Maandag 21/10/2019

Joods Museum

Deze Hongaars-Joodse kunstenaars hadden wereldberoemd kunnen zijn

Lili Ország, De grote muur (Grote muur II), 1955. Beeld Antal-Lusztig Collection

Het was bij nader inzien tragisch: de keuze van Hongaars-Joodse kunstenaars om na de oorlog terug te keren naar Boedapest. Nu toont het Joods Historisch Museum de meesterwerken die wereldberoemd hadden kunnen zijn.

Het zelfportret dat de Hongaarse schilder Róbert Berény in 1907 maakte, doet antisemitisch aan. Berénys oren zijn groot, zijn neus geprononceerd, de wenkbrauwen gefronst, de ogen diabolisch geknepen, zijn lippen overdreven zuinig getuit. Berény portretreerde zichzelf in zijn atelier in een zwarte jas en met een idiote zwarte hoge hoed op - wie draagt thuis nu een hoge hoed? Berény steekt de draak met zichzelf en met de joodse identiteit. Het zelfportret is een persiflage op de opwaarts strevende Jood. Het is een meesterwerk en het is nu te zien in Amsterdam.

Berény is één van de negentien Hongaars-Joodse avantgardekunstenaars die in het Joods Historisch Museum geëxposeerd zijn en van wie vrijwel niemand ooit heeft gehoord. Ze werden geboren aan het einde van de 19de of begin van de 20ste eeuw. Hadden zij niet in isolement achter het IJzeren Gordijn geleefd, maar in Parijs of New York, dan waren enkelen van hen wereldberoemd geweest. Van de negentien is er één die niet in Boedapest werd geboren of er langere tijd heeft gewoond: László Moholy-Nagy. Hij is dan ook een van de weinigen van het stel die internationale roem vergaarde. Slechts enkelen keerden niet terug naar Boedapest: neem bijvoorbeeld de in Den Haag neergestreken Vilmos Huszár, bekend als mede-oprichter van de Nederlandse kunstbeweging De Stijl, met onder anderen Theo van Doesburg, Gerrit Rietveld en Piet Mondriaan.

Als je door je oogharen naar de schilderijen in het Joods Historisch Museum kijkt, dan weerspiegelen ze de positie van de Joden in Hongarije in de afgelopen eeuw. Het werk, van rond 1910, lijkt op dat van de impressionisten. Het is vrolijk, optimistisch, vol gewaagde kleuren, en de onderwerpen zijn onbekommerd: landschappen, parken, tuinen, naakten met titels als De tuin der Lusten. Het werk uit het interbellum is kubistischer, experimenteler, maar vooral onheilspellender. Het is afgelopen met de vrolijke kleuren. Na de Tweede Wereldoorlog is het werk abstracter, verstilder, monumentaler, somberder, statisch, naar binnengekeerd, met titels als Ontzetting. Ingetogen als een rouwproces. Nergens in de na-oorlogse werken wordt rechtstreeks verwezen naar de Holocaust. Pas in 1968, zestig jaar na het portret van Berény, dagen er referenties op aan het Joods-zijn.

Róbert Berény, Zelfportret met hoge hoed, 1907. Beeld RV

Goede Kameraad

Na de oorlog werd er in het Oostblok geen aandacht besteed aan de Holocaust; iedereen had geleden in de strijd tegen het fascisme en vóór de overwinning van het communisme dat de eeuwige heilstaat ging brengen. Er was geen plaats voor Joods lijden. Gedurende het communisme manifesteerde ieder verstandig mens zich als een proletariër en een goede Kameraad, je hield je afkomst voor jezelf, ook als jood. Sommigen kregen pas na de val van de Muur van hun ouders te horen dat ze Joods zijn.

Het merendeel van de negentien kunstenaars keerde tijdens of na de oorlog uit de hoofdsteden van Europa terug naar Boedapest, een stad waar de Pijlkruisers (de Hongaarse fascisten) in het laatste oorlogsjaar Joden vermoordden op een wijze die zelfs de Duitse SS te ver ging. De curator van de tentoonstelling, Radu Stern, noemt deze terugkeer de 'Judapest paradox'. Stern: 'Paradoxaal genoeg kozen de meeste overlevenden er na de oorlog voor om terug te keren naar Hongarije in plaats van te emigreren, zoals de Poolse en andere Joden, wat toont hoe complex de band tussen het land en zijn Joodse inwoners ondanks alles was.'

Die complexe verhouding vindt deels zijn oorsprong in de late 19de eeuw. In de periode 1867-1913 werden joden met open armen ontvangen in Hongarije. Het koninkrijk Hongarije, sinds het Compromis met Oostenrijk in 1867 semi-autonoom binnen de Habsburgse Dubbelmonarchie, werd bewoond door Hongaren, Kroaten, Roemenen, Serven, Schwaben, Saksen, Roethenen, Slowaken, zigeuners, Joden en kleinere minderheden. In 1880 beschouwde slechts 46,6 procent van de bevolking in Hongarije zichzelf als Hongaar.

Van de aanwezige minderheden was vrijwel niemand bereid Hongaar te worden, behalve de Joden. Dankzij joden die hun naam verhongariseerden, zich tot een christelijk geloof bekeerden en bereid waren volledig te assimileren steeg het percentage Hongaren in 1900 naar 51,5 procent.

Het multi-etnische Habsburgse Rijk

Nadat Hongarije aan het eind van de Eerste Wereldoorlog door de winnaars buitensporig en stompzinnig gestraft was bij het Verdag van Trianon en tweederde van zijn grondgebied aan omringende landen werd toegekend was het feest over. Voor de Hongaren én voor de Joden. Het grote Hongarije waar een mengeling van volkeren leefde werd met het vredesverdrag geamputeerd en teruggebracht tot één volksstaat. Het multi-etnische, multi-religieuze Habsburgse Rijk werd verkruimeld door de geallieerden.

Aan alle kanten werden stukken Hongarije uitgedeeld: de Slowaken kregen hun eigen Slowakije, al het land waar ook maar één Roemeen woonde werd aan Roemenië toegekend. Van Hongarije bleef een treurig hompje over. De vernedering van het Verdrag van Trianon frustreerde de Hongaren, de Joden waren niet langer nodig om een meerderheid te vormen. In 1920 werd de eerste anti-Joodse wet aangenomen: een numerus clausus bij de universiteiten, waarmee het aantal Joodse studenten werd begrensd.

Teruggaand naar het persiflerende zelfportret dat Róbert Berény in 1907 maakte: dat had bijna alleen gemaakt kunnen worden toen de Hongaarse Joden zich nog beschermd voelden, toen de multi-etnische, multi-religieuze Oostenrijks-Hongaarse Dubbelmonarchie nog duizend jaar leek te gaan voortbestaan. Met het Compromis in 1867 hadden alle inwoners van Oostenrijk-Hongarije gelijke politieke en wettelijke rechten gekregen, inclusief de Joden.

Koffiehuiscultuur

Wenen en Boedapest trokken daardoor vanaf 1867 grote aantallen joden uit de wijde omgeving aan. Beide steden, met degelijke scholen, goede universiteiten, een koffiehuiscultuur en ontzag voor wetenschap en de kunsten, beleefden begin 20ste eeuw die onwaarschijnlijke en jaloersmakende opeenhoping van talent en uitbarsting van creativiteit die zich nu en dan in de geschiedenis op één plek voordoet. Een niet onbelangrijk deel van het verzamelde genie was van Joodse komaf met in Wenen filosoof Ludwig Wittgenstein, natuurkundige Albert Einstein, psycholoog Sigmund Freud, schrijvers Stefan Zweig, Joseph Roth en Elias Canetti en in Boedapest wiskundige John von Neumann, schrijvers Antal Szerb en Arthur Koestler, fotograaf Robert Capa, schilders Béla Kádár en Hugo Scheiber.

Hugó Scheiber, In de tram, 1925. Privécollectie, dankzij de bemiddeling van Kieselbach Gallery - Boedapest Beeld RV - Hugó Scheiber, In de tram, 1925. Privécollectie, dankzij de bemiddeling van Kieselbach Gallery - Boedapest

Op New York na was Boedapest tussen 1867 en 1913 de snelst groeiende stad ter wereld, mede dankzij de dynamiek en ondernemingszin van de Joden. Karl Lueger, de anti-semitische burgemeester van Wenen, die overigens een nog grotere hekel had aan Hongaren dan aan joden, bestempelde de stad tot 'Judapest'. In 1910 was 23 procent van de inwoners van Boedapest Joods, de meesten arm, maar enkele industriële families behoorden tot de vermogendste in het koninkrijk. De Habsburgse keizers adelden in de bloeiperiode voor de Eerste Wereldoorlog 120 Hongaarse Joodse families. Dat is ongekend in Europa: in Engeland en Frankrijk is een enkele Joodse familie geadeld. In Nederland zijn de afgelopen vijfhonderd jaar welgeteld drie sefardische families bij de adel ingelijfd. Ook vonden er huwelijken plaats tussen de Hongaarse aristocratie en de Joodse geldadel, het ultieme bewijs van integratie.

Namen verhongariseren

Na WO I en de blunder van het Verdrag van Trianon kwam admiraal Horthy aan de macht. Hij ging een weifelend bondgenootschap aan met nazi-Duitsland. Tussen 1938 en 1944 werden 22 anti-Joodse wetten aangenomen, waarvan de Derde Joodse Wet in 1941 huwelijken tussen christenen en joden verbood. Toch bleef Hongarije in de oorlog lange tijd, ondanks de anti-Joodse wetten, veiliger dan de omringende landen en een toevluchtsoord voor Joden. Uit Polen, Oekraïne en Roemenië stroomden ze toe.

Maar toen Horthy te zeer weifelde werd op 19 maart 1944, op de Joodse feestdag Poerim, Hongarije door de nazi's bezet. Tussen 15 mei en 9 juli 1944 werden 440.000 in Hongarije buiten Boedapest wonende Joden door Hongaarse gendarmerie onder leiding van de SS verzameld en op transport naar Auschwitz-Birkenau gezet. Eichmann schreef dat de deportatie van Hongaarse joden verliep 'als een droom'. Zeer weinigen keerden terug. De Boedapester joden zouden daarna aan de beurt zijn voor vernietiging, maar de nazi's kwamen daar niet aan toe. Roemenië koos op de valreep de kant van de geallieerden, de Russen rukten sneller op dan verwacht.

László Moholy-Nagy, Hongaars landschap, 1918. Gemeentemuseum Den Haag Beeld RV - László Moholy-Nagy, Hongaars landschap, 1918. Gemeentemuseum Den Haag

De negentien kunstenaars wier werk te zien is in het Joods Historisch Museum in Amsterdam, kwamen bijna allen uit de hoofdstad. Ze groeiden op in de onbekommerde, stabiele tijd van goede opleidingen en grote mogelijkheden van de Habsburgse Dubbelmonarchie. Ze verhongariseerden in de meeste gevallen hun naam (Berény werd geboren als Bakofen, Moholy-Nagy als Weisz, Huszár als Herz), ze groeiden op in niet-religieuze families en waren voorbeelden van assimilatie.

In de anti-semitische jaren dertig trokken velen van hen naar het buitenland (Parijs, Berlijn, Zürich) en kwamen daar in aanraking met nieuwe kunststromingen. En na de oorlog - de Judapest Paradox - keerden vijftien van de negentien terug naar Boedapest.

Van fauvisme tot surrealisme, avant-garde kunstenaars uit Hongarije. Joods Historisch Museum, Amsterdam, nog tot 24/9, jck.nl

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met De Morgen?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van De Morgen rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234