Vrijdag 26/04/2019

Saint-Amour

Een triootje met Houellebecq en copuleren in de zaal: dit is 25 jaar Saint-Amour

Ilja Leonard Pfeijffer, op Saint-Amour 2018: ‘Alle podium­ervaringen vallen in het niets bij Saint-Amour. En toch staat de schrijverstekst centraal.’ Beeld Dries Luyten

Een stomdronken Michel Houellebecq met netkousen over de schouder én Gerrit Komrij als onvermoeibare nachtridder. Op én achter het podium schreef Saint-Amour literaire geschiedenis. Dit jaar viert de schrijverstournee omtrent erotiek en literatuur zijn zilveren jubileum.

Wat is de link tussen het wereldberoemde tapijt van Bayeux en Saint-Amour? Het zou een aartsmoeilijke quizvraag voor literaire bollebozen kunnen zijn. Op vakantie in Normandië zat Behoud de Begeerte-directeur Luc Coorevits te dubben op een naam voor zijn nieuwe paradepaardje. Een grootscheepse lofzang op de literaire erotiek moest het worden. “Ik vond maar niks”, zegt hij. “Dat hield me bezig. Op een dag wilde ik gaan kijken naar het beroemde tapijt van Bayeux. Maar het museum was dicht. Ik ging wat mondvoorraad kopen in een nabije superette. Daar lag in de wijnafdeling een fles Saint-Amour. Een voortreffelijke Beaujolais, zo bleek. Ik had mijn naam te pakken.”

Saint-Amour groeide uit tot een merk. Tot een jaarlijks evenement waar schrijvers voor te hoop liepen en waar je als toeschouwer op de eerste rij wilde zitten. “We sloegen meerdere vliegen in een klap”, zegt Coorevits niet zonder borstzwellende trots, wanneer hij – licht weemoedig – terugblikt op de debuutjaren van Saint-Amour, rond 1990. “Je had Valentijn als aanleiding. Je had het thema liefde. Dat interesseert nu eenmaal iedereen. En dan voegden we goede literatuur, topauteurs, muziek of ander hoogstaand entertainment aan toe, zoals de Marino Basso-vendelzwaaiers of Tres Tristes Tigres. Het bleek een gouden cocktail.” 

De Marino Basso Vendelzwaaiers luisterden in 1984 de Nacht van de Liefde op, voorloper van Saint-Amour. Beeld Saint Amour

Ilja Leonard Pfeijffer, die nu al voor de vierde keer aantreedt, bevestigt: “Alle podiumervaringen vallen in het niets bij Saint-Amour. En toch staat de schrijverstekst centraal. Je wordt niet afgeleid door leuterpraatjes van de auteur over zijn leven. Het is visueel literair theater met een script.”

Dankzij Behoud de Begeerte, door Coorevits opgericht op 14 februari 1984, kregen Nederlandstalige auteurs eindelijk een professioneel podium en wijdere weerklank: “Hij was de man die de ruiker rozen en de obligate fles wijn als schrijversloon na een optreden eindelijk verving door een fatsoenlijk geldbedrag”, vat Christophe Vekeman het samen. Saint-Amour ontstond als symbiose van twee Nachten: de Nacht van de Liefde en de Nacht van de Begeerte, waarmee Behoud de Begeerte op 14 februari 1989 in Leuven zijn vijfjarig jubileum vierde. 

De organisatie was toen al een goed draaiend ‘klein literair kmo’tje’, zoals Marc Reynebeau het omschreef. “We brachten een combinatie van kolder, muziek, proza en poëzie”, herinnert Coorevits zich. “Dat wekte veel interesse vanuit de culturele centra voor een reprise. Zo kwam in februari 1990 Saint-Amour uit de bus. Meteen konden we grote namen versieren. Hugo Claus, Remco Campert, Harry Mulisch, Herman de Coninck, Tom Lanoye werden vaste gasten.”

De eerste vijf voorstellingen waren uiterst succesvol. “De forse ondersteuning van het weekblad Humo droeg daar toe bij, de affiches van Jan Bosschaert waren zeer gegeerd. En kun je geloven dat vier edities semi-rechtstreeks op de BRT werden uitgezonden?” 

Luc Coorevits, directeur van organisator Behoud de Begeerte. Beeld Lisa Develtere

Na een onderbreking, waarin Saint-Amour soms zijn tenten opsloeg in het buitenland, nam Coorevits in 2000 de draad weer hier op. “De gloriejaren lagen in het begin van het millennium”, vindt Coorevits. “Er was die mix van buitenlandse auteurs met bijvoorbeeld John Bayley, Alan Hollinghurst, Dan Rhodes, Jeffrey Eugenides, Jean-Philippe Toussaint en de opkomst van Arnon Grunberg, Erwin Mortier en Peter Verhelst. Ook Remco Campert en Claus waren er vaak bij. ” Of de New Yorkse schrijfster Tama Janowitz. “In Amerika is zoiets als Saint-Amour ondenkbaar. Geen enkele Amerikaan kan twee uur lang aandachtig luisteren”, zei ze in 2001 in De Morgen

Claus komt niet meer uit zijn woorden

Maar er waren ook pijnlijke momenten. Coorevits denkt met schroom terug aan de Saint-Amour-editie 2003. “Toen raakte Hugo Claus niet meer uit zijn woorden en moest Connie Palmen hem van het toneel helpen. We wisten niet goed wat te doen. Rocco Granata sprong toen met zijn accordeon in en bracht de sfeer terug. We waren doodbezorgd over Hugo. Zoals bekend bleek het zijn eerste Alzheimer-signaal.”

Niet alleen voor gevestigde auteurs was Saint-Amour een ankerpunt en een geliefde biotoop. Aanstormend talent hengelde begerig naar een plek. “Saint-Amour was al belangrijk voordat ik schrijver werd”, zo blikt Christophe Vekeman terug op zijn Saint-Amour-debuut in 2000. “Daar zag ik voor het eerst Hugo Claus, Jeroen Brouwers of Remco Campert in levende lijve. En Gerard Reve. Op de persconferentie smokkelde ik mezelf binnen als journalist voor een studentenblad. 

“Kort na mijn debuut Alle mussen zullen sterven (1999) kwam de vraag of ik twee weken op tournee wou met Saint-Amour 2000. Ik speelde een tikje hard to get. Maar eerlijk: ik wilde wél drie keer juichend en met tranen van geluk de heer Coorevits om de hals vallen. Ik had een sterk “I’ve got it made”-gevoel. De Standaard schreef nadien: “Hij ziet eruit als een stuk crapuul, maar hij bleek een geboren performer”. Wél nadat ze mijn boek eerder hadden afgebroken. Destijds was het als debutant niet simpel om een plaatsje op de affiche te veroveren. Intussen is Saint-Amour gedemocratiseerd. En ook wel verjongd.” 

Coorevits bevestigt dat: “Ik ben er sneller bij om auteurs als Marieke Lucas Rijneveld, Charlotte van den Broeck, Maud Vanhauwaert of Lize Spit een plek te geven. Nu heb ik weer datzelfde gevoel bij het grote Nederlandse talent Radna Fabias.” Toch geeft Coorevits toe dat zijn publiek langzaam vergrijst. “Aanvankelijk hadden we een jong studentenpubliek. En sommigen mensen zeggen ook: ik ben al eens geweest, ik hoef niet nog eens. Terwijl het elk jaar totaal anders is.” 

Ook Pfeijffer merkt de tendens: “Ik had me erop verheugd om me hier voor eeuwig omringd te weten door negentienjarige groupies. (lacht) Dat blijkt niet het geval. Maar ach, het genoegen is er niet minder om.”

De coulissen van Saint-Amour zijn ook een broeinest van vriendschappen. “Ik leerde er Herman Brusselmans kennen”, vervolgt Vekeman. “Hij was in die beginjaren mijn vaste passagier in mijn Opel Kadett, richting optredens. En als je zo lang samen in de auto zit, krijg je ofwel ruzie of sluit je vriendschap voor het leven.” 

Lize Spit. Beeld Filip Claus

Ilja Leonard Pfeijffer raakt licht ontroerd als hij terugdenkt aan de intussen overleden Gerrit Komrij. “Tijdens Saint-Amour-tournees was hij de motor van ons team, de playing captain. Hij bleef op tot diep in de nacht en sprong ’s morgens als eerste de bus uit met een jeugdig hupje. Gerrit tolereerde het niet als schrijvers voortijdig hun hotelkamer opzochten. Hij had een merkwaardig uithoudingsvermogen, met witbier bij de hand.” 

Verder uit de biecht klappen wil Pfeijffer liever niet. “Mythes en legendes hebben soms tijd nodig om te groeien”, luidt het cryptisch. Vekeman vult aan: “Meestal geldt de afspraak: ‘What happens inside Saint-Amour, stays inside’.” 

Ook Lize Spit, die kort na haar debuut Het smelt in de editie 2016 aantrad, bevestigt dat: “Je koestert het gevoel ‘samen uit, samen thuis’. Met Marieke Lucas Rijneveld was ik een van de echte jonkies en we keken onze ogen uit backstage. Er vloeit veel alcohol, misschien om de podiumstress te kanaliseren. Behoud de Begeerte zorgt ontzettend goed voor de auteurs, ook met rijkelijk eten, mijn smaakpapillen zijn het nog niet vergeten. Verder denk ik dat er tijdens Saint-Amour wel eens koppeltjes ontstaan.” 

Coorevits beaamt: “Het is een publiek geheim dat Stefan Hertmans tijdens Saint-Amour kennismaakte met Sigrid Bousset, toen nog medewerker van Behoud de Begeerte. Ze zijn later getrouwd.”

Toch maakt de onwaarschijnlijke passage van het Franse enfant terrible Michel Houellebecq, negentien jaar na datum, het meest de tongen los. “In 2000 stond Houellebecq, kort na verschijning van Elementaire deeltjes, geprogrammeerd. Precies het jaar waarin ik er voor het eerst bij was”, vertelt Vekeman met smaak. “’s Middags begon hij al te drinken en ’s avonds was hij vaak niet nuchter genoeg om het podium te bestijgen. Op een keer bleek hij verdwenen. Uiteindelijk vonden we hem in het toilet van de schouwburg met een vrouw van lager allooi. Luc Coorevits timmerde op de deur, roepend: ‘Michel, c’est à vous!’ Uiteindelijk kwam Houellebecq verdwaasd buitengestommeld, met netkousen om de schouders gedrapeerd. Hij was het hele gebeuren compleet uit het oog verloren. 

Nog bonter werd het later tijdens de tournee, toen zijn toenmalige vrouw Marie-Pierre erbij kwam. “Ze wilden per se een triootje versieren en stelden dat voor aan mijn vriendin”, zegt Vekeman. “Houellebecq droomde ook dat de zaal schaamteloos aan het copuleren zou slaan als hij zijn gedichten voorlas. Dat gebeurde natuurlijk niet.” 

Coorevits zweette peentjes met de grillige Houellebecq. “Bij de voorstelling in Leuven bleek de Fransman wéér spoorloos. Hij logeerde in Hotel Métropole te Brussel. Op van de zenuwen belde ik rond. Bij Métropole bevestigden ze dat hij op zijn kamer zat. Geen reactie. Op een bepaald moment gaf ik het personeel de toestemming om de kamer binnen te breken. Houellebecq lag op bed, zo zat als een achterdeur. Ze schudden hem wakker, zetten hem onder de douche en stopten hem in een taxi. Hij kwam net op tijd om de avond af te sluiten. In het publiek merkte niemand wat. ‘Excusez-moi, je suis un peu en retard’, klonk het droogjes.”

Angstzweet

De Russisch-Vlaamse schrijver Aleksandr Skorobogatov krijgt ook nog altijd hartkloppingen als hij terugdenkt aan zijn optreden op Saint-Amour 2016. “Als Russische emigrant en schrijver belandde ik in 1992 in België. Maar ook hier voelde ik me niet thuis. Net als in Rusland keek iedereen me met de nek aan. Na mijn liefdesroman Portret van een onbekend meisje mocht ik aantreden op Saint-Amour. Ik was intens dankbaar. Eindelijk besefte ik: ‘Jij bent één van ons, je hoort erbij.’” 

Maar toen Saint-Amour naderde, ontstond er podiumangst. “Podiumangst? Dat is het understatement van de eeuw. Paniek, zeg maar. Dagen vooraf liep ik op de toppen van mijn tenen. Bij de eerste repetitie van mijn tekst liep het mis.” Coorevits grinnikt: “Zelden hoorde ik een schrijver zoveel verkeerde accenten leggen als Aleksandr. Ik zei met een kwinkslag: ‘Ga jij maar de hele nacht repeteren!’” Skorobogatov nam de boodschap letterlijk. “Eenmaal thuis las ik de hele nacht aan één stuk mijn fragment hardop”, zegt hij. “Nat van het angstzweet beklom ik de dag nadien het podium. Ik dacht, ik loop hier gewoon weg.” Coorevits: “Zelden zag ik zo’n metamorfose. Alles lukte. Skorobogatov groeide uit tot de chouchou van het publiek.” Skorobogatov: “Ik stierf op dat podium. Sindsdien treed ik graag op. Ja, ik sta ferm in het krijt bij Saint-Amour.” 

Vrijdag 8 februari in Toneelhuis, Antwerpen. Daarna op tournee

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met De Morgen?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van De Morgen rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar info@demorgen.be.