Zaterdag 23/10/2021

InterviewBoeken

Dichteres Charlotte Van den Broeck: ‘We behandelen de natuur alsof het een decor voor de mens is’

Charlotte van den Broeck: 'Mijn schrijfproces is dit keer veel milder verlopen. Ik moest mezelf minder bewijzen.'  Beeld © Stefaan Temmerman
Charlotte van den Broeck: 'Mijn schrijfproces is dit keer veel milder verlopen. Ik moest mezelf minder bewijzen.'Beeld © Stefaan Temmerman

In de nieuwe dichtbundel Aarduitwrijvingen exploreert Charlotte Van den Broeck (30) thema’s als vrouwelijkheid, erotiek én klimaat. ‘Het is geen expliciet activistisch werk, maar behandelt wel feministische thema’s.’

‘Bedachtzaam.’ Mocht het woord nog een pleitbezorger nodig hebben, dan kan het altijd ten huize Charlotte Van den Broeck aankloppen. De dichteres legt haar woorden bij voorkeur op een petrischaaltje én roept zichzelf regelmatig verbaal tot de orde. Maar elke zin die ze met haar fluisterzachte, fragiele stem uiteindelijk de wereld instuurt, bevat een hoog soortelijk gewicht.

Na het grote succes van haar essaybundel Waagstukken – waarin ze dertien tragisch geeïndigde architecten nareisde – beleefde Van den Broeck zowaar een internationale doorbraak. Wanneer ik haar spreek, bij haar thuis in Borgerhout, is ze net terug van een ‘Lesereise’ door Duitsland. En de koffers staan al klaar voor de volgende interviewtrip richting Berlijn. Van den Broeck is hot in Duitsland, en ook de Engelse vertaling lonkt.

Toch laat ze zich allerminst het hoofd op hol brengen. Na Waagstukken keerde ze terug naar haar lievelingsbezigheid: beitelen aan een dichtregel, beeld voor beeld. Tussen ons in ligt de drukproef van Aarduitwrijvingen, haar derde dichtbundel na het met de Herman de Coninckprijs bekroonde Kameleon (2015) en Nachtroer (2017, Paul Snoekprijs). Met zintuiglijke taalweelde verbindt ze er vrouwelijkheid en natuur met elkaar, maar verwacht geen zweverigheid. Van den Broeck roert heikele, actuele thema’s aan, zelfs via schildpaddenseks. “Dichters hebben de omweg van de metaforen nodig om bepaalde onderwerpen aan te snijden”, geeft Van den Broeck grif toe.

Eerst was er een woord: ‘aarduitwrijvingen’, dat ook de titel is geworden. “Het verwijst naar de kunstwerken van de Nederlander Herman de Vries, intussen negentig jaar en nu een kluizenaar in een Duits bos. Sinds 1976 verzamelt hij fanatiek aardstalen uit de hele wereld en wrijft die vervolgens uit op doek of op papier. Zo krijg je een enorm palet van aardtinten die bijna bewerkt lijken, alsof er pigment mee gemengd is. Allemaal zuivere aarde: er is niets aan toegevoegd.”

Bevingen

een halve granaatappel in je handen breken

waar is het mes

in de schoot wrikt de pit uit de taaie celwand

de vrouw uit het trekvaste vel

en de vrucht

lipbloemig, warmbloedig zingt

zichzelf in bevingen open

Uit: Aarduitwrijvingen

Maar waarom intrigeerde u dat zo?

“Omdat het materiaal en het kunstwerk bij De Vries compleet samenvallen. Verzamelen, uitwrijven én klaar. Voor mij betekende het een symbolische opdracht om weer onbevangen en zuiver naar poëzie én naar de natuur te kijken. Want ik ben altijd weer de onderzoeker, de interpretator, de analist. Ik wilde mezelf resetten, weer ademruimte creëren.”

Aarduitwrijvingen is mee gevoed door een samenwerkingsproject met filmmaker Jana Coorevits, die het verband tussen landschap en (het vrouwelijk) lichaam verkent. In het desolate Death Valley maakte zij filmopnames en foto’s die Van den Broeck prikkelden. ‘Naast haar biologische en geologische rijkdom heeft Death Valley immers een belangrijke symbolische connotatie: de dode vallei’, schrijft Coorevits in een begeleidende tekst. ‘Wat vruchtbaar moet zijn en bloeien, is gekwetst en onherbergzaam geworden.’

Van den Broeck toont mij op haar laptop het omslag van Aarduitwrijvingen, afgeleid van een foto van Coorevits. We zien een glooiende zandheuvel, of is het eerder een kloof? Maar wie de achterzijde en voorzijde openklapt, ziet heel duidelijk een vrouwelijk lichaam uit het landschap opdoemen. “Ik wilde aan de slag met een ouderwets binair denkkader: de gelijkschakeling van het vrouwelijk lichaam met het natuurlijke, als tegenpool van de man als cultuurdrager in de openbare ruimte. Een heel gedateerd en reductionistisch idee, natuurlijk, dat op meer onzichtbare, geniepige manieren vandaag toch nog sterk doorwerkt. Anderzijds zijn er vooringenomenheden over matriarchale culturen: de krachtige, zuivere vrouw die leven voortbrengt. Is de vrouw dan toch machtiger én dichter bij de natuur?”

Mogen we zeggen dat deze bundel in een hernieuwd denken over vrouwelijkheid en feminisme past?

“Ja, dat mag. Al is het geen uitgesproken activistische bundel. Wél gaat het over oeroude vrouwelijkheidsbeelden en stereotypen, erotiek, lijfelijke autonomie en seksueel geweld. Thema’s die steeds terugkeren in feministisch denken.

“De cijfers over seksueel geweld zijn hallucinant. Het is een universele dreiging voor meisjes en vrouwen, maar zeker ook voor personen uit de lgbtq-gemeenschap, en ook voor mannen, zowel in de openbare ruimte als thuis. Als ik met vriendinnen praat, heeft nagenoeg iedereen hiermee ervaringen gehad. Die gaan van straatintimidatie tot extremere vormen. Misschien is er een groter juridisch draagvlak om erover te praten, maar nog steeds worden vrouwen moeilijk geloofd.”

'Er is een sterke trend van ecokritiek in de dichtkunst van de afgelopen twee jaar. Ik had niet de intentie om me daar expliciet achter te scharen.' Beeld © Stefaan Temmerman
'Er is een sterke trend van ecokritiek in de dichtkunst van de afgelopen twee jaar. Ik had niet de intentie om me daar expliciet achter te scharen.'Beeld © Stefaan Temmerman

Gaat het u beleidsmatig te traag?

“Ja. Er is een klimaatbewustzijn, maar de daden blijven te lang uit. Hetzelfde rond feminisme en #MeToo. Er is een draagvlak, maar het gaat allemaal heel moeizaam. Ik las onlangs De jaren van Annie Ernaux. De schellen vielen me van de ogen. Daar schrijft ze over de jaren 1960 waarin de pil breed emancipatorisch beschikbaar was voor vrouwen. Maar die mentaliteitsverandering had heel wat voeten in de aarde. Voor de generatie van mijn moeder was de pil een verworvenheid. Intussen weten we meer over de gezondheidsrisico’s én zaken als libidoverlies. Het was ook vanzelfsprekend dat je als meisje aan de pil ging en de man dat niet hoefde mee te betalen. Maar waarom moet de vrouw de pil betalen? De partner heeft er ook voordeel van. Hetzelfde met de inspuiting tegen het papillomavirus. Daar zijn onbezonnen dingen mee gebeurd. Waarom hebben we daar niet meer informatie over gekregen?”

In Kameleon schreef u over ‘de hoofse paringsdans van flamingo’s’. Hier stuiten we op een heftig lang gedicht over seks tussen roodwangschildpadden, ‘Aan de parkvijver’. Een gedicht over consent?

“Ik gebruik inderdaad de omweg van de dierenwereld om iets te vertellen over wederzijdse toestemming. Ik beken dat ik veel schildpaddenporno heb bekeken. (lacht) Parende schildpadden zijn hallucinant. Als je een natuurdocumentaire bekijkt, merk je dat het er in de dierenwereld soms agressief aan toegaat. Maar bij dieren denken we aan instinct. Evengoed kun je daar vragen over toestemming stellen, maar we keuren het goed vanuit biologische argumenten, namelijk de voortplanting.”

Waarom kwam u precies bij die schildpadden uit?

“Roodwangschildpadden zijn eigenlijk bestemd voor een aquarium, maar mensen deponeren ze weleens in een park wanneer ze ze beu zijn. Daardoor duiken ze bij ons in het wild op. Ze hebben een monsterlijk geslacht dat opzwelt uit de onderbuik. Heel bizar voor zo’n onschuldig ogend diertje. Bij de vrouw betekent een kleine rode vlek op de wang dan weer de start van een verleidingsritueel. Ik ben seksueel beschikbaar, dat is het signaal. En dat heeft verregaande gevolgen. Het mannetje ziet dat als een ja, als toestemming. In het gedicht ontaardt het in een achtervolging én een verkrachting. Want ís het een ja?

“Ik heb dit gedicht geschreven om seksueel geweld aan te kaarten. Vrouwen die moeten opletten dat ze zich niet te veel opdoffen of verkeerde signalen uitsturen én daar de gevolgen van dragen. Of op straat worden nagefloten. Als het mij overkomt – onlangs nog in Brussel – leg ik meestal in een flits, in een eerste reactie, de schuld bij mezelf. Je verstijft, je voelt schaamte. Nog maar sinds enkele jaren ben ik me hier bewust van. Hallucinant hoe automatisch die reactie zit ingebakken. Terwijl de mannen die er zich schuldig aan maken hun gedrag moeten aanpassen.”

Naast vrouwelijke kwetsuren wordt er in Aarduitwrijvingen ook duchtig nagedacht over de verstoorde relatie tussen mens en natuur. Baart u dat evenveel zorgen?

“Absoluut. Zo zit de klimaatcrisis en de manier waarop ermee omgegaan wordt, me heel hoog. En onze verstoorde relatie is er niet alleen op institutioneel vlak. Maar ook hoe wij onszelf verhouden tot de natuur. Alsof het een soort decor voor onszelf is.”

Alsof de natuur geheel ten dienste van ons staat?

“Ja, we gaan wandelen om onze burn-outs te verijdelen en terug tot onszelf te komen. We vervuilen de wereld om landschappen te bereizen en onszelf te ontplooien, ervaringen op te doen. Een woestijnlandschap bijvoorbeeld, zoals in de eerste gedichten in mijn bundel, wordt al te vaak een canvas voor innerlijke projecties. Als we foto’s nemen, dan plaatsen we onszelf midden in het landschap. Zo zie je dat de connectie met natuur en landschap heel doelmatig is geworden, zeker tijdens het reizen. Ik wil in deze gedichten naar het landschap zelf kijken en de beelden die we er aan opdringen ontmantelen.

“Er is overigens een sterke trend van ecokritiek in de dichtkunst van de afgelopen twee jaar. Ik had niet de intentie om me daar expliciet achter te scharen. Maar via die kwetsuren in het landschap kwam ik er dan toch bij uit. Vandaar dat de plasticsoep en de protesten tegen de soja­industrie in het Amazonewoud alsnog een plaats kregen.”

We hebben nu een heleboel thema’s opgelijst. Maar hoe bewaarde u die vooraf zo geambieerde spontaneïteit?

“Het is niet zo dat je aan een dichtbundel begint en denkt: aha, die thema’s wil ik er nu zeker in stoppen. Poëzie is veel intuïtiever en avontuurlijker. Mijn essaybundel Waagstukken was letterlijk avontuurlijk, ik heb er veel voor gereisd. Maar het schrijven was straightforward. Stilistisch heel boeiend en onderzoekend, maar je inhoud ligt er wél. Dat scheelt.”

Charlotte Van den Broeck praat graag over haar metier. Met aanstekelijk plezier krijg je er een uurtje poëzieles bovenop. Over hoe een gedicht tot stand komt. Over de finesses van het schrijfproces. En over hoe ze als zelfverklaard perfectioniste soms moeilijk een gedicht kan loslaten.

“Ik heb het gevoel dat ik minder goed werk maak als ik me niet uitput”, vertelde ze vorig jaar nog in een interview. “Ik moet tijdens het schrijven in een soort ascese leven. Ik moet alles gegeven hebben. Voor goed werk moet je een offer brengen.” Maar nu relativeert ze die uitspraak. “Ik ben erg kritisch voor mezelf, ja. En ik zal dat altijd blijven. Maar ik heb meer zelfvertrouwen gekregen. Mijn schrijfproces is dit keer veel milder verlopen. En gelukkig maar, dat was totaal onleefbaar voor mij en mijn omgeving. Ik moest mezelf minder bewijzen. Ik ben ook beginnen sporten, zodat ik minder verkrampt aan mijn werktafel zat. Waarom had ik dat niet eerder bedacht?”

null Beeld © Stefaan Temmerman
Beeld © Stefaan Temmerman

Wanneer beschouwt u een gedicht als geslaagd?

“Voor mij is een eerste regel, de eerste klank uiterst belangrijk. Die eerste regel moet inslijten in het papier. Zodra dat het geval is, kan ik verder. Dan beitelt het gedicht zich beeld voor beeld uit, vaak ook intuïtief. Klanken roepen van alles op, een versmaat, ritme, metrum... Tot je uiteindelijk begint te herwerken en bepaalde gedichten weer strakker of losser maakt. Ten tijde van Kameleon ging ik bijna obsessief te werk. Ik was vooruit aan het razen, zonder controle. Nu heb ik veel meer beheersing. Hoewel, ik had wel drie bundels Aarduitwrijvingen kunnen schrijven, ik was er nog lang niet mee klaar.”

Mag ik uw poëzie veeleisend noemen maar toch niet ontoegankelijk? En hoe waakt u daarover?

“Ik was al bang dat je het woord ‘hermetisch’ ging gebruiken. (lacht) Ik neem me altijd voor dat je mijn dichtregels en de verzen voor je ogen moet kunnen zien. En als ik dat zelf al niet zou kunnen, hoe de lezer dan wel? Daarom vertrek ik vaak van zintuiglijke prikkels: iedereen heeft tenslotte zintuigen. Iedereen kan iets ruiken, iets voelen, iets proeven. Dat is altijd mijn eerste brug. Zintuiglijkheid is de toegangspoort tot mijn poëzie.”

“Ken je de queer theoretica Eve Kosofsky Sedg­wick?”, vraagt Van den Broeck. “Ik ben onlangs helemaal omvergeblazen door een essay van haar. Daardoor besefte ik dat ik mijn soms te analytische ingesteldheid moet laten varen. Ze schreef dat we zijn doorgeslagen in een vorm van paranoid reading. We lezen iets en we gaan voortdurend in de werkelijkheid achter de werkelijkheid graven. En als je dat doet, kom je al snel uit bij de vreemdste theorieën. Toen ik haar essay in volle coronatijd las, moest ik natuurlijk meteen denken aan de achterdocht van antivaxers en complottheorieën over 5G. We gaan op een bijna paranoïde manier met kennisoverlevering om. Kosofsky Sedgwick heeft daar een remedie tegen. Door bewust zaken als associatie, gevoel, meerduidigheid toe te laten in het kennisproces.”

Toch schuilt er veel research in uw werk, net als in Waagstukken. Daar gaat u toch behoorlijk ver in, hebt u al vaker gezegd.

“Ik ben altijd aan het studeren én bestuderen. Als ik een creosootstruik vernoem, wil ik daar alles over weten. Als ik Etruskische zanggodinnen aanhaal, verdiep ik me in hun vruchtbaarheidscultus. Ik zou me een bedrieger voelen mocht ik dat niet doen. Het voelt pas legitiem om over iets te schrijven als ik het uitentreuren bestudeerd heb. Pas dan kan ik het via taal terug tot leven wekken.”

Hoe gulzig Van den Broeck over haar schrijverschap praat, aan al te persoonlijke ontboezemingen heeft ze een broertje dood. “De dichter is de laatste jaren meer en meer als ‘figuur’ op de voorgrond gekomen, misschien omdat hij meer zichtbaarheid heeft op de podia? Ik heb het daar moeilijk mee. Bij de interviews bij Nachtroer ging het bijvoorbeeld alleen maar over die liefdesbreuk van destijds, terwijl in die bundel heel veel andere dingen zaten. Met dat al te drastisch herleiden tot het autobiografische moet je voorzichtig zijn.”

Ook over de recente dood van haar dichte vriend, de tekenaar Ward Zwart, die zichzelf het leven benam, spreekt ze met veel voorbehoud. In Aarduitwrijvingen staat een in memoriam voor hem. “Ik heb lang getwijfeld of ik het gedicht toch zou opnemen. Dit gedicht is me verzocht door Peter Verhelst, die het in Watou wilde aanbrengen, kort nadat Ward stierf. Je moet weten: ik heb Ward leren kennen in Watou, we hebben samen een muur gemaakt en geïllustreerd. Het leek me het enige zinvolle dat er kon gebeuren, dat een gedicht voor hem op die plek terugkeert. Nu bekijk ik het met iets meer afstand. En blijkt het wonderwel te passen in de bundel, omdat Ward ook erg begaan was met de natuurlijke wereld versus stedelijkheid, met dieren en met antropomorfismen.”

null Beeld rv
Beeld rv

Ga nu maar niet denken dat Van den Broeck een kluizenaar is. Ze komt graag onder de mensen, maar op haar voorwaarden. Ze houdt ervan om op het podium te staan. “Ik ben blij voor de grotere erkenning voor spoken word en poetryslam, lang scheef bekeken vanuit de dichtkunst. En ik heb die collectieve ervaring ook gemist door corona. Mensen die samen naar een gedicht luisteren, daar gaat zo’n kracht van uit. Je neemt poëzie letterlijk via je lichaam binnen.”

U gooit zichzelf binnenkort helemaal in het diepe met Arnon Grunberg in een dansvoorstelling. Jullie openden ooit samen de Frankfurter Buchmesse én bleven sindsdien corresponderen, begreep ik.

“Ja, ik ben zeer benieuwd. Arnon en ik gaan meedoen aan een choreografie – Microcosmos, heet het project – en stappen uit onze comfortzone. Hij vroeg me wat ik nooit zou durven ondernemen. En dat is dansen voor een publiek. Ik heb totáál geen ervaring met dansen. Ik vind het ook angstaanjagend dat je geen woord mag zeggen. Arnon heeft me daarin meegesleept, maar ik begin er heel veel zin in te krijgen.”

Uit een soort sadomasochistisch verlangen?

(lacht) “Wellicht. Maar ik ben heel erg een hoofdmens. Maar is de tegenstelling tussen lichaam en geest geen oeroude misvatting? Ons bewustzijn raakt vervreemd van de diepe wijsheid van het lichaam. Zoals de choreografe Nicole Beutler, die ons zal begeleiden, het stelt: ‘Danspasje voor danspasje treden zij uit het oververhitte hoofd, en in de microkosmos van het lichaam’. Spannend, alleszins. Er liggen al veertig voorstellingen vast in Nederland.”

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234