Zondag 27/09/2020

ReportageReizen

Drielandenpunt: tureluurs in smokkelgebied

Voor velen van ons wordt het deze zomer een vakantie niet ver van huis. Wij trekken negen weken lang naar allerlei dichtbij-plekken, op zoek naar verrassende ontmoetingen, openhartige mensen en veelzeggende verhalen. Vandaag: Rudi Rotthier verlegt grenzen aan het Drielandenpunt.Beeld Thomas Sweertvaegher

Het Drielandenpunt zelf ruikt naar poffertjes en pils, maar de rust van de bossen loert er zo om de hoek. Rudi Rotthier, die verzot is op grenspalen, wandelt in de geschiedenis van België, Nederland en Duitsland, en treft er naast illegale praktijken ook Jezus aan.

Het is misschien onvertogen om het meteen toe te geven, maar het enige wat me enigszins tegenstaat aan het Drielandenpunt is het Drielandenpunt.

Ik onthoud ervan dat er poffertjes te koop zijn, dat de net heropende Boudewijntoren – de uitkijktoren aan de Belgische kant van de grens – gesponsord wordt door Nederlandse pils, en dat je desgewenst kunt verdwalen in een labyrint. Het Drielandenpunt is te mijden in tijden van vakantie en genadige weersomstandigheden.

Het interessantste eraan is nog de aftocht naar het Nederlandse stadje Vaals. Je kunt je vergapen aan parels zwetende, de hel bijeen vloekende wielerliefhebbers die zich in de andere richting de helling op hijsen, naar het hoogste punt van Nederland: 322,5 meter hoog.

Ze zuigen zich vast in het achterwiel van een beter getrainde gezel, ze schakelen naar een lager verzet, ademen sneller, kleuren roder, tot ze eindelijk de top bereiken, hun adem terugvinden en poseren bij de drie grenspalen die dat hoogtepunt markeren.

Enkele meters verderop wordt de echte grens aangeduid met behulp van slechts één steen. En nog even verder, ten hoogste een kilometer verderop, wandel je zonder veel extra inspanning naar gebied dat merkbaar hoger ligt dan het hoogste punt van Nederland, eerst in België en vervolgens in Duitsland. Het toont de relativiteit van grenzen en klimprestaties, in een gebied waar grenzen en palen hun sporen hebben achtergelaten.

Behalve op de zeldzame dagen dat vakantie en prachtig weer volksmassa’s op de been brengen, beland je in luttele minuten van de drukte van het Drielandenpunt in de rust, over grenspaden die kilometers ver door glooiend bosgebied snijden. Vele wandelingen zijn slecht aangeduid, wat de wandelaars nog meer verspreidt over het terrein.

Op de vele wandelpaden raakte Rudi Rotthier, hobbelend van land naar land, verknocht aan het gebied.Beeld Thomas Sweertvaegher

Op die wandelpaden raakte ik verknocht aan het gebied. Je hobbelt van land naar land, en tijdens sommige wandelingen is je provider zo tureluurs dat de smartphone niet eens nog aangeeft dat je in veelvoud grenzen overschrijdt. Aan Belgische kant kom je in gehuchten als Sippenaeken, Völkerich of Gemmenich. Belgischer kan het bijna niet. Officieel behoren ze tot Franstalig België, maar je wordt even vaak in het Duits of het Nederlands aangesproken.

Puike koffie

Gemmenich, dat aan het Drielandenpunt paalt, toont de essentie van België: een kruisbeeld, enkele Belgische vlaggen, een frituur, een bakkerij-patisserie met op een hete dag meer vliegen dan rozijnen, en een café waar fietsers zich welgezind moed indrinken, terwijl een van hen met water dat voor dorstige honden is bestemd de picklesvlekken uit zijn truitje wast.

Zoals aan het Drielandenpunt wordt aangegeven: dit was ooit ideaal smokkelgebied. De grenzen waren poreus, en in tijden van oorlog of andere onzekerheid waren er pientere hoofden die wisten te berekenen aan welke kant van de grens je beterkoop ‘puike koffie’ of ongefilterde sigaretten, gezouten boter of zelf gestookte sterkedrank kon vinden. Men combineerde hier vindingrijk en vroom, sluiks en nationalistisch. Wat als illegaal werd beschouwd, hing er maar vanaf wie je wist te betrappen. En vaak was er weinig controle.

Dit is gebied met een veelheid aan grenzen. En met nog meer grenspalen, die elk afzonderlijk getuigen van het belang dat iemand in de loop van een lange geschiedenis aan een deel van het gebied heeft gegeven.

Beeld grafiek dm

Van het Drielandenpunt vertrekkend, kom je aan de ene kant gauw aan een forse Belgisch-Nederlandse grenspaal, paal nummer 2, als verschillend van nummer 1 die op het hoogste punt van Nederland is neergepoot. Zo’n gietijzeren paal weegt blijkbaar 372 kilo en is sinds 1843 in het landschap gecementeerd. Je komt die palen op de meest onverwachte plekken tegen, verdoken of open.

Er zijn aan de Belgisch-Nederlandse grens ook tussenpalen, kleiner, in verhouding bijna verwaarloosbaar klein, en in steen. Aan de zuidelijke kant van het Drielandenpunt is de oogst aan grensmarkeringen nog groter. Niet alleen zijn er palen die aangeven waar 100 jaar lang het semi-onafhankelijke Neutraal Moresnet lag (tegenwoordig Kelmis, en niet te verwarren met Belgisch Moresnet), er zijn ook aarden wallen en beukgrenzen met adelaarspalen die het Aachener Reich – de stadstaat Aken – moesten aflijnen van de buitenwereld.

Soms wordt een grens aangeduid met behulp van één steen.Beeld Thomas Sweertvaegher

Daarnaast zijn er palen die niet wijzen op een landsgrens, maar die het bos van de hertog (van Limburg, eerder van Bourgondië) moesten beschermen tegen het plebs. Sommige van die laatste palen hebben als opschrift ‘Preuse’, wat in het lokale dialect ‘grens’ betekent en dus niets te maken heeft met de Pruisen, die het nabije Aken in 1816 in de schoot geworpen kregen.

Als op palen verzotte wandelaar kun je urenlang zoeken naar originele exemplaren, al dan niet verscholen onder struiken, al dan niet verplaatst en naar een voortuintje verplant.

Tijdens dat zoekwerk overschrijd je ongetwijfeld ook nog een Belgische taalgrens – een grens tussen Franstalig en Duitstalig België.

Al die palen en grenzen wijzen op geschiedenis, waarvan onlangs het wedervaren van Neutraal Moresnet het meest in de aandacht kwam. Dat betwiste stukje grond, 343 hectaren groot, met initieel 250 inwoners, werd na de val van Napoleon aan niemand toegewezen – niet aan Pruisen, niet aan Nederland die beide de zinkmijn in het gebied wilden inlijven. Zink uit de mijn van Neutraal Moresnet was de grondstof geweest voor het reizende, blijkbaar comfortabele bad van de verslagen Franse keizer. Zink werd ook gebruikt bij de productie van kanonballen en was in die zin van strategisch belang. Zink zou in de volgende decennia gebruikt worden om de daken van Parijs te bekleden en een kransje rijken een heel stuk rijker maken.

Versier de huizen!

Nederland, later België, en Pruisen, later Duitsland, werden het nooit eens over het gebied, dat een voorbeeld werd van stommelingse autonomie en internationaal onvermogen. Pas ruim honderd jaar later, na een volgende oorlog en de Vrede van Versailles in 1919, werd het gebied aan België toegekend. Tussendoor werd deze spie grond een paradijsje voor de lui die met het bedrijf Vieille Montagne en de mijn zo goed als belastingvrij hun centen verdienden, maar ook voor oude bewoners en nieuwe inwijkelingen die dachten dat de neutraliteit gekoppeld aan weinig wetten en minder toezicht mogelijkheden bood.

De brug van Moresnet, bijna 1.200 meter lang, is een kolos die boven weilanden, bossen en het riviertje de Geul torent. Maar echt veel treinen zie je er niet meer passeren.Beeld Thomas Sweertvaegher

Vieille Montagne betaalde voor een kerk en een school, maar daarnaast floreerden illegale handeltjes, tijdelijke goktenten en prostitutie. Er ontstond ook een plan – mede uitgedokterd door de arts van de mijn, Wilhelm Molly – om de taal van de vrede, het Esperanto, tot de officiële taal te maken, en Neutraal Moresnet, hoe klein ook, tot het centrum van de nieuwe, kunstmatige wereldtaal te maken, de uitvalsbasis van de wereldvrede.

Dat plan, en eigenlijk het Esperanto zelf, struikelde nog voor de Eerste Wereldoorlog begon. Die oorlog maakte aanspraken op wereldvrede door middel van een taal stukken minder aannemelijk. Het lag hem niet aan de taal dat vele miljoenen zouden sterven.

In het museum van Kelmis, in een gebouw dat vroeger aan Vieille Montagne toebehoorde, en dat het museum deelt met een Total-benzinestation, is de sectie over het einde van Neutraal Moresnet het meest aangrijpend. Het verzet van de plaatselijke bevolking tegen het opheffen van de speciale status was aanwezig, en werd samengevat in de slogan: ‘Belgique peut-être, Prusse jamais, Neutre toujours’.

Het mocht niet zijn. Een Duitstalige affiche in het museum wijst erop dat de bewoners niet veel keuze gelaten werd. ‘Bewoners van Neutraal Moresnet! Versier de huizen! Hang de vlaggen uit! De vrede is getekend. Hiermee is het lot van het neutrale gebied bezegeld! Neutraal Moresnet is van de landkaart verdwenen! België, dat ons in moeilijke tijd voor honger behoedde, zal ons vaderland zijn!’

De bewoners werden via dezelfde affiche opgeroepen om hun vreugde te tonen tijdens een die avond geplande bijeenkomst en daar de Belgische hymne te zingen. Men wilde van de bewoners snel Belgische patriotten maken.

En dat lukte. De twijfel rond ‘Belgique peut-être’ ebde weg.

In de Ratskeller vind je tegenwoordig de recentste versie van de stamboom van de koninklijke familie, naast afbeeldingen van alle levende en aflijvige vorsten. De waard leerde ooit in de jeugdbeweging nog Esperanto, maar dat zit intussen ver: “Nederlands, Frans, Duits, Engels – dat volstaat”, zegt hij, in accentloos Nederlands, terwijl een bandje muziek speelt naar aanleiding van de nationale feestdag. Aan het politiebureau kun je je vergapen aan een beeltenis van Leopold III, toch niet de meest vereeuwigde of geliefde van de Belgische koningen.

In Belgisch Moresnet gaat pater Ignas de mis voor: ‘Na de viering bieden we de mensen Kaffee und Kuchen aan, omdat we hen zien als onze gasten.’Beeld Thomas Sweertvaegher

Bij oudere mensen, zegt Céline Ruess, directrice van het museum, is de evidente fierheid over Neutraal Moresnet dikwijls vermengd met enige gêne. Het was speciaal, het was beloftevol, de fabriek van Vieille Montagne en de zinkmijn deden de economie draaien, maar het was ook altijd goor, met in 1894, volgens David Van Reybrouck in zijn boekje Zink (2016) zestig cafés, ‘een op elke vijftig inwoners, en er kwamen er elk jaar nieuwe bij’.

In 1908, schrijft dan weer Philip Dröge in het boek Moresnet (ook uit 2016), vaardigden de autoriteiten van Neutraal Moresnet regels uit die de prostitutie aan banden moeten leggen: ‘Personen die bekendstaan als losbandig’ mochten niet langer ingezet worden ‘ter vermaak van klanten’. Het allermerkwaardigste verbod was wel: ‘Wie een vrouw in de bediening heeft werken, mag tegelijkertijd geen platenspeler aan hebben staan’. Die regel was blijkbaar bedoeld om dansen of strippen te voorkomen.

Er mocht hoogstens één vrouw in een café werken.

1908 was ook het jaar dat het Centrale Bureau van het Esperanto had toegezegd om naar Neutraal Moresnet te verhuizen. Het zou er nooit van komen.

De geschiedenis van de Drielandenstreek beperkt zich niet tot Neutraal Moresnet. Verre van. Binnen wandelafstand werd Karel de Grote in het jaar 800 in Aken tot keizer van het Roomse Rijk gekroond. Aken bleef lange tijd een plaats waar hoofden gekroond werden.

Ruim 1.000 jaar na de kroning van Karel, in 1850, richtte Paul Julius Reuter in datzelfde Aken een persbureau op dat met behulp van postduiven snel het financiële nieuws uit Brussel en Parijs in Aken kreeg. Reuter startte zo het archetype van het persbureau, dat nog altijd grote delen van de pers mee stoffeert. Een jaar later konden de duiven gaan rusten – de ­telegraaflijn verving hen.

De ouders van de Franse componist César Franck ontmoetten elkaar in het grensgebied, de vader was afkomstig uit het nu Belgische Gemmenich, de moeder uit Aken.

In 1916-17 bouwden Duitsers wat tot nu een van de langste en meest indrukwekkende spoorwegbruggen van België is – de brug van Moresnet, bijna 1.200 meter lang, een kolos die boven weilanden, bossen en het riviertje de Geul torent. De Duitsers bouwden ze om het front gemakkelijker te kunnen bevoorraden. Tegenwoordig mag je al blij zijn als je een trein ziet passeren – het traject is voorbehouden aan vrachtvervoer.

De kruisweg in Belgisch Moresnet is een bijkomend attractiepunt voor de bedevaarders. ‘Ik vind het de mooiste die ik ken, mooier dan die in Lourdes’, zegt zuster Catharina.Beeld Thomas Sweertvaegher

In een ander deel van Moresnet (Belgisch Moresnet, als verschillend van Neutraal Moresnet), een paar steenworpen van de brug, vind je een bedevaarts­oord, waar optimistisch geschat iets meer pelgrims passeren dan treinen over de brug. In eerste instantie, in de late jaren 1740, was er volgens de overlevering een aardbeving in het gebied, en een devoot plaatselijk jongetje, Peter Arnold, werd tijdens de beving of kort erna getroffen door een epilepsieaanval. De aanvallen volgden elkaar op, hij liet een Mariabeeld uit Aken, over de grens, meebrengen, plaatste het aan een eik, bad en genas.

Er werden, nog altijd volgens de overlevering, enkele veeziekten door gebed genezen, en gaandeweg ontstond een Mariabidplaats, een bedevaartsoord. Goed 125 jaar later, tijdens de Kulturkampf, werden franciscanen en andere kloosteroorden in Duitsland onteigend. Een deel van de franciscanen trok de grens over en vestigde een gemeenschap op de plaats waar het beeld stond. In de vroege 20ste eeuw bouwden ze een kruisweg, wat een bijkomend attractiepunt werd voor bedevaarten.

Het is, moet ik zeggen, een speciale plek. Idealiter ben je verdwaald over de vele wandelpaden en beland je ongewild en liefst in de regen aan de verlaten grotten van de calvaire, die veel groter is dan gemiddeld, met veertien staties, met forse beelden en teksten waarvan ik vergeten was dat ze deel uitmaakten van de kruisweg: ‘Zijn graf zal heerlijk zijn’.

Bij de inrichting lieten de franciscanen 64.000 planten uit Marseille aanvoeren. Een deel overleefde, wat het exotische, licht surrealistische karakter nog versterkt. Wie de kruisweg maar niets vindt, kan nog altijd terecht in Café au Calvaire, of in het café tegenover de Mariakapel.

Koeien en ringslangen

Er komen elke woensdag pelgrims te voet uit Aken – via de Bittweg is dat acht kilometer ver. Het is een traditie die al ruim 160 jaar wordt aangehouden.

De franciscanen zijn vertrokken en sinds vijf jaar is de geestelijke leiding in handen van de Gemeenschap van de Gekruisigde en Verrezen Liefde, die in Maastricht is opgericht.

Moresnet is Franstalig, op goed honderd meter van de Frans-Duitse taalgrens. De bezoekers zijn voornamelijk Duits. De geestelijke zorg is nu in Nederlandse handen. Dat maakt dit bedevaartsoord tot ­typisch voor het drielandengebied.

De populariteit is teruggelopen, geeft pater Ignas toe. “Als je de getuigen hoort van vijftig jaar geleden, dan stonden hier veertig bussen in de straat. Die tijden zijn voorbij. Op dit moment is er een vaste groep van bedevaarders die elk jaar terugkomen.”

De Wilhelminatoren in Vaals biedt een weids uitzicht op Zuid-Limburg en Duitsland.Beeld Thomas Sweertvaegher

Hij hoopt op een opleving. “Onlangs zijn we ontdekt door busmaatschappijen, die mensen iets anders willen bieden dan alleen maar de normale toeristische attracties. Na het bezoek of na het vieren van de mis ontvangen we de mensen graag nog met Kaffee und Kuchen, omdat we hen zien als onze gasten. We doen dit om in contact te komen met hen, en een deur te openen naar het geloof.”

Zuster Catharina: “We vertellen bij de koffie over ons en over het bedevaartsoord. We willen de mensen laten delen in ons geloof, en het vuur van ons geloof overbrengen.”

Vuur is er genoeg. Catharina prijst de kruisweg aan: “Ik vind het de mooiste die ik ken, mooier dan die in Lourdes. In het algemeen ontmoet je de Heer, of Maria, in de rust.”

Rust is er volop.

Een deel van de kapelmuur is vrijgemaakt om nieuwe tafeltjes met dankbetuigingen aan Maria te kunnen aanbrengen.

“In februari is er nog een gehangen”, zegt pater Ignas. “Een tweede is onderweg. Over een derde wordt gesproken. Ook nu helpt Maria nog.”

De bedevaartplek ligt op de route naar Compostella. Ignas: “We zijn een stempelpost. We hopen ooit vier kamers te maken, waarin pelgrims die onderweg zijn naar Santiago kunnen overnachten.”

De pater fotografeert de plantjes die opduiken en die in Moresnet helemaal niet thuishoren. “Het laatste was het elfenblad. Dat is een klein plantje dat alleen aangeplant voorkomt, maar dat hier spontaan verschijnt. Waarschijnlijk door vogels meegebracht. Ik zag onlangs ook trilgras, dat hier normaal ook niet voorkomt.”

Dan is het Nederlandse Vaals een heel ander en veel drukker oord. Ik negeer het aanbod van Luikse wafels, maar ben geïntrigeerd als de bakkerin Belgische rijsttaart in de aanbieding heeft. Wat is het verschil met Nederlandse rijsttaart? Dat zit hem in het gebruik van eigeel, legt ze uit, “maar maak je geen zorgen. Dit is een Duitse bakkerij, de eigenaars zijn Duits, alles wat je koopt is Duits”. Ik besluit dan maar strudel te bestellen – als het toch Duits is.

In gebied waar de contacten veelvuldig zijn, blijven er verschillen tussen de landen. Al was het maar inzake mondmaskers: heel aanwezig aan de Duitse kant, iets minder aan de Belgische, en veel minder aan de Nederlandse. Andere aspecten lopen dan weer parallel: in de drie landen, maar allicht het meest in Nederland, hangen stickers en affiches die de sluiting eisen van de kwakkelende Belgische kerncentrales in Tihange en Doel. Als het in Tihange misloopt, is dit drielandengebied, vlak bij de Maas, mede de pineut. Ongeveer om het jaar is er in Aken of Vaals een manifestatie tegen de door scheurtjes geplaagde Belgische centrales.

Waarom loop ik hier graag rond? Het zijn de palen. Het zijn de bossen. De weidelandschappen. De jonge koe die losbreekt en het verkeer blokkeert. De schaarse ringslang die weet te ontkomen net voor ze door een mountainbiker in twee stukken zou worden gereten. Maar het zijn vooral de grenspalen.

In het museum van Kelmis had de directrice erover geklaagd hoe snel dingen verdwijnen. Een foto uit 1950 toont nog een mijnlandschap met een grote zone van weggevreten ondergrond. Tegenwoordig is er niets meer van die uitgravingen te merken. Alles is begroeid en ogenschijnlijk hersteld.

Deze palen helpen je niet langer om je geluk te ontvluchten of je hachje te redden. Het zijn palen van teloorgegane aspiraties, van toekomstdromen die zodanig zijn vervaagd dat ze nog maar moeilijk te reconstrueren zijn, van verboden die zijn opgeheven.Beeld Thomas Sweertvaegher

De palen bieden iets langer weerstand. En er zijn er zo veel dat je uiteindelijk onbestemde, ongemarkeerde palen, die misschien niets te betekenen hebben, toch anders bekijkt.

Er zijn grenzen die levens kosten, die dromen doen ontstaan – zoals de grens tussen de Verenigde Staten en Mexico, of de zuidelijke buitengrens van de EU, de grens tussen Rwanda en Congo, waarbij het er duidelijk toe doet aan welke kant je je bevindt en of je van de ene naar de andere kant kunt geraken.

De grenzen aan het Drielandenpunt zijn niet van dat type, of niet langer van dat type, zelfs niet in tijden van corona. Ze zijn op zich eerder van het irrelevante type. Het maakt niet uit aan welke kant je belandt. Deze palen helpen je niet langer om je geluk te ontvluchten of je hachje te redden. Het zijn palen van teloorgegane aspiraties, van toekomstdromen die zodanig zijn vervaagd dat ze nog maar moeilijk te reconstrueren zijn, van verboden die zijn opgeheven.

Je kunt er het jouwe van denken, ze zijn ongevaarlijk geworden. Tenzij voor wie snel gaat en niet uit zijn doppen kijkt.

Maar ze staan er nog. Soms is dat genoeg.

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234