Donderdag 17/10/2019

Interview Boeken

‘Een gezin beginnen kan ook een daad van verzet zijn’: Niña Weijers over haar nieuwe roman

Niña Weijers in haar woonkamer: ‘Ik vind het leuk als ik de lezer in verwarring breng. Ik beschouw dat zelfs als een compliment.’ Beeld Simon Lenskens

Een gebruiksaanwijzing voor het leven, die je zelf bij elkaar moet puzzelen. Zo zou je de tweede roman van Niña Weijers (1987) kunnen omschrijven. Een vrouw zoekt rusteloos een uitweg uit haar dertigersdilemma’s. En heeft relaties met mannen én met vrouwen. ‘In een roman leg ik mijn schaamte af.’

De schrijfster en haar hondje: ze zijn onafscheidelijk. Jérôme piept uit haar handtas, dartelt en draaft om ons heen, kronkelt zich op zijn rug en keft kortstondig. Maar halverwege het interview kiest de ruwharige dwergteckel plots ongezien het hazenpad. Lichte paniek op het Amsterdamse buitenterras aan de Ringdijk, waar we zijn neergestreken. “We moeten Jérôme gaan zoeken.”

Het zou het perfecte begin kunnen zijn van een van de vele microverhalen die Niña Weijers verstopt in haar nieuwe roman Kamers antikamers. Met een bakje water blijkt een dorstige Jérôme overigens spoedig weer te lokken en te bedaren.

BIO 

• geboren in Nijmegen (Nederland) in 1987 
• debuteerde met korte verhalen en essays 
• won in 2010 de Juryprijs van de schrijfwedstrijd Write Now! 
• schrijft voor 
De Groene Amsterdammer en is redacteur bij De Gids 
• won met 
De consequenties (2014) o.m. de Anton Wachterprijs en de Gouden Boekenuil Publieksprijs 
• heeft haar tweede roman
Kamers antikamers uit 

Honden spelen een voorname rol in het boek. ‘Een hond is een krachtig iets’, denk de vrouwelijke protagoniste. ‘Hij zal een actieve, gezonde versie van haar mogelijk maken, met een dage­lijks ritme en een constante toevoer van frisse lucht.’

“Als schrijver probeer je in de chaos van je eigen universum een logica aan te brengen”, lacht Weij­ers, met een knipoog naar Harry Mulisch. “Maar het vervormen van de werkelijkheid is even belangrijk.” Zo staat in het boek een foto van een hondje. Maar dat blijkt niet háár hond te zijn.

Weijers is rad van tong. Soms zelfverzekerd, soms relativerend, haar woorden omlijstend met een klaterlachje. “Ik kan lang twijfelen. Maar op het juiste moment weet ik: nu moet ik doorgaan.”

Vijf jaar geleden debuteerde Weijers met De consequenties en werd ze verwelkomd als een uitbundig talent. Filosofie, kunst, het leven én een boel vragen over privacy propte Weijers in een prikkelende ideeënroman. Het boek leverde haar de Gouden Uil Publieksprijs en de Anton Wachterprijs op.

In haar tweede boek gooit ze het enigszins over een andere boeg. Kamers antikamers is geen logisch verhaal van A naar B, zelfs niet van C naar D. Intrigerende miniverhalen én vertellingen rijgen zich aan elkaar of bijten elkaar in de staart. Centraal staat een naamloze vrouw (niet toevallig een schrijfster die met haar eerste roman enig succes boekte) die regelmatig rondjes wandelt in een park met haar vriendin M. Ze verbreekt een relatie met een man en beleeft een heftige verliefdheid met een vrouw. Wéér zijn er consequenties: deze van de prangende keuzes die de vrouw al dan niet maakt.

Met uw debuut De consequenties stond u in 2014 meteen op de literaire kaart. Veel tijd nodig gehad om daarvan te bekomen?

Niña Weijers: “Ja, jeetje! Dat had ik helemaal niet kunnen voorzien. Ik was me ervan bewust dat er iets heel bijzonders gebeurde. Ik ging ervan uit: De consequenties is een nicheboek, dat zich voor een groot deel afspeelt in de kunstwereld. Het verraste me totaal hoeveel mensen daar toch een ingang in vonden. Dat was hartverwarmend. Het heeft me geleerd dat je lezers nooit mag onderschatten.

“Goed, ik zal nooit een Griet Op de Beeck-bestsel­lerstatus bereiken. Maar 35.000 exemplaren, dat was meer dan ik ooit had durven dromen.”

Zorgde dat voor extra druk bij dit tweede boek? Zoemden de stemmetjes van lezers en recensenten mee door uw hoofd aan de schrijf­tafel?

“Als schrijver wil je communiceren met de buitenwereld. Je moet dus niet zeuren over aandacht. Je moet kunnen verdragen dat de wereld iets terugzegt. Er zat vijf jaar tussen De consequenties en dit tweede boek. Ook omdat De consequenties veel nazorg verdiende: ik heb veel gereisd, lezingen gegeven, werkte als gastdocent en er kwamen vertalingen in het buitenland, tot in de Verenigde Staten toe. Het leven zelf denderde er dan ook nog doorheen. Dat kreeg vervolgens weer zijn plek in de tekst. Daarom is het een poreus boek.”

Wat bedoelt u daarmee?

“Ik heb de werkelijkheid directer laten binnensijpelen. Het zit allemaal dichter op mijn eigen huid. Maar het is zeker geen memoir. Het herscheppen, het vervormen en misbruiken van de werkelijkheid, daar draait het toch om bij literatuur?”

U benadrukte vooraf dat deze nieuwe roman beslist geen ‘De consequenties II’ mocht worden. Maar nu hebt u wel erg uw best gedaan om Kamers antikamers er niet op te laten lijken. Of vergissen we ons?

“Kijk, we zijn vijf jaar verder. Mijn leven is veranderd en de wereld… eh, die is nog véél radicaler veranderd. Ineens werd Donald Trump tot president verkozen en vroeg ik me af: kun je nog wel een kant-en-klaar verhaal gaan verzinnen met pasklare personages? Welk boek wil ik nu schrijven, in een wereld van male domination, wat dient zich aan? Dat nadenken kostte tijd. Toch ontstond Kamers antikamers vrij organisch. De consequenties is weliswaar een klassieker verhaal, maar ook in deze nieuwe roman zitten vragen rondom kunstenaars, het schrijfproces en, zo blijkt, mijn stokpaardje: verdwijnen en ontsnappen.”

Waarom blijft dat zo’n dwingend thema?

“Verdwijnen en ontsnappen, dat heeft natuurlijk te maken met je niet willen vastleggen. Je niet neerleggen bij een situatie zoals die is. En op zoek gaan naar een alternatief. Daar zit een grote levenskracht in én een bron voor mijn schrijven.”

Ik gok erop dat sommige lezers moeite zullen hebben om de vinger op dit boek te leggen. Kamers antikamers is minder toegankelijk dan De consequenties, je moet als het ware een schil afpellen.

“Ik vind het leuk om de lezer te verwarren. Het is zelfs een compliment. Ik vind het altijd heel jammer als ik een boek dichtsla en alles op slag duidelijk is. Zoals bij een thriller: de moordenaar is gevonden, de zaak is opgelost en that’s it. Ik wil de lezer aan het werk zetten. Tegelijk hoop ik dat er voldoende houvast is in de heldere taal en verteltrant die ik hanteer.”

Kamers antikamers schuilt inderdaad vol micro­verhalen die ergens in een los-vast verband met elkaar blijken te staan. Mogen we het een kleine encyclopedie van mogelijke levens noemen?

“Dat is mooi gezegd. Het zoeken naar een manier van leven én naar een manier om erover te schrijven gaan hier hand in hand. De vrouwelijke hoofdpersoon is erop gebrand alle mogelijkheden open te houden. Wanneer ligt alles definitief vast? Dat dilemma herken ik bij mezelf. En dat zorgt voor frictie. Bovendien valt over kalm en kabbelend geluk nauwelijks te schrijven.”

Mogen we het typische dertigersdilemma’s noemen?

“Wie weet ervaar je rond je dertigste dat keuzes minder vrijblijvend zijn dan toen je jonger was. Voor vrouwen begint vruchtbaarheid ineens een rol te spelen, bijna onvermijdelijk - ook al wil je daar misschien helemaal niet mee bezig zijn. Toch lijkt het me een achterhaald, beperkend idee dat je hele leven zich definitief zou vormen in dit decennium tussen je dertigste en je veertigste.”

Maar kijken dertigers fundamenteel anders naar de liefde? Voelt u zelf die kloof met andere generaties?

“Ik ben zelf nog maar net toegetreden tot het rijk der dertigers, dus veel weet ik er nog niet van. Hoe we naar liefde kijken is zeker niet uitsluitend per generatie in te delen – er spelen zoveel meer factoren. Ik voel me in mijn denken over liefde en relaties ook erg verbonden met sommige vrienden van vijftig of zestig jaar. Dan weer voel ik me vervreemd van sommige mededertigers.”

Dertigers groeiden vaak op in gescheiden gezinnen. Dat was ook bij u het geval.

“Het hoge aantal scheidingen legt natuurlijk wel bloot hoe relatief de huwelijksverbintenis is geworden. Aan de ene kant is er scepsis over die eeuwigdurende romantische liefde, anderzijds zie je ook een soort tegenreactie: jonge mensen die heel vroeg met elkaar gaan trouwen, een gezin beginnen – misschien juist om het ongelijk van hun progressieve, vrijpostige ouders te bewijzen. Een conservatief verlangen, met een monogame relatie als hoogste goed.”

Niña Weijers: ‘Een gezin beginnen kan ook een daad van verzet zijn.’ Beeld Simon Lenskens

In uw boek schikt u talloze relatievormen naast elkaar. De vrouwelijke hoofdpersoon maakt voortdurend metamorfoses door.

“Ja, want deze roman gaat over de instabiliteit van identiteit. Ben je altijd dezelfde? Of vormt een situatie je? Hoe hardnekkig hou je vast aan je principes? Of gooi je ze overboord als de situatie dat vergt?

“En dat merk je in haar verhoudingen. Eerst zit ze in een relatie met een man, dan gaat ze vreemd met een kunstenaar. Om later een relatie met een vrouw te krijgen. Toch is het dezelfde vrouw, met hetzelfde bewustzijn.”

Dicht op haar huid, zo zei Weijers in het begin van het gesprek. Het is dan logisch te denken aan haar eigen liefdesparcours, dat voorzichtig doordrong in boekenland en waarop ze wel eens alludeerde in haar columns in De Groene Amsterdammer.

Weijers was geruime tijd samen met Das Magazin-uitgever Daniël van der Meer. Daarna had ze een poos een relatie met schrijfster Saskia de Coster. ‘Ze was nog nooit met een vrouw geweest. Ja, ze had zoals alle min of meer heteroseksuele vrouwen die ze kende wel gezoend met vrouwen, maar verder dan dat was het niet gegaan’, staat er in de roman.

De passages over de turbulente relatie van het hoofdpersonage met een vrouw zijn op het scherp van de snee en behoren misschien wel tot de felste van het boek. Maar er zijn de woorden van journaliste Wilma de Rek, recent in de Volkskrant. ‘Nog niet eens zo lang geleden gold de vraag naar het autobiografische gehalte van een roman als onbetamelijk.’ Want nee, ‘de roman, altaar van dé verbeelding’ valt niet zomaar te reduceren ‘tot springplank vanwaar een stagedivende schrijver zijn diepste zelf het publiek insmijt.’ Ook Weijers weet dat – als literatuurwetenschapper – maar al te goed. “Als iets te herkenbaar wordt, dan maai ik de veronderstellingen daarna met plezier weer weg”, zegt ze. Al leest de goede verstaander de amoureuze verwikkelingen – versluierd – in de roman terug.

“Ja, tuurlijk heb ik dat materiaal wel gebruikt. Maar niet één op één en het is ook een spel met lezersverwachtingen: lang niet alles wat autobiografisch lijkt, ís dat ook daadwerkelijk. Al kan ik niet ontkennen dat mijn eigen leven een iets directere bron vormde dan bij mijn eerste boek. Maar voor de gemiddelde lezer maakt dat niet uit. En hóéft dat ook niet uit te maken.”

Hoe kies ging u daarmee om?

“Moeilijke vraag. Je bent er wel mee bezig. Toch is kiesheid de dood voor het schrijven. Je moet je schaamte afleggen en durven te spreken over wat gênant is. Schaamte speelt een aanzienlijke rol in dit boek. Voor mij is een roman een vrijplaats waarin ik me niet hoef te schamen. Maar het zijn geen afrekeningen. Eerder pogingen om iets te begrijpen, ergens een nieuwe vorm aan te geven.”

Hebt u hen beiden die fragmenten vooraf laten lezen?

“Jazeker. Want ik wil niet over mensen heen walsen. Of ze gebruiken en manipuleren. Ik vind integriteit erg belangrijk. Het is ook geen sleutel­roman.

“Maar het is natuurlijk wel een agressieve daad, zomaar met andermans leven aan de haal gaan. Soms ben ik hier hard, vind ik zelf. Terwijl ik in het echte leven vaak een halfzacht ei ben. Beide karaktertrekken zitten in mij verankerd; de zachtheid is niet minder waar dan de hardheid, ze vullen elkaar aan en botsen soms met elkaar.”

‘Verliefdheid en liefdesverdriet zie ik als belangrijke motoren van mijn schrijverschap. Ze horen zonder twijfel bij de meest oprechte, authentieke gevoelens die er bestaan’, zei u ooit in een dubbelinterview in deze krant, met Saskia de Coster nog wel.

“Toen waren we nog niet samen. (lacht) Maar ik sta nog altijd achter die woorden. In verliefd zijn of liefdesverdriet zit heel weinig ironie. Alles is doodernstig. Er zit een groot verlangen in mij om meegevoerd te worden. Dat botst met mijn even grote verlangen naar autonomie, om met rust gelaten te worden en me terug te trekken. Dat leidt tot conflicten. Logisch. Maar jezelf overgeven is ook heel mooi. Omdat je niet weet waar het toe leidt. Daarom heb ik nooit spijt in de liefde.”

Zelfs als het faliekant afloopt?

“Je moet onder ogen zien dat je brokken maakt, dat je af en toe een spoor van vernieling aanricht. Je doet mensen pijn onderweg. Daar moet je eerlijk over zijn. Het leven verloopt nu eenmaal niet volgens uitgetekende paadjes. Toch is de waarheid dat inzake de liefde mensen helemaal niet zo goed kunnen omgaan met al te veel vrijheid. En dat geldt uiteraard ook voor mij.”

Een ander belangrijk autobiografisch element is de rol van het Witsenhuis, de Amsterdamse kunstenaarswoning waar u sinds een paar jaar woont. Je voelt dat de plek het boek doorademt.

“Het Witsenhuis geeft me een afgrondelijke vrijheid om te creëren. Ik mag er vijf jaar wonen en heb zelden een groter cadeau gekregen, geweldig! Het pand was ooit eigendom van kunstenaar Willem Witsen en groeide uit tot een ontmoetingsplek van de Tachtigers. Willem Kloos kwam er op bezoek en Paul Verlaine logeerde er een paar dagen. Nescio heeft er zelfs een verhaal gesitueerd. Het is, kortom, helemaal beladen met verleden. En het is een raar, erg eclectisch ogend huis, met gekke inhammen en tussenverdiepingen. Als liefhebber van de gothic novel spreekt het zeer tot mijn verbeelding. De sfeer van de romans van Shirley Jackson en Flannery O’Connor hangt er bijna. Je verwacht er elk moment klopgeesten, vandaar dat spiritisme af en toe in mijn boek. Het idee van een verleden dat op de schouders drukt van een bewoner, vormde een goed uitgangspunt voor het boek, al verlamde het me wel een enkele keer.”

Hoe belandde u in dat huis? Via een schrijvers­beurs?

“Het is nagelaten door de weduwe van Witsen en bestemd voor kunstenaars die er maximaal vijf jaar kunnen wonen. Ik mag nu nog één jaar blijven. Het staat los van instituties en commissies. Als er een plek vrijkomt, gaat er een brief naar alle uitgevers en kun je als schrijver solliciteren. Je hoeft geen huur te betalen, enkel verbruikskosten. Dus ik woon nu in het onbetaalbare Amsterdam met een totaal verknipt beeld van wat een betaalbare woning is.” (schatert)

Het huis kijkt uit op het Oosterpark. Daar loopt u rondjes met vriendin M., die vlakbij woont en waarin we moeiteloos uw collega-schrijfster Maartje Wortel herkennen. U dook trouwens zelf op als N. in haar recente roman Dennie is een star.

“Ah, de tochtjes in het park met de hond. Die zorgen inderdaad voor een raamwerk, een soort cirkelvormige vertelstructuur. Mijn vriendschap met Maartje gaat op in een nieuwe werkelijkheid. Ik kom zogezegd terecht in haar boek en wordt er dan weer uitgesodemieterd. Mijn vrienden treffen wel vaker stukjes of aspecten van zichzelf in mijn boeken aan. Het is een prettig literair spel. De hond is dan weer een motief met heel veel symbolische dimensies: poortwachter van de onderwereld, mythologie, sterrenstelsels, enzovoort.”

U rekent ook fijntjes af met onze hang naar vooruitgang. ‘We zijn geobsedeerd door vooruitgang. We praten over dagen, uren, minuten, alsof het dingen zijn. Dingen die je kunt besteden, opdelen, winnen en vooral verliezen’, schrijft u.

“Ik heb dat zelf moeten vaststellen. Bij een klassieke carrière is het logisch dat je steeds hoger op de ladder klimt, meer gaat verdienen en hogere functies nastreeft. Bij het schrijven ligt dat heel anders. Het ene boek kan enorm meevallen – in de ontvangst, verkoop, verfilming... – en het volgende kan flink tegenvallen. Je beroep ondermijnt dat idee van vooruitgang.”

Mocht ik vilein zijn, dan zou ik zeggen: dit boek zit boordevol first world problems.

“Klopt, ik schrijf over een geprivilegieerd, hoogopgeleid milieu en over een schrijfster die over schrijven schrijft. Dat is nogal navelstaarderig, daar ben ik me van bewust. Maar die vaststelling mag je niet verlammen; je moet toch het boek schrijven dat je te schrijven hebt. Er zit wel degelijk commentaar in op de burgerlijkheid, op mensen die vastgeroest zitten in hun geest en in hun patronen. Burgerlijkheid zit minder in de vorm van een leven dan in de vorm van denken. Een gezin beginnen kan ook een daad van verzet zijn.”

Niña Weijers met haar onafscheidelijke Jérôme. ‘Je moet onder ogen zien dat je brokken maakt, dat je mensen onderweg pijn doet.’ Beeld Simon Lenskens

Er sijpelt wel veel angst door dit boek. Heel gewone angst, hypochondrische angst... Noem maar op.

“Jawel, er zit veel dreiging in. Al gaat het vaak om dreigingen die niet worden ‘ingelost’. Zoals orkanen waar we net niet inzitten, op Curaçao. Het vrouwelijke hoofdpersonage zoekt de dreiging soms op, ook bij mannen. Misschien wilde ik vooral een levensgevoel weergeven. We leven in het Westen met een toenemende dreiging waar we nauwelijks nog greep op hebben. De klimaatopwarming kunnen we nog even denkbeeldig op afstand houden. Het water staat ons nog nét niet aan de lippen. Dát gevoel wilde ik overbrengen. Zonder boodschapperigheid, want daar dient een roman niet voor.”

Mogen we Kamers antikamers lezen als een subtiel feministisch boek? Toch hanteert u niet altijd de fluwelen handschoen.

“Het is wel geschreven vanuit een soort feministisch bewustzijn, maar niet als fel activisme. Er worden ook vragen gesteld over machtsrelaties. Is een relatie tussen man en vrouw zoveel anders dan een tussen twee vrouwen? Er is het idee dat je verliefd wordt op een vrouw en daar bevrijding in vindt. Maar wanneer slaat je eigen bevrijding dan weer om in je eigen onderdrukking? Het zijn geen erg politiek correcte ideeën die ik daarover opvoer. (lacht) Soms is het nietsontziend, ja.”

Er zijn ook grappige passages waarin u het leesgedrag van de teergevoelige ‘sneeuw­vlokjes­generatie’ op de korrel neemt. ‘In plaats van hooggeëerd bezoek was literatuur een ongenode gast, die ze wel binnenlieten in hun huis maar schoorvoetend en alleen onder hun eigen voorwaarden: als de gast zich afwijkend gedroeg, werd hij berispt of op zijn minst fluisterend veroordeeld tijdens de afwas’, lezen we.

“Tijdens het lesgeven aan verschillende universiteiten viel het me op hoe snel jongere lezers tegenwoordig moraliseren over literaire teksten. Bijvoorbeeld een passage in een verhaal van Tsjechov over vreemdgaan. Dat vonden ze echt niet kunnen. Ze schakelen de personages gelijk met de schrijver of bekijken hen in termen van laakbaar, toelaatbaar of ontoelaatbaar gedrag. Terwijl een personage zo vrij mogelijk moet zijn!

“Toch merkte ik tijdens het schrijven van Kamers antikamers soms een opdringerig, politiek correct stemmetje: ‘Kan ik dit zo wel opschrijven?’ Als schrijver moet je je daarvan losweken. Anders verkramp je. Je mag jezelf niet censureren.”

U wordt voluit gerekend tot een nieuwe jonge vrouwelijke generatie Nederlandse auteurs, met bijvoorbeeld Nina Polak, Bregje Hofstede, Hanna Bervoets en Maartje Wortel. Koesteren jullie dat generatiegevoel of is er toch ook rivaliteit?

“Met een portie gezonde competitie is niets mis. Maar of we echt een generatie zijn? Er is wel een heel sterk gemeenschapsgevoel, zonder dat we elkaar voortdurend zien of afspreken. Maar we zitten amper in elkaars vaarwater, we schrijven andere boeken. Misschien zijn de verschillen toch groter dan de gelijkenissen. We hebben wel lak aan dat ouderwetse mannenidee van elkaar van een rotsje afduwen, met al die venijnige polemiekjes. Daar zit iets kinderachtigs in.”

Wordt het nu niet allemaal een tikje braaf in de Nederlandse literatuur, op een paar steekvlammetjes op Twitter en Facebook na?

“Alsof we alleen maar gezellig theekransjes houden. Nee, volgens mij zijn er gewoon meer attitudes mogelijk om schrijver te zijn. Dat valt niet meer in hokjes te proppen. En met braafheid heeft dat niets te maken. Is het niet evengoed belerend keurig om altijd weer te zeggen: ‘W.F. Hermans deed het zo. Daar moet je je aan houden?’ Die tijd is toch compleet voorbij?”

Hoe groot is de rol van uitgevers bij de literaire vervrouwelijking? Je ziet steeds meer vrouwen aan de top van uitgeverijen.

“Als je meer diversiteit in je fonds wilt, dan moet je ten eerste zorgen voor meer diversiteit op de werkvloer. Uitgeverijen zijn de poortwachters van de literatuur. We hebben lange tijd klakkeloos aangenomen dat mannelijkheid synoniem is met universeel. Ik merk nog altijd soms de neiging om mezelf tot de tweede sekse te rekenen of te denken dat het vrouwelijke ergens een afgeleide van is.”

Zelf ook ondervonden in de literaire wereld?

“Ik voel me tegenwoordig wel serieus genomen. Maar hoe achteloos werd je als schrijfster in de jaren 70 en 80 niet als ‘meisje’ weggezet? Ove­rigens is mijn debuut her en der ook nogal seksistisch besproken, door mannen die de opgeworpen ideeën al te makkelijk afdeden als ‘prietpraat’ en zelfs ‘Viva-filosofietjes’. Ik kreeg bijval van vrouwelijke collega-schrijvers. Die zeiden: ‘Oh, dat is bij ons allemáál wel eens gebeurd.’”

Niña Weijers, Kamers antikamers, Atlas/Contact, 240 p., 19,99 euro.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met De Morgen?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van De Morgen rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234