

"Ik dan", zei ze, nog altijd zonder op te kijken.

Het was vijf over halfnegen en ook voor een mooie julidag in Sint-Amandsberg reeds warm op het onthutsende af.

"Maar ik ben hier nu", hoorde hij zichzelf hoog en zeurderig klinken, niet daadkrachtig, niet zelfzeker. Niet mannelijk. Hij probeerde het nog eens. Diepe stem, glimlachje weg. "Kijk, ik sta hier toch. Ik ben al binnen." Dat was al beter, dat was goed. "Hallo?" vervolgde hij toen echter, helaas, en daarmee was hij dus terug bij af of erger. Nu had hij als een lollig kind van acht geklonken. Hij klemde zijn tanden op elkaar. Negeer me maar, sprak hij haar in gedachten toe, trachtend zichzelf tot iets als woede op te schroeven, maar hij merkte dat hij uitsluitend liefde, ontzag en nervositeit gevoelde, en zoete onmacht om zijn ogen van het bruine reepje rug tussen haar jeans en T-shirt af te wenden, en toen zij plots uit haar gebogen houding overeind kwam en zich naar hem omdraaide, op hem neerkeek, minstens anderhalve kop groter dan hij, schrok en slikte hij, en hij slaagde er alleen maar in niet achteruit te deinzen door snel een stap naar voren te zetten.

"Ik ben Wakker", begon hij op hetzelfde moment te ratelen. Dat had hij voorbereid, daar had hij over nagedacht. "Ik heet eigenlijk Kurt Gilbos, weet je wel, maar ze noemen me Wakker." Het was een driedubbele leugen, onder meer omdat geen mens hem ooit iets noemde en de 'ze' waarvan sprake, zijn zogenaamde vrienden dus, zijn kompanen of zelfs medeclubleden, godbetert, in het geheel niet bestonden. Sommige mensen zijn zelfs te lelijk om vrienden te hebben, dacht hij zelf vaak genoeg. Een bochel had hij niet, eerder iets wat je een 'zware bovenrug' kon noemen, maar voorts was alles klein en dun en schriel aan hem, en droog en vaal en muf en schraal en oneffen, en terwijl hij zich heel duidelijk voelde als een monsterlijk misvormde mug die op het punt stond om op haar borsten te landen, hoorde hij zijn mond bevallen van de woorden die hij de voorbije eenentwintig dagen zonder onderbreking in zijn hart gedragen had: "Ik zie je graag. Je moet weten dat ik je graag zie. Ik weet dat jij mij niet graag ziet, ik weet dat dat onmogelijk is, maar ik hou van je en ik wil één ding van je vragen. Eén ding maar, en dan laat ik je met rust. Eén ding maar..."

Als bij elke bevalling kwamen er ook hier pijn en een algehele stortvloed aan emoties aan te pas, maar hij bleef anderzijds nuchter genoeg om opnieuw de verwarring en angst in haar ogen te zien, angst die van meet af aan voldoende groot was om zelfs niet nog groter te worden toen zij de punt gewaarwerd van het mes waarmee hij in haar zij prikte, tussen jeans en T-shirt in, en hem licht kreunend hoorde zeggen: "Het is niet echt een vraag, eigenlijk."

***

Aan twee dingen slechts, niet meer, had hij een grotere hekel dan aan die loden, kurkdroge hitte van heden (één ervan was regen, en het andere was kou), dus als je het agent Van Compernolle zou hebben gevraagd, dan had hij, iemand anders zijnde, vast en zeker niet graag met zichzelf te maken gehad op deze late dinsdagvoormiddag. Hij deed zelfs niet de moeite zich het boeigelijke hoofd te wissen, maar liet zijn zweet naar hartenlust vanonder zijn kepie over zijn gelaat omlaag stromen. Het maakte hem geen ene moer uit hoe hij eruitzag, of liever: hij hoopte erop dat hij met zijn kletsnatte varkenskop je reinste walg zou wekken bij iedereen die noodgedwongen met hem in aanraking kwam, niet in de laatste plaats bij de struise jongeman met zijn regenwormkleurige stekelhaar die een antracietgrijs confectiepak en een glanzend groene stropdas droeg, de homoseksuele uitslover, en die hem mededeelde dat zijn naam Pierre Liefmans was.

"Liefmans is een bier", knorde Van Compernolle.

"Men heeft mij daarnet gebeld van op het politiekantoor..."

"Mij ook..."

"... en ik ben meteen hiernaartoe gereden, ik ben de verloofde van Jessie, wij zijn verloofd!"

"En wie is Jessie dan wel?" vroeg agent Van Compernolle op een toon alsof hij op het punt stond om te sterven van ergernis en van verveling tezelfdertijd. Een man die Jessie heet, dacht hij hoofdschuddend.

"Jessie is het meisje dat verdwenen is, in hemelsnaam!" zette de jongeman het ei zo na op een schreeuwen. Hij nam een sinaasappel uit een krat en leek even aanstalten te maken hem uit louter radeloosheid tegen een muur van de winkel te barsten te gooien. "Jessie is het meisje dat, Jessie is het meisje dat weg is!"

Geen homo dus, dacht Van Compernolle. Maak dat de kat wijs, maar goed. Jessie. Nu herinnerde hij zich dat De Vlaminck het inderdaad over een 'Jessie' gehad had. Hij keek om zich heen. Rond halftwaalf had iemand de politie gebeld, een man uit een naburig rustoord, een vaste klant die zich verwonderd had, niet enkel over de afwezigheid van Jessie, maar ook en vooral over de chaos in de zaak, waarvan de vloer bezaaid lag met allerhande stukken fruit en groente, terwijl op de schappen langs de wanden getuige de vele lege plekken vaak volledige kisten en bakken ontbraken. Eens te meer bleek, kortom, dat de gelegenheid de dief maakte, en de gelegenheid was kennelijk al een hele poos een feit...

Dat eerst de halve winkel leeggeroofd moest worden vooraleer er ten langen leste dan toch nog iemand binnenstapte wiens burgerzin en verantwoordelijkheidsgevoel groter waren dan zijn hebzucht, vond Van Compernolle typisch, en meer bepaald vond hij het typisch voor het gedrag van mensen bij zulk onmenselijk weer, maar hij had tijd noch lust om er al te lang bij stil te blijven staan. Hij keek Pierre Liefmans aan en duwde met zijn wijsvinger tegen diens borst alsof hij op een deurbel drukte. "Weet je wat ik denk?" vroeg hij toen dermate luid, en zo klinkklaar en overdreven articulerend dat het zweet hem van de lippen spatte. "Ik denk", voegde hij er zonder pauze aan toe, "dat iemand dat meisje van jou heeft ontvoerd..."

"Maar waarom zou iemand Jessie in hemelsnaam willen ontvoeren?"

Van Compernolle keek Pierre Liefmans aan, en nu voelde hij opeens toch iets als medelijden met hem, zij het dan medelijden van de meest laatdunkende soort. Hij liet zijn arm zakken, stiet kort lucht door zijn neus naar buiten en trok zijn beide mondhoeken op in een beweging die even weinig vreugde suggereerde als er in zijn blik te vinden was. Maak dat de kat wijs, dacht hij opnieuw. "Nee", zei hij, "daar heb jij natuurlijk geen flauw idee van..."

***

Mocht hij een drietal uren eerder het vermoeden hebben uitgesproken dat de genaamde Jessie in staat van ontvoering verkeerde, hij zou het bij het rechte eind hebben gehad, maar nu zat Van Compernolle er even ver naast als toen Hendrik Goubert alias Kurt Gilbos alias Wakker zowel een paar dagen geleden als vanochtend nog de deernis en het ongeloof in Jessies ogen als verwarring en, och arme, angst had geïnterpreteerd. Vrijwel meteen nadat ze zich gehoorzaam door de treurspriet in haar oude Fiatje had laten dwingen en koers gezet had naar Lochristi, waar hij woonde, was ze tegen zijn protest in gestopt langs de kant van de weg en nam ze hem kordaat en eenvoudig het mes af. Het was een Zwitsers zakmes waarvan het lemmet korter was dan haar pink. Ze was uitgestapt, had het in een rioolputje gemikt en was toen verder gereden.

"Hou je mond en zit stil", had ze gedreigd, haar stem een storm van ongeduld, toen het mismaakte joch zich ondanks de wurgende warmte in het wagentje rillend en klappertandend tegen het passagiersportier aandrukte terwijl hij niettegenstaande bleef doen, door schielijke gebaren met zijn handen en armen te maken en door tevergeefs te proberen hoogst viriele basklanken te berde te brengen, alsof het nog immer hij was die de lakens uitdeelde. De jongen was debiel, dat wist zij al weken, maar hij deed tenminste wat zij had gevraagd: het gepiep dat uit zijn smalle borstkas opsteeg en de glazuren, rappe angstroffel die onophoudelijk van tussen zijn lippen vandaan kwam, waren de enige geluiden die hij na haar uitval nog maakte, en hij klemde zich nu roerloos aan de deurstang naast hem vast alsof ze geen vijfenzeventig maar tweehonderdvijftig reed. Waarheen? Niet naar Lochristi, uiteraard. Terug naar de winkel? Dat lag voor de hand, - maar misschien, misschien waren er ook nog andere mogelijkheden...? Misschien kan het geen kwaad om even heel goed na te denken, dacht ze terwijl ze niet zonder genoegen vaststelde dat ze zich eensklaps op de autosnelweg richting Oostende bevond.

Ze wierp een blik opzij op de bleke garnaal. Ga me nu niet vertellen, sprak ze hem stilzwijgend toe, dat jij het beste bent wat mij in lange tijd is overkomen. Ga het mij niet vertellen, doe het niet, drong ze nog steeds in stilte aan, maar zo er al iets als zelfmedelijden in haar opstond, klaar om haar te overweldigen met het zonder genade op een rijtje zetten van alles wat er niet deugde in haar leven, gaande van het formaat van Pierre zijn flieterfluit, zoals hij om de een of andere zeer zieke reden het gevalletje zelf graag noemde, tot het onmiskenbare gegeven dat zij plusminus gratis werkte, dag in dag uit, in een fruit- en groentewinkel en fruit en groente in haast even grote mate haatte als dat ze fruit- en groente-eters niet kon uitstaan, - zo er al iets, zeg ik, als een op zulke zaken gebaseerd gevoel van zelfmedelijden in haar opstond, dan was het hoe dan ook niet sterk genoeg, aldus bleek, om het te halen van haar vreugde dat ze deed wat ze kennelijk deed. Wat deed ze, deed ze wat?

Er was nog niets gebeurd, o nee, maar het was onmiskenbaar bezig te gebeuren. Er was natuurlijk een weg terug, zo goed als alle auto's die ze zag reden er meer bepaald op, de ene na de andere, maar ze voelde weinig drang om zich bij hen te voegen, en met elke seconde die voorbijging, leek het alsof zij iets heroverde dat van het grootste belang was, iets kostbaars, onbetaalbaars zelfs, iets waarvan zij vreemd en griezelig genoeg niet eens geweten had, al die voorbije jaren, dat ze het was kwijtgespeeld. Ze keek opnieuw opzij.

"Je hoeft niet bang te zijn", zei ze.

"Ik ben niet bang", probeerde de rekel te bassen.

"En praat gewoon", zei ze.

Er viel even een stilte.

"Ik ben een dichter", verklaarde de jongen toen plots. Hij rilde en klappertandde niet meer.

"Dan nog", zei ze.

"Oké", zei hij.

"Hoe ging het ook weer?" wilde ze weten na opnieuw een korte pauze.

"Wat?"

"Dat van die eenzaamheid en zo..."

"De eenzaamheid is een besef, de liefde een geloof", zei hij.

Ze dacht even na. "Onzin", besloot ze toen.

"Ik ben nog jong", zei hij.

Ze wierp wederom een blik op hem; hij zag er net hetzelfde uit als de voorbije drie weken en leek toch totaal onherkenbaar. Ze draaide haar raampje omlaag, drukte het gaspedaal diep in, de wind trok aan haar haren, en plots werd de heersende hitte mooi weer. Ze gingen allebei tezelfdertijd naar achteren geleund zitten en blikten naar de hemelhoge blauwte vóór hen.

"Wat gaan we doen?" vroeg hij na een tijdje, en ze keken elkaar aan, samenzweerderig glimlachend in hun onwetendheid en het besef dat het de domste vraag was die ooit was gesteld. Er kon niet niets gebeuren, dan kan nooit, maar wat het zou zijn?

De dag zou het hun leren.

Biografie Christophe Vekeman

- Geboren in Temse, in 1972; woont in Gent.

- Schrijver, dichter en performer.

- Levert regelmatig bijdragen aan DM Boeken.

- Debuteerde met Alle mussen zullen sterven (1999).

- Recentste romans: Een uitzonderlijke vrouw (2012) en Marie (2013).

- Begin september verschijnt Hotel Rozenstok, een roman die handelt over ene Christophe Vekeman die eindelijk met schrijven is gestopt.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met De Morgen?

Tip hier onze journalisten


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234