Zondag 07/06/2020

De wei, de wereld

Dranouter dag drie: Sint-Bernardus zag dat het goed was

Gregory Porter.Beeld Bas Bogaerts

Op de derde dag van Dranouter mocht het allemaal wat kleinschaliger. Het festival is zijn wortels nog niet vergeten, en in de straten rondom het terrein schitterde de couleur locale feller dan ooit. Maar Gregory Porter en een uitstekende Daniel Norgren zorgden ook op de laatste dag voor internationale uitstraling.

“In Flanders’ fields the poppies blow”, lezen we op een bordje op weg naar het terrein van Dranouter. Doorgaans is het oorlogsverleden de grootste toeristische trekpleister in deze contreien – de 79 Britse soldaten die op het kerkhof op het Planciusplein liggen begraven, zijn er de stille getuigen van.

Maar het eerste weekend van augustus wordt Dranouter, een dorpje van dik 700 inwoners, overspoel door zo’n 45.000 andere toeristen: muziekfans. De lokale bevolking laat het niet aan haar hart komen, integendeel: terwijl de uitbaters van de plaatselijke slagerij barbecueworsten braden, wordt de Sint-Jan-de-Doper-kerk drie dagen lang een festivalpodium en zet Café Central zijn tuin open voor akoestische optredens. (De opbrengst daarvan gaat naar Muziekbank, een instelling die muzikanten helpt die geen eigen instrument kunnen betalen.)

Dat is niet toevallig: sinds 2015 is Festival Dranouter terug naar de dorpskern getrokken, om de couleur locale van het festival te benadrukken. Terwijl op het terrein zelf grote namen als Doe Maar en Bazart staan, heerst in de aangrenzende straten een soort braderiesfeer. Je kunt je hoofd niet draaien of je ziet ergens wel een fanfare paraderen, en het Sint Bernardus-streekbier vloeit hier rijkelijk.

Hoogdag voor de accordeon

Het lijkt dan ook niet toevallig dat De Dolfijntjes, met West-Vlaamse grootheden Wim Opbrouck en Wim Willaert als ceremoniemeesters, het feestje in de Kayam-tent mochten afsluiten, met sfeervolle accordeonmuziek. De trekzak vierde hoogtij – Dranouter keerde terug naar de folk-roots, zeg maar – want ook de Zweedse singer-songwriter Daniel Norgren () begon zijn set op de accordeon. ‘Everything You Know Melts Away You Like Snow’ begon sober en koel, en de Scandinavische sfeer waarde doorheen het nummer.

De temperatuur ging prompt nog een paar graden naar beneden in een beklijvend, emotioneel ‘Like There Was a Door’, met Norgren ditmaal achter de piano. “Today’s been cold”, zong hij, tegen de waarheid in, maar hij leek het verdomme te menen: de songs van deze langharige Zweed laten zich in de eerste plaats kenmerken door oprechtheid, en zijn concerten ook.

Daniel Norgren.Beeld Bas Bogaerts

Daarna mochten de temperatuur en het tempo de hoogte in: Norgren greep een bluesgitaar en ontpopte zich tot een southern rocker, wat gezien zijn voorkomen – een afgedragen truckerspetje, een volle baard en ongekamde haren – nogal toepasselijk leek. Het repetitieve ‘Moonshine Got Me’ verveelde geen moment en deed wat aan de psychedelica van The Doors denken, zeker omdat Norgren in de drie (!) gitaarsolo’s de Robby Krieger in zichzelf naar boven haalde.

Volgden nog: ‘Why May I Not Go Out and Climb the Trees?’, dat van Seasick Steve had kunnen zijn, ware het niet dat Norgren zijn melodie nooit uit het oog verliest; ‘Black Vultures’, dat ons meenam op een trip naar een saloon, ergens in Nashville, Tennessee; en ‘Whatever Turns You On’, de afsluiter die als een orkaan-met-ritmegevoel over de wei denderde. De set van Norgren, die opkwam voor een quasi-lege tent maar voor een volle wei afsloot, was perfect voor dit Dranouter: authentiek, met wortels in de folk en de blik op bredere genres gericht.

Niet voor één gat te vangen

Voor we naar Norgren afzakten, hebben we de wortels van Dranouter nog zien dansen, op de eclectische songs van Bukahara (★★★☆) - een Duits viertal dat in de brochure wordt omschreven als “vroege Mumford & Sons”. Nu vinden wij dat geen aansporing om te gaan kijken, maar af en toe moet een mens zijn instinct op de tweede plaats zetten en afgaan op de sfeer. Die wás er in de anders verstilde club, waar het publiek doorgaans braaf op de bankjes blijft zitten, maar nu al snel stond te swingen voor het podium.

Bleek dat die Duitsers niet voor één gat te vangen zijn: op het halfuurtje dat we meepikten, hoorden we het type bluegrass dat we kennen vanop de soundtrack van O Brother, Where Art Thou? en funky contrabas-ritmes die ons deden vermoeden dat de verantwoordelijke ooit les heeft gekregen van Red Hot Chili Peppers-slapper Flea, maar evengoed ontwaarden we klassieke vioolpartijtjes à la Mozart en exotische ritmes die uit het Midden-Oosten geïmporteerd leken. Het was soms een rommeltje, maar het swingde wel.

Had misschien een klein tikkeltje meer mogen swingen: Gregory Porter (★★★☆☆). De Amerikaanse zanger-met-vreemde-muts brengt sfeervolle jazz op bigbandformaat, maar kon de Kayam maar half vullen. Die helft was duidelijk speciaal voor hem gekomen, want het kostte niet veel moeite om hen te overtuigen. “Thank you for the vibe and the energy”, benadrukte hij de weide meteen uitbundig nadat hij opener ‘Holding On’ – de song waarvoor hij zijn stem uitleende aan dance-duo Disclosure – had afgerond.

Bijwijlen wist Porter, in driedelig pak, die vibes en die energie ook terug te geven, vooral wanneer de druk wat werd opgevoerd. ‘Don’t Lose Your Steam’ dreef het tempo voor het eerst de hoogte in, en het daaropvolgende ‘Liquid Street’ begon nog voorzichtig, maar barstte al gauw open tot een full blown gospelsong, waarin Porter zelfs een wedstrijdje ritmisch handgeklap organiseerde. Ook ‘Musical Genocide’, een ode aan voorbeelden als Sam Cooke, Curtis Mayfield en Stevie Wonder, mocht lekker swingen – al vonden we de basmedley die als intro dienst deed, en waaruit we onder andere ‘Another One Bites the Dust’ (Queen), ‘Give it Away’ (Red Hot Chili Peppers) en ‘Seven Nation Army’ (The White Stripes) herkenden, nogal overbodig.

Wanneer het tempo naar beneden ging, zakte ook de spankracht van het concert in. Jammer, want ‘Take Me to the Alley’, de titelsong van zijn laatste plaats, verdiende een schoonheidsprijs, en bisnummer ‘No Love Dying’ zou een waardige tegenstander zijn in zo’n beauty contest. Alleen tijdens ‘Water Under Bridges’ ging Porter, wiens warme stem nochtans nooit één noot mist, vol de mist in: het Disney-gehalte van dat nummer ligt nu eenmaal te hoog.

Toch was dit een waardige headliner voor deze Dranouter-editie: voor een festival dat wil inzetten op ‘nieuwe tradities’ is de jazzy gospel van Gregory Porter een perfect fit, een lekker mooie uitboller voor drie dagen waarin we van indierock over folk naar pop zijn gedanst, en weer terug. Volgend jaar opnieuw? Of, om het met de onsterfelijke, West-Vlaamse woorden van Dolfijntje Wim Opbrouck te zeggen: kereke were?

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met De Morgen?

Tip hier onze journalisten


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234