Dinsdag 15/10/2019

Boeken

Een mep in het gezicht van het WK: 10 sportboeken voor sporthaters

Muhammad Ali: soms is een verhaal zo krachtig en vervolgens zo sterk opgeschreven dat het overleeft, ook als de sportieve voorvallen die aan de orde komen al lang zijn vergeten. Beeld Qdoc: I Am Ali

Jawel, het is weer zo’n zomer. Én WK voetbal én Wimbledon én Tour de France. Wat moet een mens dan die daar geen zier om geeft? Lezen natuurlijk. Een sportboek. Dat kan prima, want goede sportboeken gaan niet over sport. (De lijst vindt u onderaan dit artikel)

In juni 1951 verscheen in het Amerikaanse mannentijdschrift True het verhaal van de journalist en schrijver W.C. Heinz, met de titel Brownsville Bum. Het ging over een bokser, Al ‘Bummy’ Davis, die in november 1945, na een toch al niet al te vrolijk leven, op 25-jarige leeftijd werd doodgeschoten op de stoep voor Dudy’s bar in Brownsville, een slecht deel van Brooklyn, New York.

Je zou het vanwege het boksen een sportverhaal kunnen noemen. Maar als we verhalen en romans gaan typeren aan de hand van de bezigheden van de hoofdpersoon, is Knielen op een bed violen een tuindersroman. Brownsville Bum gaat niet over boksen, het boksen is bijzaak. Het onderwerp van het verhaal is het korte, tragische leven van Bummy.

De selectie uit de verhalen van W.C. Heinz die in 2015 verscheen in de prestigieuze Library of America, heet The Top of His Game – The Best Sportswriting of W.C. Heinz. De Amerikanen doen niet moeilijk: het onderwerp van W.C. Heinz is sport, dus hij doet aan sportschrijven. Daar kan dat ook, want sportschrijven staat in de VS in hoog aanzien – veel van de grootste Amerikaanse schrijvers hielden zich ermee bezig, van Mark Twain tot Norman Mailer – en wordt daarom opgenomen in de Library of America, in 1979 opgericht “om Amerika’s literaire erfenis te bewaren door het publiceren en in druk houden van gezaghebbende edities van Amerika’s beste en belangrijkste schrijvers”.

Wij in de Lage Landen missen de Amerikaanse traditie, waarin Norman Mailer in 1974 voor Playboy naar Kinshasa in het huidige Congo reisde om verslag te doen van het gevecht tussen Muhammad Ali en George Foreman (‘The Rumble in the Jungle’) en thuiskwam met een verhaal van twintigduizend woorden waarvoor een hele Playboy-editie moest worden uitgeruimd – wat ook gebeurde. The Fight is nu een Penguin Literary Classic en een sportnovelle die niet over sport gaat, maar over Norman Mailer.

De Amerikaanse schrijver weet dat sport uitstekend materiaal voor een roman kan leveren, zonder dat dat afbreuk doet aan de kwaliteit van zijn werk. Amerikaanse recensenten noemen een boek waarin sport voorkomt niet automatisch een jongensboek.

Sport, daar ben ik na een halve eeuw sport volgen en tien jaar sportverslaggeving wel achter gekomen, gaat helemaal nergens over. Het ene jaar degradeert club A, het volgende club B. Dit jaar wint X de Tour de France, volgend jaar Y. Over het wereldkampioenschap voetbal wordt erg opgewonden gedaan, maar na het tamelijk intensief volgen van veertien WK’s weet ik het eindelijk: er is geen enkele goede reden te bedenken om je kostbare tijd te vergooien met het kijken naar de wedstrijd van Land 1 tegen Land 2, zelfs niet als het de finale betreft.

Tragische helden

Sport is onzin. Het is leegte gevuld met illusies. De sportwedstrijd is een bedachte werkelijkheid, een toneelstukje. Op de eerste rij zitten de verslaggevers die ons ervan proberen te overtuigen dat wat we zien echt is en belangrijk, maar ze weten nog beter dan wij dat ze lucht verkopen. Er zou niets, helemaal niets veranderen als de wedstrijd niet zou plaatsvinden.

Sport is een verhalenmachine. Je hebt genoeg mensen die denken dat sport op zichzelf de reden is dat sport bestaat: sport for sport’s sake. Vooral menig topsporter verkeert vaak in die veronderstelling. Wat ook wel weer logisch is, want de topatleet is voortdurend omringd door trainers, medesporters en sportverslaggevers die maar al te graag bereid zijn het waandenkbeeld te bevestigen.

Maar ik weet zeker dat niet de zwetende sporter en zijn gevecht met de tegenstander de verklaring is voor de voorname rol die sport speelt in de moderne samenleving. Het is onze behoefte aan verhalen. De held van vandaag wordt moeiteloos ingeruild voor die van morgen, zijn prestaties verdwijnen in de mist en zijn records worden verbeterd, maar de verhalen die hij heeft geschreven blijven bestaan. Als ze tenminste een beetje knap zijn genoteerd. Als van topsport wordt gezegd dat het zo belangrijk is, bijvoorbeeld omdat het ons verbindt, is de eigenlijke boodschap dat de verhalen over sport ons verbinden. Sport zelf doet niks.

De Amerikaanse verhouding tot sport kan gemakkelijk in één woord worden samengevat: heldenverhalen. Zegevierende helden, tragische helden: helden. Ik had voor ik het verhaal van W.C. Heinz las nog nooit van Al ‘Bummy’ Davis gehoord. Er liep geen lijn van het verhaal naar een mij bekende werkelijkheid – meestal de aanleiding voor een sportverhaal. Een sporter heeft iets gedaan wat enig opzien baarde en een schrijver – vaak een sportjournalist – komt op het idee dat zo snel mogelijk uitgebreid op te schrijven. Hij weet hoe het ervoor staat: zodra de prestatie naar de achtergrond verdwijnt, verliest ook het verhaal snel aan waarde en kan hij een bestseller wel vergeten. Meestal leiden dit soort pogingen nergens toe: de schrijver en de atleet, samen op weg naar de vergetelheid.

Het leven van Ali

Maar het gaat niet altijd zo. Soms is een verhaal zo krachtig en vervolgens ook nog zo sterk opgeschreven dat het overleeft, ook als de sportieve voorvallen die aan de orde komen al lang zijn vergeten. Op dat moment vindt een opmerkelijke transformatie plaats: de non-fictie treedt het terrein van de fictie binnen. Als er voor de lezer geen referenties meer zijn aan personen en gebeurtenissen die hij nog kent uit de werkelijkheid, wordt een feitelijk relaas fictie. En wanneer de schrijver dan ook nog eens de verteltechnieken van de fictie gebruikt om zijn non-fictieve verhaal te vertellen, wordt het verhaal boven zichzelf uitgetild.

Je hebt nog nooit van Al Davis gehoord en je vindt boksen een afschuwelijke sport, maar je leest het verhaal; er is geen ontkomen aan. Journalistieke non-fictie is fictie geworden. De titels van Heinz’ verhalen in de verzamelbundel The Top of His Game zijn de titels van korte verhalen, alsof Heinz wist wat de teksten te wachten stond: ‘How They Told Charlie Keller’, ‘The Fighter’s Wife’, ‘The Man Who Belongs in Blue Jeans’, ‘The Artist Supreme’.

Heinz beïnvloedde de schrijvers van het New Journalism: Talese, Wolf, Mailer. Alle drie schreven ze over sport en alle drie stelden ze het verhaal ver boven het verslag – sport leverde de onderwerpen en de hoofdpersonen, maar deed er verder niet zoveel toe.

Zo begint Ali: een leven van Jonathan Eig, de eerste volledige biografie van Muhammad Ali, de bokser, The Greatest, Cassius Clay, de wereldkampioen, de eerste rapper: “Een lange, zwarte Cadillac glijdt langs wuivende palmbomen en stopt voor het Surfside Community Center. De namiddagzon blikkert op de chromen bumpers van de auto. Cassius Clay stapt uit. Hij draagt een op maat gemaakt spijkerjasje en zwaait met een pedant wandelstokje.

Hij kijkt of iemand hem al heeft opgemerkt.

Nog niet.

Hij roept: ‘Ik ben de grootste in de geschiedenis. Ik ben de koning!’”

Het kan zijn dat je nog nooit van Cassius Clay hebt gehoord, dat het bestaan van de beroemdste sportman van de 20ste eeuw je volledig is ontgaan; het kan zijn dat je niets weet van zijn bemoeienis met het racisme in zijn land, met de oorlog in Vietnam. Mogelijk heb je geen idee wie Joe Frazier was en moest je ten tijde van ‘The Thrilla in Manila’ nog geboren worden. Dat zijn allemaal geen redenen om Ali: een leven niet te lezen.

Scherpe spiegel

Ali: een leven mag je als een romantitel in de oren klinken en er is ook niets op tegen het boek te lezen als een roman over een geniale bokser die de weg kwijtraakt. Een sporter die in het hart van de Amerikaanse geschiedenis van de jaren 60 en 70 staat, die een land doormidden splijt, die wordt misbruikt door de aasgieren om hem heen en die zelf de talloze vrouwen in zijn omgeving behandelt als oud vuil. Een man die weigert zich neer te leggen bij de status quo, die de macht tart, die 200.000 stoten tegen zijn hoofd krijgt en eindigt als een trillende parkinsonpatiënt. Die van rabiate moslimfundamentalist een milde soefi wordt.

Dat is een romanverhaal, al zou je het misschien een ongeloofwaardig verhaal hebben gevonden als Eig het allemaal had verzonnen.

Ali: een leven gaat over een bestaan dat vorm heeft gekregen via de sport, het onderwerp is roem, vergaard via de sport. En toch is dit typisch een sportboek voor sporthaters, een sportboek dat niet over sport gaat – de vuist op de cover is geen boksersvuist, maar een mensenvuist.

Eig schreef een bizar verhaal en een aanklacht. De hoofdpersoon is groter dan hij in het echte leven ooit heeft kunnen zijn, en toch is er niets aan gelogen. Over vijftig jaar kun je het lezen en weet je hoe het was, in Louisville, Kentucky, in 1964. Hoe het was om zwart te zijn in de Verenigde Staten. Hoe het was om Muhammad Ali te zijn, The Greatest.

Je hoeft niet eens van boksen te houden om Ali: een leven te waarderen. Sterker: de kans is groot dat zelfs de boksliefhebber na lezing walgend een andere favoriete sport gaat kiezen.

Er zijn veel meer geweldige sportboeken die niet over sport gaan. Dat komt juist door de aard van sport: het is niks, dus alle betekenis moet er van buitenaf in worden gelegd. Soms gebeurt dat knullig, soms subliem. Geef één wielerkoers in handen van een begenadigd schrijver, en hij maakt er een verhaal van dat alles en tegelijkertijd niets met sport te maken heeft, en des te meer met de menselijke staat. Sport is een pijnlijk scherpe spiegel met winnaars en verliezers, hoop en wanhoop, glorie en frustratie, poseurs en echte mensen.

En een tennisboek, vraagt u? Dat bestaat. Het heet String Theory en het is van de in 2008 overleden Amerikaanse auteur David Foster Wallace. String Theory, in 2016 ook gepubliceerd in de Library of America, bevat vijf sublieme essays over tennis, of juist niet over tennis. De essays van Wallace worden door sommigen gezien als het beste wat ooit over sport is geschreven – ze gaan niet over sport.

Tien sportboeken voor sporthaters (en vijf in de bonus)

1. David Halberstam: Playing for Keeps. Michael Jordan and the World He Made

Over de opkomst en invloed van de beste basketballer aller tijden.

+ Andere sportboeken voor sporthaters van Halberstam: Summer of '49, The Amateurs.

Beeld RV

2. Erik Brouwer, Spartacus. De familiegeschiedenis van twee joodse olympiërs

Over het joodse Amsterdam van voor de Eerste Wereldoorlog en twee gymnasten.

+ ook fijn voor sporthaters: De Walthours: De Kennedy's van het wielrennen, over Amerika.

Beeld RV

3. Benjo Maso, Wij waren allemaal goden

Over de Tour de France van 1948, maar vooral een tijdsbeeld. Maso schreef ook Het zweet der goden, maar dat is meer voor de pure wielerliefhebber.

Beeld RV

4. Jan Boesman: De fiets van Lautrec

Over een kunstenaar, een wielrenner en een monsterrace.

+ Nog een mooi Boesmanboek voor sporthaters: De vliegende neger & de kleine koningin.

Beeld RV

5. Michel van Egmond, Deal - Met Rob Jansen achter de schermen van het topvoetbal

Over een voetbalmakelaar, maar eigenlijk een roman over een fixer in een krankzinnige wereld.

Beeld RV

6. Laura Hillenbrand: Seabiscuit - De legende van een renpaard

Over een renpaard, maar vooral over het Amerika van de jaren dertig.

Tien sportboeken Beeld RV

7. William Fotheringham: Sunday in Hell - Behind the Lens of the Greatest Cycling Film of All Time

Over de legendarische documentaire van Jørgen Leth over Parijs-Roubaix.

Beeld RV

8 Tim Krabbé, De renner

Over een wielerwedstrijd, maar in feite een zelfonderzoek.

Beeld RV

9. David Storey: This Sporting Life

Een klassieke roman uit 1960 over een rugbyspeler in een Noord-Engelse industriestad.

Beeld RV

10. Chad Harbach: De kunst van het veldspel

Roman over een honkballer en de consequenties van een foute bal.

Beeld RV

+ ook mooi over honkbal en de mens: Bernard Malamud, The Natural

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met De Morgen?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van De Morgen rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234