Woensdag 16/10/2019
Stevie Nicks, John McVie, Christine McVie, Lindsey Buckingham en Mick Fleetwood in 2018.

Werchter Boutique

‘Een groep die deed wat niemand mogelijk achtte’: Marc Didden over Fleetwood Mac

Stevie Nicks, John McVie, Christine McVie, Lindsey Buckingham en Mick Fleetwood in 2018. Beeld Evan Agostini/Invision/AP

Fleetwood Mac is zaterdag de topaffiche op Werchter Boutique. Marc Didden denkt terug aan de beginjaren van de band in de jaren 60, toen velen zich afvroegen: wat hebben blanken te zoeken in de blues. 

Zoals veel verhalen begint ook dit met een hond. Een schurftige schobbejak die zijn gerief zocht tussen halflege vuilnisbakken in een gore achterafsteeg van het midden jaren 60 nog erg dickensiaans aandoende Londen.

Die hond stond te snuffelen op de hoesfoto van een plaat die Fleetwood Mac heette en die in alle stilte gemaakt werd door een toen nog totaal onbekende groep die voluit Peter Green’s Fleetwood Mac heette.

Ze waren hechte vrienden uit een volkse buurt in de Britse hoofdstad, waar ze hun passie voor vroege rock-’n-roll algauw zagen uitwaaien naar de muziek die aan de bron lag van de rock: de blues.

Blanke bluespioniers als Alexis Korner en John Mayall hadden medio jaren 60 al een leger volgelingen op de been gebracht die net als die grote voorbeelden met de hulp van primaire gitaarakkoorden, behoorlijk hese stemmen en breedverspreide beginzinnen als “Woke up one morning” of “Standing at the station with a suitcase in my hand” een eigen Britse blanke variant van de blues in de praktijk brachten.

Puristen hadden het in het begin moeilijk met het fenomeen ‘blanke blues’. Ze hadden in hun persoonlijke platenkast immers een meter of twee langspeelplaten staan van zwarte helden uit de Mississippi Delta of uit het wat noordelijker gelegen Chicago.

Koning van de Slidegitaar

The real thing dus, met namen die vandaag de dag nog steeds als klokken klinken: Howlin’ Wolf, Muddy Waters, Lightnin’ Hopkins, Blind Lemon Jefferson, B.B. King, John Lee Hooker, Robert Johnson, Willie Dixon, Son House.

Om de een of andere reden was in de kelders van die bars is Soho waar de blues vereerd werd toch vooral een zekere Elmore James een kleine soort God. Hij werd ook weleens de Koning van de Slidegitaar genoemd, een naam die hij graag eer aandeed door tijdens zijn opzwepende optredens het showelement zeker niet te verwaarlozen, even uitgebreide als spetterende solo’s te serveren, voor die tijd zo hevig mogelijke geluidsversterking te gebruiken en niet vies te zijn van wat distorsie en wild gezang.

Elmore James schuurde zonder dat hij het wist al dicht tegen de rock aan, en mensen die hem nog live meegemaakt hebben – hij stierf op 24 mei 1963 – spreken van een ‘vroege Jimi Hendrix’ of een ‘eenmansversie van Led Zeppelin’.

Latere gitaarhelden als Jimmy Page, Jeff Beck en Eric Clapton verklaarden vaak en niet verwonderlijk dat ze voor veel, zo niet alles van hun kunnen schatplichtig waren aan James. Zijn bekendste song, ‘Dust My Broom’, is in elk geval een blauwdruk voor elk blank bluesnummer dat in de jaren 60 door langharige Engelsmannen geschreven en gespeeld werd.

Can white men play the blues?

Behalve door puristen werd die eerste golf van blanke blues ook argwanend bekeken door de Britse muziekpers. Terwijl de Beatles unanieme en terechte lof ontvingen voor hun revolutionaire en volkomen eigen manier van songschrijven en men van The Rolling Stones wel aanvaardde dat ze veel van hun vroege mosterd in Chicago, New Orleans en Detroit gingen halen, kregen Mayall en Clapton vaak te maken met de hamvraag: “Can white men sing the blues?”

Er werden hele debatavonden, columns en opiniestukken mee gevuld. Er werd ook mee gelachen. De helaas bijna-vergeten comedyrockgroep The Bonzo Dog Doo-Dah Band schreef daarover het bijzonder grappige, en heel Elmore Jamesiaanse ‘Can Blue Men Sing The Whites?’, oftewel ‘Kunnen blauwe mannen de witten zingen?’

Een vraag die inmiddels ruimschoots en positief beantwoord is. De al genoemde heren Mayall en Beck en Clapton zijn evenzoveel bewijzen. Zeppelins Robert Plant, The Animals’ Eric Burdon, Gregg Allman van de gelijknamige Brothers eveneens.

Onze eigen Roland en zijn destijdse Workshop, Arno in zijn vroege dagen, Raymond (hoor zijn licht parodiërende ‘Middenstandsblues’): ook zij weten wat de blues is.

Blanke blues op zijn best

Wie dat zeker ook wisten en misschien beter dan wie ook waren de jongens van de plaat met die hond van hierboven. Peter Green’s Fleetwood Mac. Hun welluidende drieledige groepsnoemer sloeg natuurlijk op hun respectieve familienamen: Green was daarin Peter Green, een ronduit geniale en subtiele leadgitarist die aan de blues meteen een soepele eigentijdsheid gaf. Fleetwood stond voor Mick Fleetwood, een boomlange en excellente drummer. Sterke persoonlijkheid, geboren leider, bij tijden dronkelap en snuiforgel. 

Mac was gewoon de korte versie van basgitarist en eeuwigdurende stille kracht John McVie. Hun debuutplaat verscheen in februari 1968. Ik kocht ze een week later in La Maison Bleu in de Brusselse Nieuwstraat en ze staat sedertdien ononderbroken in mijn bloedeigen top 10.

Waarom? Daarom. Omdat gewoon alles aan die plaat klopt. Vanaf de eerste gitaaraanslag op ‘My Heart Beats Like a Hammer’ (track 1 van kant A) tot wanneer de stilte opnieuw intreedt net als iemand de stekker uitgetrokken heeft na ‘Got To Move’ (track 6 van kant B) .

Het is blanke blues op zijn best. Gespeeld door de besten.

Het is voor mij – maar ik ben geen kenner – samen met Rumours (van goed tien jaar later) nog steeds Fleetwood Macs beste lp.

Deurne by night

Peter Green’s Fleetwood Mac is voor mij en de halve bevolking van mijn retoricaklas werkelijkheid geworden op 21 juni 1969, en wel in de toen nog erg dickensiaans aandoende Antwerpse voorstad Deurne. Niet in het later nog weleens door de supergroepversie van de bewuste band bezochte Sportpaleis, maar in de nabijgelegen en veel bescheidener aandoende Arenahal. 

Daar vond het First International Pop Event plaats. Tickets op het balkon kostten 75 frank, wat minder dan 2 euro betekende maar toch veel geld was. Al kreeg je er wel wat voor terug. 

Ik herinner me de al genoemde Roland And The Blues Workhsop, The Pebbles, maar vooral The Nice, Jon Hiseman’s Colosseum en een werkelijk sprankelende nieuwe, frisse groep die Yes heette, jawel, dezelfde band die zich later liet ombouwen tot een walvis. 

Maar het hoogtepunt was voor mij, en ook voor vrijwel alle andere aanwezigen, toch zonder enige twijfel de jonge, hongerige en luidruchtige Londense bende die haar naam intussen had ingekort tot Fleetwood Mac.

Hun set zit nog altijd in mijn hoofd en was natuurlijk een lillende weergave van hun eerste langspeelplaat , aangevuld met een stuk of wat eigen nieuwe nummers, een rustige instrumental – het nog steeds verbluffende ‘Albatross’ – als tussendoortje en wat covers van zwarte bluesmeesters. 

Peter Green maakte veel indruk met zijn goddelijk gitaarspel, maar zijn collegae Jeremy Spencer en Danny Kirwan waren ook elk in hun eentje een categorie apart. En dat maakte samen met de rustige vastheid die bassist McVie en drummer Mick Fleetwood permanent toeleverden van dat Deurnese optreden écht een wonderconcert.

Zinkend schip

Een week na het concert in de Arenahal ben ik aan mijn echte leven begonnen, en ik moet toegeven dat daarin zeer lange tijd geen plaats meer was voor Fleetwood Mac. Ik was gaan studeren en aan de hogeschool via medestudenten in contact gekomen met Jefferson Airplane en Lovin’ Spoonful, met Miles Davis en John Coltrane, met Joni Mitchell en Sandy Denny, Dusty Springfield en Aretha Franklin. Met de John Lee Hookers en Howlin’ Wolven van deze wereld. Met lichtjes terugwerkende kracht ook met Elvis, Jerry Lee, Fats, Buddy en Chuck.

Met Kris Kristofferson. En vooral John Prine. En bovenal Bob Dylan.

Ik heb nog wel Macs tweede plaat gekocht, de inderdaad wonderlijke klaphoes van Mr. Wonderful koester ik nog steeds. Maar Then Play On, Kiln House en Bare Trees zijn mijn huis nooit binnengeraakt, en bij vrienden zag ik ze ook nooit liggen. Ik heb er later wel flarden van gehoord via de radio of op verzamelplaten. Wat ik hoorde, was nooit slecht, maar ook niet in staat mij zelfs maar in bescheiden mate op te winden.

Ik neem aan dat het aan mij lag. En ook wel aan het feit dat kleurrijke figuren als Peter Green, Danny Kirwan en Jeremy Spencer het naar zinken neigende schip ondertussen verlaten hadden: geestesziekte, drankzucht, godsdienstwaanzin hadden hun brein hevig aangetast, al bleef, volgens insiders, hun gitaarspel ook in de zwaarste dagen helemaal intact. 

Ze werden vervangen door bandleden als Dave Walker, Bob Weston en Bob Welch, die zeker hun verdiensten hadden, maar ze spraken niet tot mijn verbeelding. De uitzondering op die regel vormde Christine Perfect, ooit de machtige zangeres van die andere Britse bluesband Chicken Schack.

Pas toen ze de vrouw van basgitarist John McVie en tegelijk ook Christine McVie werd, is ze een rol gaan spelen in de geschiedenis van Fleetwood Mac, en ik kan met de hand op het hart zeggen dat de pagina’s waar Christine aan meeschreef dikwijls de boeiendste bladzijden uit het Grote Macboek zijn.

De stille jaren

Tijdens de stille jaren van Fleetwood Mac, na het wereldsucces van Eric Clapton als soloartiest, terwijl Led Zeppelin de eerste ware supergroep werd en figuren als Stevie Ray Vaughn, Jeff Healy of Bonnie Raitt doorbraken, hoorde je nog zelden de vraag stellen of witte mensen wel de blues konden of mochten zingen.

Sterker nog: witte mensen werden de schatbewaarders van de blues. De zwarte Amerikanen toonden er in feite en gek genoeg weinig belangstelling voor.

De Britse bleekscheten leerden jongen mensen waar de roots van die zwarte werkmansmuziek lag. Ze trokken zelfs in groten getale naar de geboortegrond van de blues om de mensen daar te confronteren met hun eigen muzikaal verleden.

The Rolling Stones, die ook weleens het verwijt kregen dat ze, eer Jagger en Richards zelf volwaardige songschrijvers geworden waren, als de raven stalen van de arme, oude blueslegendes, hebben die vergeten mannen vaak hun waardigheid teruggegeven door ze uitvoerig te fêteren. Door ze mee op tournee te nemen, door hun schrale bankrekeningen te spijzen met de opbrengst van royalty’s voor covers.

Door zoals Keith Richards levenslang de ziekteverzekeringskosten op zich te nemen voor de geweldige Willie Dixon, de auteur van het door de The Stones bekendgemaakte nummer ‘Little Red Rooster’. “Can blue men sing the whites/Or are they hypocrites/For singing woo-woo-wooh?” Ze waren van alles, jawel, maar geen “hypocrites”.

De renaissance

Het is gek genoeg volop punktijd wanneer Fleetwood halverwege de jaren 70 planetair en commercieel weer succesvol boven water komt. Door toevoeging van het folkrockduo Buckingham Nicks krijgt hun sound tussen in het rond vliegende kreten als ‘No Future’ en ‘No More Heroes’ of andere oproepen tot ‘White Riot’ iets rustgevends, iets sprookjesachtig, iets zachts zonder melig te zijn. De blues is zo goed als weggewassen uit hun muziek, maar het is gelukkig geen middle of the road geworden.

Hun tiende studioalbum, dat om het simpel te houden alweer Fleetwood Mac heet, blijkt de sleutel tot de gouden formule te bevatten. Een cocktail met partjes macho-gedoe en feminien kantwerk erin, met ook nog wat folk, wat rock, wat country.

En songs die radiovriendelijker zijn dan de radio zelf.

“Niet slecht, maar er staat geen echte single op”, zeiden platenbazen na een eerste beluistering. Een jaar later telden ze stilzwijgend de miljoenen dollars, ponden, francs en yens die de wereldhits ‘Over My Head’, ‘Say You Love Me’ en ‘Rhiannon’ opgebracht hadden.

Fleetwood Mac werd een globaal gewaardeerde groep. Van de naar zichzelf vernoemde lp werden 7 miljoen exemplaren verkocht. De groepsleden werden plotsklaps rijk en beroemd. Ze kochten té grote huizen, reden in té snelle wagens, vlogen met té dure privéjets en verloren vervolgens zichzelf en hun levenspartners aan té bovenmatig drank- en druggebruik.

Iedereen werd op iedereen verliefd in de groep. Iedereen bedroog de andere met de andere. Liefde sloeg om in haat. Plezier in pijn.

Therapeutische sessies

Waarnemers voorspelden dat het enige wat Mac nog te wachten stond een implosie was. Een val van de top van de Olympus, die ze na jaren zwoegen en ontelbare personeelswisselingen eindelijk bereikt hadden. Terug naar de goot?

Nergens in hun buurt werd alvast nog een hond gezien die tussen vuilnisbakken naar zijn gerief zocht.

En de groep deed wat niemand voor mogelijk achtte. Ze smeedden hun collectieve ellende om tot goudstaven en maakten van hun therapeutische en introspectieve concept-lp Rumours een superieure popplaat die niet alleen even geweldige als klassieke hits als ‘Go Your Own Way’, ‘Don’t Stop’ en ‘You Make Lovin’Fun’ bevat, maar ook nog eens 40 miljoen keer fysiek over de zogenaamde toonbank ging.

En toen kwam de lang doorwrochte en iets te hard doordachte dubbel-lp Tusk eraan. Ik moet ook hier eerlijk toegeven dat Fleetwood Mac me na de beluistering een tweede keer verloren is. De bijzonder atypische titeltrack kon mij, vooral door de percussie, bij liveoptredens nog weleens bij de lurven vatten, maar ik kan me niet herinneren dat ik Tusk, na de release in 1979, meer dan drie keer beluisterd heb.

Wat de band daarna produceerde, heb ik zelfs nooit gehoord. Mea culpa. Ik zeg u opnieuw: het ligt vast aan mij.

‘Rumours van Fleetwood Mac, een van de populairste platen aller tijden. Beeld rv

Van de groep die vandaag onder die naam de wereld afreist en die straks in Werchter staat, weet ik weinig. Ik ben blij dat Christine McVie er nog of weer bij is, en ik ben even blij dat die eikel van een Lindsey Buckingham eruit gezet is. En ik ben er bijna zeker van dat ze live zullen schitteren, ook dankzij de toevoeging van oude Heartbreaker Mike Campbell en tevens Neil Finn, een Nieuw-Zeelandse legende die in kringen waar ik vertoef ook weleens als een zageman wordt omschreven.

Ik luister nog wekelijks naar rauwe strepen blues uit hun eerste twee lp’s.

Ik hoor op de radio met heel veel plezier hoe af en toe ‘Albatross’ en vooral ‘Oh Well’ voorbijkomen. Maar als u mij vraagt wat ik van Fleetwood Mac het liefst onthoud, dan is dat toch hun single ‘Man of the World’ (uit 1969).

Die gek van een Peter Green dacht dat het over hem ging, maar hij was mis.

Het gaat vast en zeker over mij. ☺☺☺

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met De Morgen?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van De Morgen rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234