Vrijdag 18/10/2019

Dour doet het weer: vier hoogtepunten van dag één

Dour. Beeld Alex Vanhee

Op de camping van het Dour Festival is vrijdagmiddag een 25-jarige Fransman overleden.  Een stevige valse noot voor de 26ste editie van het Waalse alternatieve muziekfestival, dat op dag één nochtans geen gebrek aan troeven had: veel zon, nog meer volk en een resem topbands uit het alternatieve circuit. De Morgen liep heen en weer tussen zonovergoten podia en bloedhete tenten en noteerde vier topmomenten.

1) De elektronische soul van S O H N en Chet Faker
Ooit al gedanst op een (overwonnen) identiteitscrisis? Het kon op Dour bij S O H N, het alter ego van de Londenaar Toph Taylor, die naar Wenen uitweek omdat hij in zijn thuisland dreigde vast te lopen in zijn eigen leven, met rammelende relaties en mislukte muziekprojecten. In de Oostenrijkse hoofdstad vond hij zichzelf opnieuw uit én kreeg hij weer schik in muziek maken. De sleutel bleek: niet weglopen van je verdriet, maar ermee aan de slag gaan.

Dat leidde tot de prachtplaat Tremors, die op Dour bijna integraal passeerde, en waarop weemoed en weerbaarheid elkaar de hand reiken in songs die soul met elektronica combineren op de wijze van James Blake. Hoogtepunten: 'Bloodflows', 'Lights' en 'The Wheel', waarbij je danste op de opwindende beats én tegelijk een krop in de keel wegslikte om zoveel mooie melancholie in de hoge stem van Taylor.

Opvallend hoe de tent zelfs het heerlijk haperende introotje van 'The Wheel' meezong. Aan het eind van zijn set stond Toph Taylor, die de hele tijd met een kap op zijn hoofd achter zijn synths had gezeten, voor het eerst rechtop, zichtbaar aangedaan door de ruimhartige respons van de meer dan behoorlijk gevulde tent. De verloren S O H N is terecht, en wordt binnen korte tijd vast een grote meneer.

Ook van elektrocrooner Chet Faker mogen we nog wat verwachten: nu al was de Dance Hall veel te klein voor deze Australiër, die met zijn volle baard, veel te grote T-shirt en baseballpetje wel erg hoog scoorde op de hipstermeter. Aan het 'Doureuh'-geschreeuw te horen hoopten de vele zwetende kerels in ontbloot bovenlijf op een daverend dancefestijn, maar zij waren duidelijk verkeerd gebrieft. Chet Faker bouwde zijn songs wel op met elektronische beats en bassen, maar voerde het tempo nooit heel hoog op. Toptrack 'Gold' en 'No Diggity' (de Blackstreet-cover die van hem een tijdlang de hipste naam in de blogosfeer maakte) waren eerder slow jams, die de temperatuur in de Dance Hall opvoerden van 'broeierig' tot 'bloedheet'.

Opeengepakt als sardienen in een sauna zong het publiek alle songs mee die Faker croonde, van de slaapkamersoul van 'To Me' tot het weergaloze 'Talk Is Cheap'. Jammer voor de opgefokte bro's die de tent ontvlucht waren, op zoek naar een feestje, want hun mooie meisjes stonden intussen vooraan te smelten voor Faker. Ze dansten zwoel met hun heupen en vouwden hun handen van vertedering samen terwijl Faker op de monitors kwam zitten en zijn ziel blootlegde.

Ja, Faker is zo'n smoothe kerel die, met een droevige blik en smachtende stem, je lief inpalmt waar je bij staat. Kom op 11 november, wanneer hij in de Botanique speelt, niet zeggen dat we je niet hebben gewaarschuwd. Als hij dan in Brussel nog een beter evenwicht vindt tussen songs die hij solo brengt vanachter zijn uitgebouwde laptop en de nummers waarbij een drummer en een gitarist hem komen versterken, dan wordt hij helemaal onweerstaanbaar.

SOHN. Beeld Alex Vanhee
Beeld Alex Vanhee

2) Het voorschot op de nacht van Mount Kimbie en Darkside
Dour is een festival met twee gezichten: een dag- en een nachtversie. Overdag hoor je pop, rock, hiphop, metal, reggae en alle mogelijke combinaties daarvan, vanaf middernacht overheersen de breaks, de beats en de bassen van techno, dubstep of drum-'n'-bass.

Met Mount Kimbie en Darkside had Dour dit jaar twee bands geprogrammeerd die het perfecte scharnier vormden tussen die twee kanten van het festival. Twee keer puilde La Petite Maison Dans La Prairie dan ook uit voor deze bands die beide met één been in het clubwereldje staan en met het andere in het reguliere concertcircuit. De twee combineren ook klassieke rockinstrumenten als drum en gitaar met allerlei elektronische apparatuur, en spelen bovendien alles live. Nog een overeenkomst? Zowel Mount Kimbie als Darkside vertrekken op het podium van de songs op hun platen, maar verbouwen die volgens de ingevingen van het moment.

Daarbij toonde het Britse duo knoppendraaiers van Mount Kimbie zich het grilligst: waar Darkside één lange trip serveerde, zwoer Mount Kimbie bij aparte songs. Binnen het bestek van één nummer kon er véél gebeuren. Zo slingerden 'Blood and Form', 'Made to Stray' of 'Break Well' heen en weer tussen postrock à la Tortoise, The Cure-achtige new wave, techno op z'n Richie Hawtins en zelfs Bowie in zijn Berlijnse periode. Spannende en knappe excursies dus, alleen jammer dat de band zijn jams telkens weer liet uitdoven, zodat je je nooit helemaal onderdompelen in zijn klankenbad.

Niet dat het publiek daar mee zat, overigens: dat juichte wanneer het een baslijntje herkende en ging door het dak wanneer er een schuif beats werd opengetrokken. Zeker in de laatste tien minuten, toen breakbeats, gitaarnoise, haperende dubstep en knispertechno over elkaar heen schoven tot één grote geluidsorgie, kreeg je al een voorsmaakje van de wilde feestnacht die in de diverse Dour-tenten zou volgen.

Terwijl de nacht over het festivalterrein viel, ondernam Darkside (de band van wonderproducer Nicolaas Jaar en multi-instrumentalist Dave Harrington) een omgekeerde expeditie. Hun psychedelische trip vertrok vanuit de duisternis en klom gestaag naar het licht - ook letterlijk, met een lichtshow die in een uur tijd tergend langzaam evolueerde van aardedonker naar verblindend. Hun geluid was minder springerig en schizofreen dan Mount Kimbie, maar zorgde voor een zachte en doeltreffende roes. 'Freak, Go Home' en 'Golden Arrow' dreven op warme orgelklanken, bluesy gitaartjes en organisch klinkende beats. Slechts af en toe herkende je de albumversie, wanneer het duo een motiefje oppikte en een paar keer herhaalde om het dan weer te laten opgaan in het totaalgeluid.

Net toen de set een beetje dreigde in te zakken door al te verre omzwervingen, klom een meisje in een van de masten van de tent om vandaar minutenlang de tent op te jutten. Tegelijk zwollen de beats weer aan, en was er nog maar één mogelijkheid: je compleet overgeven aan deze aangename koortsdroom.

Kortom: Mount Kimbie en Darkside namen allebei een voorschot op de dansnacht die Dour aan het eind van elke festivaldag weer ingaat, en Darkside deed daar het grootste voordeel mee. Het duo speelt zaterdag 16 augustus op Pukkelpop. Zorg maar dat je erbij bent.

Beeld Alex Vanhee

3) De felle frontmannen van Son Lux en Future Islands
Ach, indiebandjes. Ze hebben dikwijls goeie songs en een lekker geluid, maar al te vaak staan ze op het podium met een houding van 'sorry, maar zouden we hier misschien een paar liedjes mogen spelen?' Niet zo bij Son Lux en Future Islands. Hun sound verschilt nogal, maar ze hebben allebei wel een frontman met présence, zo'n type dat het publiek ervan kan overtuigen dat je naar zijn groepje móét luisteren. En wel nu.

"Pull out your heart", zong Son Lux-frontman Ryan Lott in het Duyster-hitje 'Easy' met zijn hoge, wat hese stem, terwijl hij ter hoogte van zijn hart aan zijn T-shirt trok. In 'Alternate World' zette Lott zijn zang kracht bij door dramatisch met zijn handen te wapperen, terwijl zijn drummer sputterend en haperend trommelde, alsof hij bij een mathrockband ingelijfd was, en de expressieve gitarist zich midden in een jazzoptreden waande. Botsende stijlen, jazeker, maar ze klonken wonderlijk goed samen, net zoals in 'Ransom', dat kitscherige trancesynthesizers lijmde aan ontsporende gitaren (door een wel erg enthousiast op en neer springende Rafiq Bhatia) en donderdrums van Ian Chang, die soms zo scheef achter zijn kit zat als Stephen Hawking in zijn rolstoel.

Son Lux-brein Ryan Lott wisselde intussen af tussen twee houdingen: nu eens voluit zingend met de handen Jezus-gewijs breed uitgespreid en dan weer gebogen over zijn synths om de orkestrale arrangementen van 'All the Right Things' en 'Plan the Escape' te laten weerklinken. Dat alle blazers en strijkers uit een machine kwamen, bleek meteen het enige minpunt aan dit concert van Son Lux, volgende woensdag overigens nog te zien op Boomtown in Gent. Laat Ryan Lott gauw eens optreden met een heus orkest: hij heeft er de bravoure voor.

Qua podiumattitude moest Lott het wel afleggen tegen Samuel T. Herring, de zanger-brulboei-springveer van Future Islands. Nochtans zou je het hem niet nageven als je hem op straat tegen het gespierde lijf liep: veel kans dat je op foto's van Herring stuit als je 'normcore' intikt bij Google Afbeeldingen, zo ontstellend amodieus en antiglamoureus ziet hij eruit. Hij is het type dat je deze zomer langs de kust ziet lopen in zo'n strakke zwemslip en met witte sokken in zijn sandalen.

Maar wat een podiumbeest is die man! Voortdurend doet hij bijtrekpasjes links en rechts, richt hij zijn linkerhand en zijn blik naar de hemel alsof daar Het Licht ziet, en beukt hij vanuit hurkzit met zijn bekken alsof hij - nu ja, je ziet het plaatje wel. Intussen miste hij geen halve noot van synthpopnummers als 'Sun in the Morning' en 'A Dream of You and Me', ook niet als hij zijn knieën hoog in de lucht zwierde of op zijn borst ramde, zodat het zweet uit zijn zwarte longsleeve in het rond spatte. Zelfs voor een handkus in slowmotion schaamde Herring zich niet. Hij spiegelt zich dan ook aan Elvis en James Brown, echte frontmannen die - zeker in hun jonge jaren - zongen en dansten alsof hun leven ervan afhing, en zich er geen moer van aantrokken dat ze zich belachelijk zouden maken.

Zoveel onvoorwaardelijke overgave werkte aanstekelijk. Bij de melancholische popparels 'Seasons Waiting on You' en 'Spirit' zagen we hoe heel wat Dour-gangers zich waagden aan bijtrekpasjes of hun innerlijke Elvis ontdekten. Jammer wel dat de muziek er een beetje bij inschoot: op bovenvermelde vier prijsbeesten na kwam Future Islands veeleer eenvormig voor de dag. Neem de présence van Herring en diens indrukwekkende stem (nu eens helder gekwinkeleer, dan weer onheilspellend gebrom) weg en er blijft vrij banale elektropop over zoals in 'Doves' en 'A Song for Our Grandfathers'. We zijn er nog niet helemaal uit of Future Islands nu een gimmick is of een aanwinst in de alternatieve popscene. Uitsluitsel volgt op 30 oktober, wanneer Herring en co. in de Botanique spelen.

Son Lux Beeld Alex Vanhee
Future Islands. Beeld Alex Vanhee

4) De frenetieke Franse rock van Détroit
Los van het metalpodium Cannibal Stage lijkt rockmuziek er op Dour elk jaar een beetje bekaaider af te komen ten voordele van hiphop, reggae/dub en - vooral - dance in alle vormen en maten. Niet onlogisch: jaar na jaar zagen we hoe gitaargerichte bands als Kyuss Lives!, Dinosaur Jr. of Franz Ferdinand aankeken tegen een amper half gevulde wei voor The Last Arena, het hoofdpodium van Dour. Niet zo bij Détroit, de band rond Betrand Cantat (naargelang de bron de Franse Nick Cave of Jim Morisson) die behoorlijk wat volk op de been bracht.

Cantat is dan ook een grootheid in de Franse rock, en dat viel meteen op door de professionele podiumopstelling, met een uitgebreide lichtshow en projecties die aangepast waren aan elke song. Maar vooral merkte je het aan de massaal meegebrulde frenetieke rocksongs 'Lazy' en 'Le Fleuve', door Cantat geleend bij zijn vorige band, Noir Désir, die eerder drie keer op Dour speelde en in de Franstalige wereld een status heeft die vergelijkbaar is met die van dEUS bij ons.

De innig mooie ballad 'Le Vent Nous Portera', ook al van Noir Désir, groeide uit tot een heuse hymne en vormde een prachtige soundtrack bij de langzaam naar avondrood verkleurende hemel. Voelden we daar kippenvel van ontroering over onze rug rollen, of was het toch een avondbriesje dat eindelijk voor wat verkoeling zorgde?

Wie overigens de woordcombinatie 'Franse rock' associeert met een tenenkrullend Franglais en holle pathetiek - niet altijd onterecht - was bij Détroit aan het foute adres. Niet alleen zong Cantat de helft van de songs in accentloos Engels, hij zocht zijn inspiratie ook eerder bij Neil Young and Crazy Horse dan bij pakweg Johnny Halliday. Wanneer hij dan toch aanleunde bij de Franse traditie, zoals in het dubby 'Sa majesté', dan klonk hij als de in geen hokje te plaatsen Serge Gainsbourg.

Het allermooist waren de grofkorrelige, naar Calexico zwemende nummers 'Ma Muse' en 'Droit Dans Le Soleil', americana à la française waarin het plots leek alsof er woestijnzand in onze ogen kwam gewaaid. In de laatstgenoemde song zong Cantat over de duisternis die hij altijd met zich meedraagt, en die hij probeert te bestrijden door in de zon te kijken. Het waren tekstregels die extra zeggingskracht kregen voor wie het verleden van Cantat kent: hij zat van 2003 tot 2007 in de cel voor de moord op zijn toenmalige vriendin, en zijn ex-vrouw pleegde een paar jaar later zelfmoord in het huis waar Cantat op dat moment lag te slapen.

Op Dour toonde hij zich echter vastberaden om die donkere dagen achter zich te laten, zonder ze evenwel onder de mat te vegen. Zou het toeval zijn dat tijdens 'Null and Void' beelden te zien waren van de letterlijk failliete Amerikaanse stad Detroit (zie ook de groepsnaam), waar in het verlaten en kaalgeslagen centrum intussen allerlei nieuwe samenlevingsvormen en kunstenaarsinitiatieven opbloeien?

Detroit Beeld Alex Vanhee
Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met De Morgen?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van De Morgen rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234