Dinsdag 17/09/2019

Interview

Dichteres Delphine Lecompte: ‘Het is heerlijk wroeten in mijn ziekelijkheid’

Delphine Lecompte: ‘Mijn nonkel Samuel uit de Kongostraat misbruikt me in een van mijn gedichten. Dat worden weer moeilijke familiefeesten.’ Beeld Thomas Sweertvaegher

Haar poëzie gaat over pijn en waanzin, geschreven in een roes van drank en drugs. Toch is Delphine Lecompte (41) vandaag een succesvolle dichter. Weldra verschijnt haar nieuwe bundel Vrolijke verwoesting. ‘Ik ben ongelukkig omdat mijn ziel mismaakt is.’

Nog voor ik kan aanbellen staat ze al in de deur­opening van het krap bemeten arbeidershuisje in Sint-Gillis, Brugge. Op het ronde tafeltje tussen de sofa en de stoel heeft ze koffie klaargezet voor mij en een fles witte Vermouth voor haar, die ze preventief al heeft aangebroken. Ze lacht verlegen.

Ze ziet er fris en monter uit. “Gisteren nochtans een zwaar feestje gehad met vrienden”, zegt ze. “En daarna op straat nog wiet gerookt met een vriendelijke zwarte man.”

BIO * geboren in 1978 • kleindochter van de roemruchte dokter Herman Le Compte (1929-2008) • kon haar opleiding tolk Frans-Russisch niet afmaken omdat ze in de psychiatrie belandde • debuteerde in 2004 met de Engelstalige roman Kittens in the Boiler • kreeg in 2010 de C. Buddingh’-prijs voor haar eerste dichtbundel De dieren in mij • de beste gedichten uit haar zes latere bundels werden in 2018 samengebracht in The Best of Delphine Lecompte • werd in 2019 bekend bij een breder publiek door haar opgemerkte passages op de literaire tournee Saint Amour • op 5 oktober verschijnt haar nieuwe bundel Vrolijke verwoesting bij De Bezige Bij • woont en werkt in Brugge

Rookt u vaak wiet?

Delphine Lecompte: “Nee, vrijwel nooit. Het is zwaar spul tegenwoordig. Ik ben er eens een week psychotisch van geweest. (lachje) Maar ik kan moeilijk nee zeggen tegen vriendelijke zwarte mannen. Hij bood het mij aan. Ik dacht dat ik die mens er een plezier mee deed.”

Uw drankgebruik hebt u de jongste jaren al uitgebreid toegelicht, maar…

“Het probleem is dat het zulke goede gedichten oplevert. Niet tijdens de dronkenschap, maar tijdens de kater erna, wanneer ik zit te klappertanden achter mijn schrijftafel. De alcohol helpt mij enorm sterke beelden op te roepen. En dat blijft duren, voorlopig toch, het wordt niet minder.”

U moet het gebruik niet opvoeren, of steeds sterker spul drinken?

“In april en mei van dit jaar heb ik beduidend minder gedronken. Omdat ik inzag dat het stilaan problematisch werd – ik werd ook dermate angstig van de drank dat het niet meer prettig was. Maar dat was niet de oplossing. Ik voelde mij toen echt vreugdeloos. Ik schreef nog wel, maar meer op wilskracht dan uit noodzaak, en een plezier was het al helemaal niet.”

Denkt u er soms aan dat u zich zou kunnen dood­drinken?

“Dat niet, maar het syndroom van Korsakov (hersenbeschadiging ten gevolge van langdurig overmatig drankgebruik, red.) is wel een schrikbeeld, ja. (aarzelt) Ik beeld me altijd in dat mijn gedichten geniaal zijn wanneer ik in zo’n drankzuchtige periode zit. Schrijven, dat is in mijn geval een combinatie van zelfoverschatting, grootheidswaanzin en dronkenschap.”

En de drugs?

“Drugs, dat klinkt heel rock-’n-roll, maar bij mij is het vooral Xanax, een kalmeermiddel en een angst­remmer die ik ook wel recreatief durf te gebruiken. In combinatie met alcohol is het heel krachtig: één plus één is dan drie! Na een halfuur komt de roes, al duurt die maar heel kort. Heath Ledger zat ook aan de Xanax. (De acteur stierf in 2008 aan een overdosis van opiaten en zogeheten benzodiazepinen, waaronder Xanax, red.)”

Maar ook dat stimuleert de poëzie?

(giechelt) “Hihi, ja. Vandaag toch alweer twee gedichten geschreven. Gisteren drie.”

En het is amper middag. Staat u vroeg op?

“Vandaag was het vijf uur. Ik was pas thuis van het feestje, eigenlijk. In de ochtend ben ik het productiefst. Rond twaalf uur slaat de ontmoediging toe. Na de middag lees ik, als ik nog nuchter ben.”

Drinkt u ook terwijl u schrijft?

“Nee, dat is niet nodig want meestal zit er nog genoeg alcohol in mijn bloed. In maart heb ik het wel gedaan. Toen was ik vijf dagen writer in residence in Watou. Vreselijk, echt vreselijk. Alles was daar gesloten. Er was geen drank, geen tv, er was niets. Ik was wanhopig, kwaad en agressief. Ik dacht dat ik gek werd. Gelukkig was Omer erbij. (Haar 85-jarige buurman, vriend en minnaar die ze in haar gedichten opvoert als ‘De oude kruisboogschutter’, red.) Ik heb hem gesmeekt om naar de Aldi van Passendale te rijden en drank te halen voor mij.

Wat hij prompt gedaan heeft, omdat hij zag dat ik compleet ontredderd was. Dat was een dieptepunt. Daarna heb ik beslist om mijn drankgebruik wat terug te schroeven.”

Als u ergens writer in residence bent, doet u dan hetzelfde als thuis?

(lacht) “Ja, in wezen wel. Schrijven en drinken. Wat moet ik anders? Nu, in Watou was ook een tuin. Voor de honden was dat fijn.”

Het zou de titel kunnen zijn van een gedicht van u: ‘Voor de honden was het fijn’.

“Ik heb twee honden: Zora en Bernard. Zora heeft in Watou een witte sierkip aangevallen en half gemolesteerd. Haar ene vleugel hing wat scheef. Ik hoop dat ze het overleefd heeft.”

Uw gedichten doen me meer aan donkere, lyrische, verhalende rock­songs denken dan aan gedichten...

“Vroeger zette ik muziek op als ik schreef, maar nu kan ik dat niet meer verdragen. Waarschijnlijk omdat er al zoveel prikkels en kwelgeesten bij me binnenkomen dat ik het er niet meer bij kan hebben.”

... aan de bezweringen en de duivel­uitdrijvingen van de jonge Nick Cave, bijvoorbeeld.

“Dat beschouw ik als een compliment. Nick Cave is al heel lang heel aanwezig in mijn leven. Vroege platen zoals From Her to Eternity of Your Funeral... My Trial: zalig. Maar ook zijn Murder Ballads is belangrijk geweest voor mijn dichterschap.

“En dankzij Cave heb ik trouwens de dichter John Berryman ontdekt. The Dream Songs: schitterende bundel! Berryman was ook drankzuchtig en heeft ook in een gekkenhuis verbleven, net zoals ik. Hij heeft uiteindelijk zelfmoord gepleegd.”

Lou Reed?

“Ja! Een van mijn beste vrienden maakte onlangs ook die vergelijking. Ik ken zijn werk heel goed. Mijn favorieten van hem zijn ‘The Gift’ en ‘Sad Song’, en eigenlijk alles van het album Berlin.”

Wat stond er op de soundtrack van uw jeugd?

“Ik herinner mij een cassette van The Beatles, met onder meer ‘The Fool on the Hill’ erop. Dat was de muziek van mijn grootouders. Mijn vader hield heel erg van Georges Brassens, de Franse troubadour. En allebei mijn ouders waren verzot op Bob Dylan. Dat was een groot geschenk, natuurlijk. Slow Train Coming was mijn lievelingsplaat toen ik jong was.”

Dat is een van Dylans religieuze platen.

“Ja, maar ik ben dan ook op het kinderachtige af godsdienstig.”

Delphine Lecompte: ‘Schrijven, dat is in mijn geval een combinatie van zelfoverschatting, grootheidswaanzin en dronkenschap.’ Beeld Thomas Sweertvaegher

U lijkt op reviaanse wijze te koketteren met religie.

“Mm, het is echt wel iets waar ik troost uit put, hoor. Onlangs kwam ik nog eens in een mooie kerk, jammer genoeg voor een begrafenis, en ik ervoer andermaal hoe mooi en hoe rustgevend de katholieke liturgie is. Ik hou ook erg veel van religieuze kunst.”

Fra Angelico ben ik tegengekomen in een van uw gedichten: een topper in het genre.

“Prachtig! Ik heb dat werk voor het eerst gezien in een verfilming van The Talented Mr. Ripley van Patricia Highsmith, met Alain Delon als Ripley (‘Plein Soleil’ uit 1960, red.) Wow. Ik wist niet waar eerst te kijken, naar Fra Angelico of naar Alain Delon.”

Hebt u de Fra Angelico’s in het San Marco-klooster in Firenze gezien, de fresco’s in de cellen?

“Nee, ik reis in mijn hoofd en via het internet. Noodgedwongen. Ik ben een zeer angstig mens, verre verplaatsingen maken is schier onmogelijk. Zelfs als ik naar Nederland moet voor een lezing, laat ik mij voeren door Omer of door een vriendin, anders geraak ik er niet. We hebben hier in Brugge natuurlijk wel het Groeninge­museum, waar ik mij kan laven aan het beste van de Vlaamse primitieven.”

Gaat u daar vaak naartoe?

“Ja, bijna elke week. Mijn favoriet is uiteraard de Madonna met kanunnik Joris van der Paele van Jan van Eyck.”

Zou u willen dat u het kon: reizen, dingen zien?

“Nee. Het is zoals het is. Google-afbeeldingen volstaan voor mij.”

Van proza­schrijvers verwachten we weidse perspectieven, grote werelden, uitgesponnen verhalen, beweging, actie, zodat we kunnen meereizen in tijd en ruimte. Van dichters accepteren we dat ze thuisblijven, hun mentale binnentuin harken en in hun ziel peuteren. Is de poëzie daarom een godsgeschenk voor u?

“Ja natuurlijk. Voor mij is het heerlijk wroeten in mijn ziekelijkheid.”

Uw wereld moet zo klein en zo veilig mogelijk zijn?

“Er is een verschil tussen mijn leefwereld en de wereld van mijn gedichten. Ik betwijfel of die laatste wel zo veilig is. Er komt veel geweld voor in mijn poëzie. En seks, blasfemie, exhibitionisme. Naar mijn gevoel schuw ik de risico’s allerminst. En klein zijn mijn gedichten al helemaal niet – het zijn geen karige versjes, hè. Integendeel: ze zijn heel barok en overdadig. Het gaat over mezelf, akkoord, maar dan wel maximaal uitvergroot.

(denkt na) “Ik ben op dit moment de drukproef van de nieuwe bundel aan het nalezen. Plompverloren kom ik dan mijn nonkel Samuel tegen die in de Kongo­straat woont en die mij misbruikt in een gedicht. Dat is in werkelijkheid nooit gebeurd, voor alle duidelijkheid. Maar ik heb wel een nonkel die Samuel heet en in de Kongo­straat heeft gewoond. Dat worden weer moeilijke familiefeesten.”

U kunt de naam alsnog veranderen.

“Maar Samuel is zo’n mooie naam! En mijn goede vriendin Bernadette, wat moet die straks van mij denken? Haar naam heb ik gegeven aan een personage dat misantropisch en anti­pathiek is.” (giert het uit)

Gebeurt dat vaker, dat u schrikt van uw eigen werk?

“Soms wel, ja. Ik schrijf ook zo veel. Tegen de tijd dat de nieuwe bundel verschijnt, heb ik makkelijk weer honderd nieuwe gedichten klaar. En Vrolijke verwoesting is een zeer wrede, gewelddadige bundel geworden, merk ik nu. Maar ook een sterke. Ik heb de afgelopen drie jaar elke dag geschreven, dat heeft vruchten afgeworpen.”

Geeft het voldoening?

‘Ja. Al is mijn eerste reactie wanneer ik een drukproef doorneem altijd: bah, die gedichten zijn slecht, ik moet ze allemaal vervangen door nieuwe. En dan komen de kleine kwellingen. Zo had ik het ergens over een ‘waterkomkommer’. Maar dat is een onbestaande groente, ik bedoelde natuurlijk een ‘zeekomkommer’. Ik heb hem vervangen door een ‘heremietkreeft’. Veel mooier. Over zulke dingen zit ik dan ’s nachts, in al mijn radeloosheid, mails te sturen naar mijn redacteur. Het moet voor De Bezige Bij echt geen geschenk zijn om mij in hun fonds te hebben.”

Stuurt u die gedichten gebundeld en geordend naar uw uitgever, of een na een, meteen nadat u ze geschreven hebt?

“Neenee, gebundeld. Voor Vrolijke verwoesting bestond de eerste lading uit 120 gedichten. En dan heb ik er nog een hoop nagestuurd. In totaal zijn het er 138 geworden. De uiteindelijke selectie is goed, en ook mooi opgedeeld. Het eerste deel gaat integraal over ‘De bedeesde zeep­zieder’, het personage op wie ik hopeloos verliefd ben. De Nederlandse literaire wereld weet ondertussen over wie dat gaat: Jeroen van Kan, tot voor kort de presentator van VPRO Boeken.

“Ik blijf maar gedichten over hem schrijven. En ik blijf maar pijn lijden en naar hem smachten, ondanks het feit dat het een onmogelijke liefde is. Hij is namelijk van de herenliefde. Maar ik ben hoogmoedig genoeg om te denken dat als ik een gedicht over hem schrijf dat werkelijk geniaal is, hij wel overstag móét gaan en zich zal bekeren tot mij. Hij is mijn voornaamste motivatie om te blijven schrijven.”

Is dat echt zo? Of oogst u met ‘De bedeesde zeep­zieder’ zoveel bijval in de literaire inner circle dat u er maar een vaste gimmick van gemaakt hebt?

(verlegen lachje) “Ja, misschien wel een beetje. Mijn verbeelding vult het personage in, dat is zeker zo, want ik ken hem helemaal niet zo goed. Hij is mijn aarts­engel Rafaël, mijn genezer. Maar de eerste maanden was die verliefdheid echt, hoor. Een gruwelijke ervaring, trouwens: huilen, niet meer slapen, niet meer eten, over de vloer kronkelen van ellende, alles erop en eraan. Het is heel zwaar geweest. Dat ik de Zeepzieder-gedichten heb kunnen voordragen op de laatste editie van Saint Amour, en dat ze zowel door mijn collega’s als door het publiek werden gewaardeerd, was zeker een pleister op de wonde.”

Delphine Lecompte: ‘Mijn eerste reactie wanneer ik een drukproef doorneem: bah, die gedichten zijn slecht. En dan komen de kleine kwellingen.’ Beeld Thomas Sweertvaegher

Zorgt dat succes, en de lof die u wordt toegezwaaid door eminente collega-dichters en schrijvers, ook voor een ontluikend geluks­gevoel?

“Ik ga niet vals bescheiden zijn. Ja, mijn boeken verkopen beter dan de doorsnee poëziebundel. Ja, ik word gerecenseerd en geïnterviewd, en ik ben zeer dankbaar voor de liefde en de erkenning die ik krijg. Onverwacht, onverhoopt. Maar toch is het netto resultaat: meer pijn, meer angst, meer afzien. Ik ben heel onzeker en er is nu iets dat weer kan wegvallen, begrijp je? Ik ben bang dat het me weer afgenomen zal worden. En daarnaast is er het besef dat het toch nooit genoeg zal zijn, dat de leegte en de pijn die ik voel nooit zullen overgaan.”

Legt u zich daarbij neer?

“Ik ben altijd openhartig geweest over mijn wanhoop. En ik beschrijf hem ook graag en uitgebreid in mijn gedichten. Maar geloof me, het is geen koketterie. Soms, váák, ben ik zo droevig dat ik er een einde aan wil maken, dat ik nog het liefst van een hoge klif zou springen.”

U geeft wel de indruk dat u hebt geleerd te spotten met uzelf, geleerd te relativeren. Er speelt altijd een glimlach om uw lippen.

“Schrijven biedt vast en zeker soelaas. En ook optreden en spreken over mijn werk ervaar ik de jongste tijd als een bevrijding. Ik sta soms te glunderen achter mijn pupiter als er gelachen wordt in het publiek. ‘O zalig, de mensen houden van mij.’ Tuurlijk doet dat deugd. Maar… het is zo vluchtig. De volgende dag schiet er niks van over. De Australische dichter Les Murray heeft daar een mooi gedicht over geschreven: ‘Performance’. Zelfs al was de avond een triomf, de volgende ochtend ben je weer ontroostbaar.”

Is Brugge een troostende, veilige plek?

“Ja. Mijn vrienden wonen om de hoek. Ik ken hier veel mensen…”

Aan uw spotlust is de stad tot nog toe ontsnapt. Een ‘kort­ademige koetsier’ of een ‘koddige kantklosser’ ben ik in uw gedichten nog niet tegengekomen.

“Wat neerbuigend doen over het Openluchtmuseum Brugge? Nee, dat vind ik te gemakkelijk. Sint-Gillis, waar ik woon, is een volkswijk. Hier kom je zelfs geen verdwaalde toerist tegen. Ik zou het ook ondankbaar vinden van mezelf. (lacht) Maar dit gezegd zijnde: ze moeten mij niet vragen om stadsdichter te worden!”

Volgt u het werk van de andere Nederlandstalige dichters op de voet?

“Nee, ik haat ze allemaal! (lacht hard) Grapje. Volgen is veel gezegd, maar ik weet wel ongeveer wat er speelt. Peter Verhelst woont hier vlakbij. Aangename man, goede dichter. Charlotte Van den Broeck vind ik fantastisch… (denkt na) Ik kan ze toch niet allemaal opnoemen, hè? Ik hou ook van gedichten die helemaal anders zijn dan de mijne. Ik lees nu bijvoorbeeld Hans Faverey. Geweldig, kan ik intens van genieten. En Tom Lanoye heeft me nu ook in de armen gesloten. In een interview noemde hij mijn gedichten ‘fenomenaal’ en ‘overrompelend’. Ik was verbijsterd! We hebben ondertussen al een paar keer samen opgetreden, onder meer op Gedichtendag. Fantastische man. Ik heb hem natuurlijk meteen op de hoogte gebracht van mijn verliefdheid…”

Op hem ook al?

“Nee, op Jeroen van Kan!”

Voelt u zich in het gezelschap van uw schrijvende collega’s ook onzeker?

“Steeds minder. En ik heb ook steeds meer zelfvertrouwen op het podium. Omdat ik daar altijd kan terugvallen op mijn gedichten. De kwaliteit van mijn poëzie, dat is eigenlijk het enige waar ik niet aan twijfel. Er blijft wel een zekere verlegenheid en aarzeling, mijn motoriek is nog wat, euh, ongecontroleerd, maar ik kan niet door de mand vallen, begrijp je? Ik denk dat de mensen ook wel voelen dat ik die gedichten bén.”

Tommy Wieringa heeft dat mooi uitgedrukt in zijn column in NRC Handelsblad: ‘Delphine kán alleen maar de waarheid spreken. Die is al vroeg in haar gebrand.’

“Tommy is een schat. We zijn bevriend geraakt tijdens de Saint Amour-tournee. Dat is haast een wonder, want er is niemand die minder op mij lijkt dan hij. Tommy is zorgzaam, keurig en sportief. Toen hij mij voor het eerst zag, moet hij gedacht hebben: ‘Wat smijten ze hier binnen, zo’n raar West-Vlaams scharminkel!’ Maar eens we met elkaar over onze moeders begonnen te praten, was de vriendschap snel beklonken. Zijn moeder was ook iemand die altijd wegliep, die op reis ging met haar minnaars en er niet was voor haar kinderen.

“Ik heb hem werkelijk alles verteld wat ik heb meegemaakt; ik voelde dat ik hem kon vertrouwen. Hij is er heel delicaat en fijngevoelig mee omgegaan. Hij begrijpt dat de beschadiging er is, maar dat daar ook mooie gedichten uit voortkomen…

(slikt) “Soms stuurt hij me foto’s van zijn kinderen. Om me op te beuren. Hij weet dat ik het vaak moeilijk heb. En hij maakt zich ernstige zorgen over mijn drankzucht. Hij geeft me goede raad. Hij zou willen dat ik beter voor mezelf zorg. Hij is echt bekommerd om mij. Ik ben ervan overtuigd dat onze vriendschap voor het leven is.”

Als een echte vriend u goede raad en gezond­heids­tips geeft, moet u die dan niet in dank aanvaarden en ernaar proberen te handelen?

“Daar wringt het schoentje, natuurlijk. Ik jen hem dan een beetje door een foto terug te sturen van de fles Vermouth die ik soldaat aan het maken ben. Dat moet behoorlijk frustrerend zijn voor hem. Hij is de nobelste man die ik ken.”

En een razend goede schrijver.

“Dat weet ik niet. Ik durf zijn boeken niet te lezen.”

Ga weg! Is dat zo?

“Zijn moederboek heb ik wel gelezen. (‘Dit is mijn moeder’, red.) En de andere ga ik sowieso ook lezen. Ik heb ze allemaal gekregen, gesigneerd. Wacht, ik lees een opdracht die hij speciaal voor mij heeft geschreven: ‘Voor Delphine, naar wie ik negen dagen geluisterd heb, in bewondering en afgrijzen, en in vriendschap ten slotte. Tommy’. Haha, mooi hè?”

Moet een schrijver een buitengewoon leven leiden om buitengewone dingen te kunnen schrijven?

“Helemaal niet. Ik heb als bejaardenverzorgster gewerkt en rekken gevuld in de supermarkt. In die periode schreef ik ook gedichten, voor en na de uren. Het een heeft gewoon niets met het ander te maken. Omer, mijn Oude Kruisboogschutter, zegt soms: ‘Delphine, jij hebt toch niets aan jouw leven? Het enige wat je doet is gedichten schrijven en de hondjes uitlaten.’ Noemt hij net de enige twee dingen waar ik wél iets aan heb in mijn leven.”

Vrolijke verwoesting komt op 5 oktober uit bij De Bezige Bij.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met De Morgen?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van De Morgen rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234