Maandag 30/03/2020

Kortverhaal

Een zee van troost: Christophe Vekeman bezingt de kust in een kortverhaal

Beeld Klaas Van der Linden

Speciaal voor DM Magazine schreef auteur Christophe Vekeman dit kortverhaal over de kust.

Nog een laatste keer, dacht hij. Nog één enkele keer zou hij een verhaal schrijven in de derde persoon, in de hij-vorm dus, en daarmee zou de kous dan af zijn. Daarna is het aan mij, dacht hij. Daarna ben ik het, ik en niemand anders, die de hoofdrol in mijn boeken zal spelen, en in alles wat ik nog op papier zet. Ik ben daarvoor interessant genoeg, ik ben daarvoor belangrijk genoeg en ik ben daarvoor tevens eerlijk en moedig genoeg. Maar nog één keer nu, nog één verhaal – een afscheid aan ‘hem’.

Een verhaal in de hij-vorm, akkoord, maar waarover dan wel? Wat voor soort verhaal zou het verder dienen te worden?

Daar had hij vrij lang over nagedacht, maar toen kwam hij ten slotte toch met een naar hij zelf vond uitstekend idee op de proppen. Ik schrijf, besloot Geoffrey, zoals zijn naam immers luidde (hij had geen achternaam), een verhaal over iemand, een schrijver natuurlijk, die naar Blankenberge gaat om daar een verhaal te schrijven over iemand die naar Blanken­berge gaat om inspiratie op te doen voor een verhaal dat zich in Blankenberge afspeelt, een verhaal dat het laatste zal zijn, zoals hij zich heeft voorgenomen, dat hij ooit nog níét in de ik-vorm zal schrijven. Daar heb ik echt zin in, stelde hij verheugd vast bij zichzelf, temeer omdat het mij een alibi of althans een aanleiding verschaft ook zelf nog eens Blankenberge te bezoeken, want dat is natuurlijk nodig, inderdaad, wanneer je van plan bent een verhaal te schrijven dat zich daar afspeelt…

En zo gebeurde het dat Geoffrey zich daags nadien reeds in zijn wagen, een zwarte Mazda 3, op weg naar de genaamde kuststad bevond, glimlachend achter het stuur gezeten en geheel en al in zijn nopjes. Hij was namelijk dol op Blankenberge, hij hield van die stad, en dit om meer dan één reden. Zo was Blanken­berge De Panne niet, wat wilde zeggen dat Blanken­berge wél een casino binnen haar stadsgrenzen herbergde: nooit was het er volkomen uitgesloten dat je naderhand, ’s avonds, ’s nachts of ’s anderendaags, als een welvarend, zeg maar gerust schatrijk sujet van de kust naar huis terugkeerde, niet langer in een zwarte Mazda 3 gezeten nu, maar in pakweg – en hij zei nu maar wat – een rode Ford Mustang met over de gehele lengte van de wagen, overdwars en kortom van bumper tot bumper, met vrijlating van voor- en achterruit natuurlijk, een sportieverige brede witte streep lopend; echt tof. Blankenberge – waar je doordeweeks trouwens, over autorijden gesproken, nooit parkeergeld hoefde te betalen buiten de schoolvakantieperiodes – was ook Oostende niet, zodat de kans dat je het, nietsvermoedend achter een kopje thee op een terras gezeten, voor de duizendste keer in je leven zou moeten meemaken dat iemand je aansprak met de vraag of je wist (‘Bent u zich er eigenlijk wel van bewust, mijnheer…?’) dat Marvin Gaye hier ooit gewoond had en zelfs hier (‘In Oostende, echt!’) de grote hit ‘Sexual Healing’ had gecomponeerd godlof aan de veeleer geringe kant was. Je trof er ook minder – om niet te zeggen ongeveer geen – ‘jongeren’ aan, in Blanken­berge, of toch niet buiten het hoogseizoen, wanneer de Belgische kust tout court te mijden viel, en ook dat vond de vierenveertigjarige Geoffrey, die er niet tuk op was voortdurend ongevraagd geconfronteerd te worden met zijn, naar het hem zelf toescheen, alsmaar rapper toenemende leeftijd, absoluut geen slechte zaak, eerlijk gezegd. (Onlangs was hij ertoe overgegaan, mede door een teveel aan vrije tijd, maar goed, een snor te laten groeien, als om te zeggen ‘Ik verwelkom de middelbare leeftijd van ganser harte, hoor!’ Maar het had tot dusverre niet veel geholpen.)

En ten slotte was Blankenberge ook Wenduine niet, waar hij als kind menig vakantie met zijn ouders doorgebracht had, in welke vakantie nooit iets anders voorgevallen was, in wezen, dan dat hij, daar het strand glinsterde als een zeer giftige sneeuwvlakte vanwege de massale presentie van kwallen erop, over de zeedijk liep, waar hij werd aangereden door een zogenoemde gocart met als onvermijdelijk gevolg dat hij niet enkel zelf huilend tegen de grond sloeg, maar ook het langverwachte ijshoorntje waaraan hij op het punt gestaan had eindelijk een keer te likken aan zijn hand ontsnapte terwijl er donderend een regenbui losbarstte die – zoals de weerman later die dag, op de hoteltelevisie, geruststellend beloofde – niet langer dan een dag of vier, hooguit vijf, zou duren.

Maar het grootste voordeel aan Blankenberge was natuurlijk de zee zelf, die in andere kustplaatsen vanzelfsprekend ook best het bekijken en beluisteren en eventueel bezwemmen waard was, maar die in Blankenberge, wel, ja, je ne sais quoi, dacht hij. Die in Blankenberge nóg grootser, mysterieuzer, dreigender, machtiger en in één woord indrukwekkender leek te zijn dan elders, en bijgevolg eens te meer de vraag opwierp wie er – wat wilde zeggen: welke onverlaat, welke prolurk, welke richelbewoner alsook patjepeeër – ooit als eerste de schier blasfemische woorden ‘het zeetje’ in de mond had genomen…

Ondertussen was Geoffrey overigens daadwerkelijk in Blankenberge aangekomen: hij had zijn wagen op de Markt geparkeerd en liep om te beginnen even naar de nabijgelegen jachthaven, waar hij helaas meteen al een teleurstelling kreeg te verwerken, daar hij zag dat één van zijn favoriete eetgelegenheden – niet enkel in Blankenberge, maar zeg maar wat de hele Benelux betrof – de deuren had gesloten. De ‘Ibis’, zoals de zaak geheten was geweest, stond er leeg en verlaten en troosteloos bij. Zou het wat oudere paar dat het etablissement had uitgebaat – zij ‘deed de zaal’, hij opereerde aan het fornuis – de boel de boel hebben gelaten en thans van een welverdiende rust aan het genieten zijn, of hadden er calamiteiten plaatsgevonden? Dat laatste, meende Geoffrey, zou uiteraard wel beter zijn voor het verhaal dat hij van plan was te schrijven, hoewel hij er, daar de betreffende tekst in de hij-vorm zou zijn gesteld en dus niet over hemzelf hoefde te gaan, sowieso alle mogelijke kanten mee op kon en hij zich geenszins, op geen enkele manier, gebonden diende te weten aan de realiteit. In de werkelijkheid van zijn verhaal, anders gezegd, konden de twee thans aan de Costa Brava liggen slurpen van hun derde margarita van de dag, maar was het evengoed volmaakt denkbaar dat ze de week voordien met hun gammele, onophoudelijk en oorverdovend sputterende tweedekkertje neergestort waren in de Sahara, waar ze met z’n beidjes de Derde Wereldoorlog hadden willen beginnen – de mogelijkheden waren onbeperkt. Ze konden zelfs nog altijd aan het werk zijn, in die verhaalrealiteit van hem, zodat hij straks gezellig in de ‘Ibis’ de voetjes onder tafel zou kunnen schuiven… En smullen maar!

Ondanks deze laatste prettige gedachte, of misschien ook wel juist omdát ze zo prettig geweest was, voelde Geoffrey zich opeens mismoedig worden. Wat had hij eigenlijk zichzelf aangedaan met zijn besluit om in de toekomst in zijn werk louter nog de werkelijkheid te dienen? Kreeg de werkelijkheid al niet meer dan genoeg aandacht in onze wereld? De kranten, bijvoorbeeld, stonden er bol van! Waarom dan ook nog eens de waarheid vertellen in het proza dat hij in het vervolg zou schrijven? De waarheid over alles wat hij dacht, zag, voelde, meemaakte, meegemaakt had, nog hoopte mee te maken (mijn God, zo dacht hij in een flits, Marloes! Eén nacht slechts! Eén keertje, Marloes! Desnoods enkel kijken), vreesde, meende, haatte, hoorde, rook en deed – hoe niet te tillen, echt ondraaglijk zwaar, ja, zou de taak die hij zichzelf op de schouders had geladen straks niet blijken te zijn? Was hij inderdaad niet enkel ‘interessant’ en ‘belangrijk’, maar ook en vooral ‘eerlijk en moedig genoeg’ om haar succesvol aan te vatten en er vervolgens niet onder te bezwijken? Hij twijfelde er plotseling zeer hevig aan… Er is te veel, dacht hij, te veel dat geheim moet blijven, en bovendien: wie zit er op mijn waarheid te wachten?

Beeld Klaas Van der Linden

Hij sjokte, kop in kas, door de Blankenbergse straatjes, die hij anders altijd zo charmant vond, die er anders altijd zo ontspannen bij lagen, die anders altijd zo veel rust en genoeglijkheid uitademden. Iemand die zo te zien echt weinig anders dan een lijmjunkie-sinds-jaar-en-dag kon zijn, spuwde hem in het voorbijgaan trefzeker op de linkerschoen. ‘Klootzak’, zei Geoffrey, maar daar bleef het bij. Hij sjokte verder. Wantrouw de dag die goed begint, dacht hij. Weest op uw hoede, mens, als gij bij uzelven den neiging gewaarwordt de lippen tot spitsing te brengen en het hoogsten lied te fluiten! Hoe moet mijn verhaal heten, vroeg hij zich hierna af. Een goede titel is half gewonnen. ‘Desillusie’, mompelde hij na een kort wijlen stil voor zich uit. ‘Of Daar valt een zelfmoord uit de lucht’, voegde hij er weer even later aan toe. ‘Of Gedeprimeerd aan het zeetje, een beetje.’ De zee, verdomme, ja, dacht hij toen. Ik zou haar bijna vergeten.

Geen driehonderd meter later zag hij haar, voor het eerst in maanden zag hij haar weer: aan gene zijde van het strand, dat hij onmiddellijk en – zoals hij het onwillekeurig in gedachten formuleerde – ‘bijkans radeloos en onstuimig’ betrad, lag zij onder grijze wolkenspreien schitterend in eeuwigdurende beweging te zijn, beweging die leek toe te nemen met elke stap die hij deed. Het mooiste deel van ons land is de zee, viel hem in – een zin die hij zeker, nam hij zich voor, een plaats moest geven in zijn verhaal, zijn laatste verhaal in de hij-vorm, zijn afscheid aan ‘hem’. Hij begon nagenoeg te hollen nu, terwijl het zich eveneens liet voorstellen, vond hij, dat de zee op haar beurt naar hem toe trachtte te klauteren, zich met hart en ziel en smachtend alsmaar in zijn richting over ’t strand heen werpend op de wijze van iemand die met reikende armen en in volle vaart op zijn langverbeide geliefde toe struikelt.

Pas toen zij elkaar bereikt hadden, drong de onzinnigheid van deze vreemde fantasie goed en wel tot hem door – maar de tranen die zijn ogen vulden, hadden met desillusie niets te maken: het was een terstond getroost man die daar zat, gehurkt aan de vloedlijn, kijkend naar wat zich vóór de horizon bevond.

Want weet je wat zo mooi was? Wat hij zo mooi vond?

De zee rolde en bruiste en rolde en brieste en rolde en spatte en klotste maar verder, verder en verder en voort. Ze ging maar door, de zee. Ze bleef maar ruisen en klimmen en druisen en glimmen en woelen en woeden en grommen en doen. Ze bleef zichzelf binnenstebuiten keren en in miljoenen golven uiteenvallen en daarna weer in miljoenen andere golven en dan in miljoenen golven en golfjes en golven opnieuw.

Ze lette niet op hem. 

Christophe Vekeman (1972) is schrijver van onder andere Lege jurkenHotel Rozenstok en Johnny Paycheck.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met De Morgen?

Tip hier onze journalisten


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234