Zondag 20/10/2019

Boeken

'Een knipperend ogenblik': een blik in de gesloten lades van Remco Campert

"Zomaar ergens beginnen en zien wat je tegenkomt, dat is mijn methode", aldus Remco Campert. Beeld Hollandse Hoogte / Jörgen Caris

Terloopse lichtvoetigheid en milde melancholie. Het zijn de kernwoorden van Remco Camperts oeuvre. Maar in haar liefdevolle biografisch portret speurt Mirjam van Hengel ook naar de duistere, ongrijpbare kanten van het eeuwige zondagskind in de letteren.

"De meest onderschatte schrijver van Nederland", zo beweerde Jan Wolkers ooit stellig over Remco Campert. Een quote die voorgoed bij het grof huisvuil kan. Want als er iemand tegenwoordig op handen wordt gedragen, dan wel de 89-jarige auteur van Het leven is vurrukkulluk (1961) en Een liefde in Parijs (2004). De meester van de terloopse lichtvoetigheid met een melancholisch randje groeide de laatste decennia uit tot 'nationale knuffeldichter', met de Prijs der Nederlandse Letteren als ultiem ereteken. Toen een vermoeide Campert onlangs aankondigde te stoppen met zijn columns in De Volkskrant, was dat in Nederland breaking news.

Beeld RV

'Grijpbaarder werd hij niet, wel nog almaar geliefder', schrijft Mirjam van Hengel in Een knipperend ogenblik, haar op bewondering gestoelde biografisch portret. Met afstandelijke minzaamheid laat de broos voortschuifelende Campert zich alle gefêteer aanleunen: 'Het aan zichzelf genoeg hebben, het onverstoorbare, is juist een van de redenen waarom mensen zo op Remco gesteld zijn', vermoedt Van Hengel.

Bovendien beseft Campert maar al te goed dat hij een van de overlevers van zijn generatie is. Om de haverklap moest hij schrijvende vrienden uitzwaaien: van Lucebert en Hugo Claus tot Henk Bernlef en Gerrit Komrij, van Rudy Kousbroek en Simon Vinkenoog tot Gerrit Kouwenaar.

Reden genoeg voor Van Hengel − auteur van een gesmaakt boek over de symbiotische liefde van Tineke en Leo Vroman (2014) − om enige haast te maken met haar portret, dat ze liever geen in wetenschap gedrenkte biografie noemt. Naast archiefonderzoek en het verzamelen van getuigenissen, ging ze twee jaar lang wekelijks met de frêle Campert praten, telkens op vrijdagmiddag. Rode wijn op tafel, sigaretten in de aanslag, terwijl echtgenote Deborah Wolf mee aanschoof.

Geen taboes, wél concrete vragen, zodat de 'hartenklop' van Campert tastbaar zou worden. Essentieel bij een auteur voor wie "het verschil tussen schrijven en leven niet zo groot" is. "'Je mag alles vragen, je mag alles weten, je mag overal in neuzen', zei hij. Maar ik denk dat hij ook veel achterhoudt, vooral voor zichzelf. Iedereen heeft zo'n laatje dat niet snel opengaat: hij heeft er misschien meer dan één", getuigde Van Hengel in Het Parool.

Afwerend zwijgen

Camperts afwerende zwijgen had vaak te maken met de pijnpunten in zijn leven. Zoals de verwrongen gevoelens ten opzichte van zijn vroeg afwezige vader: de journalist en verzetsstrijder Jan Campert − bekend van het gedicht 'Het Lied der Achttien Dooden' −, die in 1943 omkwam in het concentratiekamp Neuengamme. Zijn moeder, de Haagse Joekie Broedelet, was dan weer een gedreven actrice die stad en land afreisde, en hem zijn voorliefde voor toneel bijbracht.

Remco had een nauwe band met haar − 'ze was de nucleus van zijn bestaan', zei een latere vriendin. Maar tweeënhalf jaar na de geboorte van Remco ging het paar uit elkaar; de ongedurige Jan Campert was een bedreven rokkenjager. Gevolg: de jonge Remco werd in zijn jeugdjaren van hot naar her gesjouwd en had zelden een thuis.

'Zijn vader poetste geen tranen weg van een hete kinderwang', noteert Van Hengel dramatisch. Toen hij de dood van zijn vader vernam, had Campert geen idee hoe hij moest reageren. 'Ik wist wel dat je bij het woord 'vader' iets zou moeten voelen. Alleen: het lukte niet', zei hij in 1999 in Vrij Nederland. Campert hield er een verweesd grondgevoel aan over, denkt Van Hengel: 'Het besef van de ik-en-de ander, van zien hoe de anderen een veilige wereld vormen waar jij geen deel van uitmaakt, en bevangen worden door eenzaamheid.'

Relletje

Slordig beheer, zo heette een dichtbundel van zijn vader. De titel is perfect van toepassing op Camperts eigen houding tegenover zijn twee kinderen en latere stiefkinderen. Ze zijn in dit boek niet mals voor Campert als wegkijkende vader, weer eens verzeild in de zoveelste affaire, kauwend op een tekst of vertoevend in alcoholisch vaarwater. 'Een pijnlijk verhaal van onvermogen en verwaarlozing', noemt Van Hengel het.

Verantwoordelijkheden, daar ging hij voor op de loop: 'Dat is een zegen voor het schrijven, dat zo altijd voorrang krijgt, maar ik heb daardoor wel altijd veel aan anderen overgelaten', geeft Campert toe. 'De harde kantjes van het leven negeer ik daarmee.' Dichtersoom Jacques Bloem zei ooit over hem: 'Deze jongen heeft niemand nodig. Niemand en niets. Hij is een dromer in zijn eigen wereld.'

In haar boek licht Van Hengel vele tegels en brengt ze ook diverse tijdperken tot leven - al krijgen de jaren 50 tot 70 de smakelijkste aandacht. Aanvankelijk was Remco een slungelige, verlegen jongen met een brilletje. Hij bloosde als een pioen om het minste. Maar zijn verlangen naar onafhankelijkheid was groot. Het gymnasium bleek daarbij voor de spijbelende Campert een hinderpaal. Delicaat beschrijft Van Hengel zijn aarzelend ontvlammende schrijverschap: in 1951 verscheen Camperts officiële debuut Vogels vliegen toch. In een van zijn eerste probeersels stond een regel die in 1961 nog tot een tv-relletje zou leiden: 'Alles zoop en naaide/heel Europa was één groot matras.'

Vooral zijn liefde voor de jazz - met Campert als early adopter - voedde het timbre van zijn improviserende dichterschap: 'Zomaar ergens beginnen en zien wat je tegenkomt, dat is mijn methode. Alles kan dienen. Grassprietjes tussen stoepstenen, de duif op de dakgoot, de herinnerde stem van een overleden vriend, de snerpende koude wind op het Museumplein of de brief die ik zojuist geopend heb', aldus de intuïtief te werk gaande Campert.

Verrotte Vlaamse mentaliteit

Beslissend voor zijn ontluikend poëtisch talent waren natuurlijk zijn omzwervingen in de Amsterdamse kunstenaarscafés waar hij Bert Schierbeek, Lucebert, Gerrit Kouwenaar, Karel Appel, Corneille en Rudy Kousbroek tegen het lijf liep. Vooral in Kousbroek vond hij een geestesgenoot, met wie hij in 1949 het tijdschrift BRAAK oprichtte. Van Hengel wijdt tedere pagina's aan hun levenslange vriendschap, die soms zo synchroon liep dat ze op hetzelfde meisje verliefd werden én met haar ook naar bed gingen. Ook de rol van baanbrekende bloemlezingen Atonaal en Vijf 5 tigers, met Campert als atypische Vijftiger ('zo verstaanbaar, zo niet-experimenteel'), wordt uitvoerig belicht.

Spoedig verkaste deze artistieke voorhoede onder impuls van Simon Vinkenoog naar Parijs, waar zich een poos een echte Hollandse kolonie vormde. Campert, nog groen achter de oren én met sikje, haakte er gretig zijn wagonnetje aan vast. 'Artistieke lucht, armoe troef, romantiek troef' was het, daar in de smoezelige hotels rond de Place de la Contrescarpe en in het Quartier Latin. Parijs bleef altijd in zijn oeuvre rondspoken, 'de nooit helemaal bereikbare stad, de plaats van gelokaliseerd verlangen', in schril contrast met Nederland, 'dat drabbig land vol drabbige mensen'.

Een tijdlang zocht Campert ook zijn heil in een groot Antwerps huis, een zoveelste poging om schoon schip te maken. Maar hij reed zich er vast, getergd door onrust, en keerde terug naar Amsterdam: 'Die verrotte Vlaamse mentaliteit die al het aardige in een mens uitdooft en verzuipt in de ene pint na de andere.'

'Liefdesaffaires heeft men soms meerdere in het leven, terwijl schrijven voor mij een blijvende liefde is', zo vertelde Campert in 1998 in De Groene Amsterdammer. Van Hengel heeft haar handen vol met alle amoureuze escapades van de snel verliefderige Campert. Bijvoorbeeld toen hij op het Boekenbal in 1954 de 'betoverende' dichteres en drankorgel Fritzi Harmsen van Beek ontmoette. In haar zog verzeilde Campert op villa Jagtlust, een landhuis vol 'vergane glorie van een Evelyn Waugh-achtige allure', 'een fuivend, liederlijk, drukbevolkt oord', waar de alcohol rijkelijk door de kelen klokte.

Harmsen van Beek was zijn tweede vrouw na Freddy Rutgers. Die laatste verliet hem na een Mallorca-reis voor zijn vriend Gerrit Kouwenaar. Ook zijn latere huwelijken worden breed uitgesmeerd. Er was de hippieschoonheid pur sang Lucia van de Berg, moeder van zijn twee kinderen, en de Amerikaanse galeriehoudster Deborah Wolf, met wie hij - na een onderbreking van vijftien jaar - weer de draad opnam. 'Hun verhouding is van een veerkrachtige intimiteit die gebouwd is op het gevoel (...) dat ze nu eenmaal bij elkaar horen.'

Indrukwekkend innemer

En er is de onthulling van zijn vijf jaar durende, heftige romance met de toen 21-jarige Adrienne van Heteren, vanaf 1981, toen Campert 55 was. 'De enige vrouw die Deborah nog altijd doet vlammen van jaloezie', noteert Van Hengel. Ook over het alcoholverbruik van 'indrukwekkend innemer' Campert wemelt het van details. Op feestjes stond hij erom bekend alle restkliekjes op te drinken, zolang er maar alcohol inzat. Het vele nachten doorhalen leidde tot 'een onrustig spijtgevoel', somber en stuurloos én ook weleens een writer's block. Maar zijn verlegenheid wist hij ermee te overwinnen.

Laverend tussen anekdotiek, analyse en ruimhartige citaten loodst Van Hengel ons met haar prettige, soms al te lyrische stijl door het leven en zachtjes bij elkaar gedruppelde oeuvre van het eeuwige zondagskind van de Nederlandse letteren. Akkoord, wanneer je dit boek langs de strenge meetlat van de biografie legt, schiet Een knipperend ogenblik tekort, zeker omdat het onvoldoende afstand houdt. En waarom werd er niet royaler gegraaid in allerhande fotoarchieven? Wat hier aan Campert-beelden wordt getoond, is vaak bekende kost én een tikje armetierig afgedrukt.

Ook over de laatste decennia gaat Van Hengel enigszins freewheelen. Ze benadrukt te zeer haar intimistische band met Campert. En toch. Wanneer je dit boek als een gloedvol maar niet onkritisch portret beschouwt, is het wel uitermate geslaagd. Onvermoeibaar gaat Van Hengel quasi nonchalant op zoek naar het geheim van Camperts schrijverschap. Is dit de gouden formule? 'De lichtheid die een robuuste mokerslag kan uitdelen, de eenvoud die diep ontroert, de snedigheid die de melancholie om zeep helpt terwijl daarna de weemoed het juist weer wint van de grap.'

Mirjam van Hengel, Een knipperend ogenblik. Portret van Remco Campert, De Bezige Bij, 512 p., 29,99 euro.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met De Morgen?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van De Morgen rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234