Woensdag 20/11/2019

Boeken

"Een roman vertalen duurt drie keer zo lang als het vertalen van een handleiding voor een stofzuiger, maar het betaalt drie keer minder"

Beeld Korneel Detailleur

De vertalers van deel 2 van Haruki Murakami’s nieuwe roman De moord op Commendatore hebben zich dubbel moeten plooien om de deadline te halen: het Murakami-festival, aanstaand weekend in Rotterdam. Vertalers zijn de ondergewaardeerde schaduwwerkers van de literatuur, 'de vergeten helden van de globalisering'.

Het was een bewogen jaar voor vertaler en japanoloog Luk Van Haute (°1963). Dat had alles te maken met de onvoorspelbare publicatieritmiek én productiviteit van Haruki Murakami. “Begin 2017 was ik nog rustig bezig met het vertalen van een essayboek van Murakami over schrijven, zonder grote haast. Maar in februari 2017 doken in de Japanse pers de eerste geruchten op over een nieuwe, lijvige Murakami-roman: De moord op Commendatore. Al snel werd ik gecontacteerd door uitgever Atlas/Contact. Ze vroegen me of ik het boek in vijf maanden kon vertalen. Dat leek me kras. Temeer omdat ik op de website van Murakami’s uitgever Shinchosha had gezien dat het om een kanjer van duizend pagina’s in twee delen ging.”

Een lichte paniekaanval kon Van Haute moeilijk onderdrukken. “Het was onmogelijk om dit in mijn eentje te bolwerken, hoe graag ik dat ook wilde.” Uitgeverij Atlas/Contact polste daarop veiligheidshalve ook Elbrich Fennema, die al eerder werk van Murakami vertaalde. “Ze wilden alles rond krijgen tegen het Murakami Weekend (13/14 januari in Rotterdam, red.). Voor de uitgeverij is Murakami immers een goudhaantje, hij behoort tot hun best verkopende auteurs. Maar zelfs met twee vertalers was de deadline schier onmogelijk te halen. We hebben weekends en nachten doorgewerkt en zelfs vakanties afgezegd.

Muakami-vertaler Luk Van Haute: 'Zelfs met twee vertalers was de deadline schier onmogelijk te halen. We hebben weekends en nachten doorgewerkt en zelfs vakanties afgezegd.' Beeld rv

“Elbrich en ik hadden geen ervaring met covertalingen. Wij moesten dus pragmatisch te werk gaan. Ik nam de ene helft van deel 1 voor mijn rekening, Elbrich de tweede. Daarna konden we elkaars versies uitwisselen. Er komt trots en ijdelheid bij kijken voordat je naar de volgende fase gaat. Zit je op dezelfde lijn? Vind je overeenstemming over de benamingen of namen voor de personages? Ik kreeg mijn tekst terug met honderden opmerkingen. Ik voelde me even een schooljongen met een slecht rapport. We moesten ons door een heleboel pietluttigheden worstelen, maar het bleef amicaal. Je bent gedwongen om bondgenoten te blijven. Zeker om de druk vanuit de uitgeverij te weerstaan (lacht). Ik denk niet dat het eindresultaat eronder geleden heeft. Toch is dit voor mij iets eenmaligs. Mijn volgende vertaling doe ik weer lekker alleen.”

Wat is het lastigste aan het vertalen van het mysterieuze maar ook schijnbaar heldere proza van Murakami? Van Haute hoeft er niet lang over na te denken: “De valse eenvoud. Als lezer ga je soepel door zijn tekst. Het is helemaal niet highbrow geschreven. Pas als vertaler ontdek je de problemen en moet je aan het interpreteren slaan. Het Japans is in wezen een vage grammaticale taal, zonder enkelvouden of meervouden en lidwoorden... Je moet veel uit de context afleiden. Japanners vinden het ook niet erg dat dezelfde woorden en zinswendingen vaak terugkeren. Murakami doet dat voortdurend. Maar in een Nederlandse vertaling moet je die herhalingen eruit mikken of ten minste beperken. Anders denkt de lezer dat zijn stijl belabberd is.

“Japans vertalen blijft heel intensief en vermoeiend. Je hebt honderden, duizenden karakters en je moet voortdurend uitkijken om iets niet verkeerd te lezen”, benadrukt Van Haute. “Eén streepje extra in een karakter en je krijgt een heel andere betekenis. Daarom kun je ook niet te lang aan één stuk vertalen. Na vijf of zes uur werken is het beste eraf en ben je toe aan iets anders.

“Nog een uitdaging bij Murakami is zijn droge humor. Als je die niet aanvoelt, sla je de plank mis. Zijn personages zijn koele kikkers die zich niet makkelijk van hun stuk laten brengen en voortdurend ironische opmerkingen maken. Toch is Murakami vertalen eenvoudiger dan bijvoorbeeld Natsume Soseki naar het Nederlands omzetten. Zijn Japans van honderd jaar geleden bevat veel moeilijker te achterhalen culturele referenties.”

In noodgevallen mogen vertalers aankloppen bij Murakami zelf, bevestigt Van Haute. “We kunnen hem lastigvallen maar met mate, want Murakami zit veel in het buitenland of geïsoleerd in zijn huisje aan de kust. We mailen dan naar zijn persoonlijke assistente en na een paar dagen volgt klokvast het antwoord.”

Van Haute maakte zijn eerste vertaling in 1995. Hij doctoreerde als japanoloog op het werk van Nobelprijswinaar Kenzaburo Oë, van wie hij vervolgens Seventeen vertaalde. Later ging hij aan de slag met auteurs als Hiromi Kawakami, Haruki Murakami en Yasunari Kawabata. Veel eer legde hij in met zijn Japanse kortverhalenbloemlezing Liefdesdood in Kamara (2015).

“In de jaren negentig vertaalde ik van alles om den brode. Teksten die weinig met literatuur te maken hadden. Pas later ben ik naar mijn oorspronkelijke liefde teruggekeerd, nadat ik wat financiële zekerheid wist te creëren. Niettemin heb ik nog steeds het gevoel dat boekvertalingen niet naar waarde worden geschat. Om het scherp te stellen: literatuur vertalen duurt drie keer zolang als het vertalen van technische handleidingen, maar het betaalt drie keer minder. We mogen dus van geluk spreken dat er beurzen en Letterenfondsen bestaan. De structurele ondersteuning voor vertalers is opgekrikt, maar de waardering van de buitenwereld blijft ondermaats.

“Neem nu het Murakami Weekend. Aanvankelijk stonden de vertalers helemaal onderaan op de affiches, nog onder de sushi-workshops. Daar heb ik me dood aan geërgerd. Ik hoef niet bovenaan te staan, maar... Zonder onze vertalingen wás dat hele festival er niet eens! Als ze konden, zouden uitgeverijen het vertaalwerk aan Google Translate uitbesteden (lacht). De modale lezer begrijpt niet dat er enorme verschillen kunnen zijn tussen vertalingen. Maar als je naar een James Bondfilm kijkt, maakt het toch ook een groot verschil of Roger Moore of een andere acteur Bond vertolkt?”

Meermaals ondervond Van Haute aan den lijve hoe achteloos uitgevers soms omspringen met hun vertalers. “Behalve Murakami wordt Japanse literatuur over het algemeen snel verramsjt”, zegt hij. “Het kan nog erger: soms wordt een vertaling gewoon niét uitgegeven. Voor uitgeverij Meulenhoff vertaalde ik essays van Yukio Mishima over De weg van de samoerai (300 jaar oud meesterwerk van Yamamoto Tsunetomo over de kunst en codes van de samoerai, de Japanse strijders, red.). Ze zijn uiteindelijk nooit verschenen, ik heb de rechten ervan gelukkig kunnen recupereren.”

Ook bij Lebowski had Van Haute een paar hallucinante ervaringen. “Voor hen vertaalde ik twee romans van Soseki Natsume: Kokoro, de wegen van het hart en het eerste deel van Ik ben een kat. Niet zonder succes, want van De wegen van het hart werden vierduizend exemplaren verkocht. Dus kreeg ik de opdracht om ook deel 2 en 3 van Ik ben een kat te vertalen. Maar die zijn nooit verschenen. Gelukkig ben ik netjes betaald. Maar je begrijpt dat het maken van spookvertalingen niet zo prettig is.

“Zo merk je ook hoe gering het aandeel is van het honorarium van de vertaler in het totaalbudget van een boek. Voor mij is het de afspiegeling van een mentaliteit waarbij managers en algoritmen gaan voorspellen of een boek al dan niet verkoopt. Bepaald ontmoedigend, want Japanse literatuur moet de tijd krijgen om zijn publiek te vinden. Bij Murakami was het destijds ook niet meteen prijs.

“Soms denk ik: zal ik maar weer handleidingen voor stofzuigers gaan vertalen?” (lacht)

'De Argentijnse vertaler wilde alle treinen in mijn boek door bussen vervangen'

Vanaf haar debuut Slaap (2004) wist Annelies Verbeke (°1976) zich ook in de buitenlandse lezersgunst weten te werken, vaak ook door het enthousiasme van buitenlandse vertalers die zich voor haar oeuvre beijverden, zegt ze.

“De mate waarin ik betrokken ben bij een vertaling hangt af van de vertaler. Contacteert hij me wel of niet? Ik hoop zelf altijd dat er veel vragen zijn, maar sommige vertalers zijn beschroomd ze te stellen. Deze maand zou de Franse vertaling van Dertig dagen uitkomen, waarover ik niet één vraag kreeg, wat me zorgen baart. De Engelse vertaling van de hand van Liz Waters was dan weer een feest; ze moedigde me voortdurend aan commentaar te leveren en suggesties te doen, vaak met betrekking tot het ritme. Ik ben zeer tevreden over die vertaling, in de enige taal buiten het Nederlands die ik voldoende beheers om perfect te kunnen samenwerken.

Annelies Verbeke: 'Deze maand zou de Franse vertaling van 'Dertig dagen' uitkomen, waarover ik niet één vraag kreeg. Dat baart me dan zorgen.' Beeld Joris Casaer

“Soms gebeuren er vreemde dingen. Zo stelde een Argentijnse vertaalster voor alle treinen in een van mijn boeken door bussen te vervangen, omdat er in haar land weinig treinen rijden. Daar kon ik uiteraard niet mee akkoord gaan. Maar over het algemeen heb ik goede ervaringen met vertalers. Mettertijd heb ik veel bewondering gekregen voor hun beroep, dat een mengeling van virtuositeit, begrip en nederigheid vereist.

“Veel van mijn vertalers wilden me graag vertalen, sommigen hebben me zelf bij een uitgever binnengeloodst. In die gevallen zit de basis meteen goed. In ieder geval ben ik blij dat mijn werk zoveel wordt vertaald en zo goed wordt ontvangen in het buitenland. Zeker op momenten waarop je wordt miskend of gepest in eigen land, is het fijn dat buitenlandse respect te blijven krijgen.”

'In het begin denk ik bijna altijd dat ik het niet kan'

Sinds een paar jaar is de ster van Martin de Haan (°1966) als Franse vertaler almaar gerezen. Dat deed hij met een mix van vaste hedendaagse schrijvers onder zijn vleugels (Milan Kundera, Michel Houellebecq, Jean Echenoz) en klassiekers (Diderot, Vauvenargues). Veel lof ontving hij voor zijn vertalingen van Marcel Proust (Swanns kant op, samen met Rokus Hofstede) en onlangs Choderlos de Laclos’ Riskante relaties. Voor komend jaar staat Manon Lescaut van de Franse auteur Abbé Prévost op stapel.

Vindt De Haan dat de waardering voor de vertaler er de voorbije jaren op vooruit is gegaan? Is de zichtbaarheid verhoogd?

“Er wordt vaak gezegd dat een vertaler onzichtbaar moet zijn, maar dat vind ik enigszins misleidend”, zegt De Haan. “Bij het uitvoeren van gecomponeerde muziek kun je precies hetzelfde zeggen: het gaat om de muziek, dus de uitvoerder moet onzichtbaar zijn. Alleen: de uitvoering is overtuigender naarmate de uitvoerder er meer van zichzelf in legt. Als klankbord of medium.

“Idem voor vertalers. Maar dat soort (on)zichtbaarheid moet natuurlijk niet worden verward met de culturele zichtbaarheid die wij als beroepsgroep nodig hebben. Het publiek moet beseffen dat wij niet zomaar woordjes overtypen in een andere taal. We zijn volwaardige auteurs die bestaande teksten als het ware van parallelle – maar niet identieke – levens voorzien. Mijn indruk is dat die culturele zichtbaarheid de laatste tien jaar wat is toegenomen, door betere naamsvermelding van vertalers in recensies en bijvoorbeeld ook op boekomslagen, iets waar ik al jaren voor strijd. Maar er valt nog veel te doen. Hoeveel mensen beseffen bijvoorbeeld dat het wettelijk verplicht is om de naam van de vertaler te noemen bij het citeren van een stukje vertaalde tekst?

“Vertalen is geen lineair proces. Pas tijdens het vertalen ontdek je waar de echte problemen liggen en krijg je een idee waar het naartoe moet, hoe de stijl in onze eigen taal tot klinken kan worden gebracht. In het begin denk ik bijna altijd dat ik het niet kan. Ik weet dat heel veel collega’s dat gevoel hebben bij een nieuw boek.”

De Haan staat bekend als een groot pleitbezorger van een hedendaagse aanpak om klassiekers op te frissen. Dreigen ze anders helemaal vergeten te worden? “Nee hoor, ik wil helemaal niets opfrissen. Plato vertaal je ook niet in het Nederlands van 400 voor Christus. Waar ik naar streef, is in zekere zin juist een zo nauwkeurig mogelijke historische reconstructie. Niet van de dode letter maar van de geest die de oorspronkelijke tekst bezielt. Mijn covertaler Rokus Hofstede en ik moderniseren Proust niet, we willen juist laten zien hoe modern hij was – en is!

“De ‘vrijheid’ die ik bij het vertalen neem, heeft geen ander doel dan dichter bij de oorspronkelijke tekst te komen."

Wat vergt het meeste research en geduld van een vertaler? “Vooral het terugvinden of zelf bedenken van technische termen kan erg tijdrovend zijn – bijvoorbeeld in Houellebecqs Elementaire deeltjes. Bij klassiekers natuurlijk ook het nazoeken van woorden in oude woordenboeken. De meeste vertaalarbeid gaat bij mij in twee dingen zitten: het wegwerken van ongewenste klankherhalingen en het vinden van een goede zinsvolgorde. Dat is vaak erg lastig omdat het Frans de zinnen veel makkelijker eindeloos lang kan laten uitdijen.”

En dan zijn er nog de lastpakken onder de auteurs. “Er zijn schrijvers die zich overal mee willen bemoeien, en die zelfs ter controle stukjes vertaling willen laten terugvertalen”, zegt De Haan. “Maar ik heb zelf nooit problemen gehad met mijn auteurs. Hun houding loopt uiteen van een totaal gebrek aan interesse tot grote betrokkenheid. Met Milan Kundera, van al mijn schrijvers degene die als de grootste lastpost voor vertalers bekendstaat, ben ik juist door het vruchtbare samenwerken goed bevriend geraakt. Met Michel Houellebecq heb ik een paar dagen in een nudistenkamp doorgebracht, dat scheelt ook. Hoewel we de kleren aanhielden.” (lacht)

Verontrustender is dat de Franse literatuur bij de lezer klappen krijgt en de kennis ervan afneemt in Vlaanderen en Nederland. “Uitgevers lezen en beheersen het Frans niet zo goed meer. Ze hebben geen goed overzicht van wat er verschijnt. Volgens mij moeten we Franse boeken niet zozeer als typisch Frans aanprijzen, zoals in 2004 bijvoorbeeld gebeurde bij de Boekenweek, maar gewoon als literatuur die ons kan interesseren – vooropgesteld dat we de juiste titels oppikken. Daar ligt een grote taak voor de vertalers.”

‘Vertalers zijn de beste lezers’

Na het overdonderende succes van Oorlog en terpentijn kon Stefan Hertmans (°1951) de stroom vertalingen amper nog bijhouden. Ook met De bekeerlinge gaat het die kant op. Toch maakt Hertmans er een erezaak van om de tijd te nemen voor zijn vertalers. Hij kiest hen zorgvuldig uit en voorziet feedback. “Omdat ik weet hoe belangrijk het is dat een boek op niveau wordt vertaald. Dat kan de ontvangst in het buitenland maken of kraken. Want ook de plaatselijke recensenten kijken aandachtig naar de namen van vertalers. Ik verkies daarom topvertalers als David McKay, Ira Wilhelm of Laura Pignatti. Zo wordt De bekeerlinge momenteel in het Frans vertaald door Isabelle Rosselin, die ook Congo van David Van Reybrouck vertaalde en mijn Oorlog en terpentijn.

Stefan Hertmans: 'Mijn Engelse, Duitse en Franse vertalers van 'Oorlog en terpentijn' zijn een kijkje komen nemen in Gent. Soms willen vertalers echt weten waar het verhaal zich afspeelt.' Beeld Diego Franssens

“Rosselin had eerst nog een andere opdracht, maar ik wilde per se wachten tot ze ‘vrij’ was. Daarom verschijnt haar vertaling pas in september 2018, bij Gallimard. De Engelse vertaling bij Harvill Secker komt pas uit in 2019. Ik vind dat niet erg. Liever kwaliteit dan een afgeraffelde vertaling.”

Het aanduiden en selecteren van vertalers gaat meestal in overleg met de uitgeverij en de letterenfondsen, zegt Hertmans. “Zij hebben lijsten met gewaardeerde vertalers. Zelf heb ik regelmatig contact met al mijn vertalers. Ze sturen me vragenlijsten door, vragen me om verduidelijkingen. Zeker met de Franse, Duitse en Engelse vertalers heb ik rechtstreeks contact en ga ik als het nodig is zelfs een hele dag samenzitten. Intensief en tijdrovend, ook omdat je cultuurverschillen voor de kiezen krijgt.

“Ik moet af en toe zelf weer iets gaan opzoeken. Welke Franse naam heeft die specifieke wind in Egypte die ik bedoelde? Zeker in historische romans moet je op je qui-vive zijn.

“Je weet ook niet altijd uit welke hoek er problemen opduiken. Een Chinese vertaler wilde verrassend genoeg weten wat een katholieke priester is. En het is uitkijken voor flaters: ergens stond er in een vertaling van De bekeerlinge plots aardappelen in plaats van bieten. Terwijl aardappelen pas vijfhonderd jaar later in Europa aankomen en tot de achttiende eeuw haast niet gegeten werden. Voor zo’n historische fout zou de auteur met de vinger gewezen worden.

“Sommige vertalers zijn zo verbeten dat ze gaan kijken op de plekken waar het verhaal zich afspeelt. Mijn Engelse, Duitse en Franse vertalers hebben Gent bezocht voor Oorlog en terpentijn. Maar dat zijn uitzonderingen.

“Neem het van me aan: vertalers zijn de beste lezers. Ze vinden vaak derde of vierde betekenissen, ze moeten woordgrappen omzetten in een andere logica. In Oorlog en terpentijn werkte ik met archaïsche woorden om de leefsfeer van begin de twintigste eeuw op te roepen. Ook dat vergt inventiviteit. Dankzij topvertalers leer je uiteindelijk je eigen boek beter kennen. En als er problemen zijn, komen we er meestal wel uit. Doe maar iets wat in jouw taal ongeveer hetzelfde betekent, zeg ik dan. (lacht)

“Stuk voor stuk krijgen vertalers te weinig credits en vermeldingen voor hun precieuze werk, dat is jammer. Of het beroep vergrijst? Volgens mij absoluut niet. Sommige van mijn vertalers zijn net dertig. Al speelt ervaring wel een grote rol. Daarom was ik blij met de prestigieuze Vondel Translation Prize voor David McKay. Dat bracht niet alleen mijn Oorlog en terpentijn volop in de belangstelling, maar ook zijn Engelse topvertaling. Ook Ira Wilhelm, mijn Duitse vertaalster, werd genomineerd: voor de Else Otten Übersetzerpreis.

“Of ik ook negatieve ervaringen heb gehad? Weinig. Maar ik betreur nog altijd dat de Duitse titel van Oorlog en terpentijn uiteindelijk Der Himmel meines Großvaters is geworden. Ik vind dat minder passend. Ik heb me daartegen verzet en ook de vertaalster was er niet echt mee opgezet. Maar het was de verkoopafdeling die de knoop doorhakte. Ik moest me erbij neerleggen. Toch ben ik blij dat de Duitse vertaling voor Zwitserland wel degelijk Krieg und Terpentin zal heten.”

‘Voor mij zijn vertalers collega’s’

Op het terrein van de non-fictie is David Van Rey­brouck (°1971) ongetwijfeld een van de meest vertaalde Vlaamse auteurs. Het stevige internationale parcours van Congo is bekend, maar ook Tegen de verkiezingen zet nog steeds voet aan de grond in talloze landen, waaronder zopas ook Slovenië.

“Ik heb extreem nauwgezette vertalers”, zegt Van Reybrouck. “In het bijzonder de Duitse blinken uit in gründlichkeit, verbaast je dat? Neem nu Waltraud Hüsmert, die Congo naar het Duits omzette en nu ook Zink, mijn boek over het staatje Neutraal Moresnet. Extreem gedetailleerde vertaalarbeid.”

Maar vertalen is meer dan stoeien met feiten. “Je moet mee zijn met het literaire gevoel van een boek en het taalregister perfect aanvoelen. De toonaard van mijn tekst verandert weleens van ironisch naar analytisch en dan weer emotioneel. Een vertaler moet die stijlwijzigingen traceren. Ik merk meteen wanneer er een niet-bezielde vertaler aan het werk is. Al komt dat gelukkig zelden voor.”

“Bij de Franse, Engelse, Duitse Spaanse en Italiaanse vertalingen zit ik er met de neus op. Maar het is ondoenbaar alles op te volgen. Ik ben wel altijd be­schikbaar. Er bestaat een opvatting dat vertalers hiërarchisch lager zouden staan, maar voor mij zijn het collega’s. Ik noem ze ‘de vergeten helden van de globalisering’. Net als hartchirurgen zijn ze ontzettend consciëntieus, maar worden ze helaas minder goed betaald. Telkens als de gelegenheid zich aandient, toon ik mijn waardering of ga ik een hapje eten met een vertaler. Iedereen in de boekenketen – van redacteur tot boekhandelaar – zou door een schrijver op zijn waarde moeten worden geschat. Bestaat er overigens een betere manier om een vreemde taal onder de knie te krijgen dan door jezelf in vertaling te lezen? Ik dacht het niet.” (lacht)

David Van Reybrouck: 'Ik noem vertalers 'de vergeten helden van de globalisering’. Beeld Els Zweerink
Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met De Morgen?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van De Morgen rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234