Donderdag 17/10/2019

Interview

Delphine Lecompte: “Waar komt die poëzie toch vandaan, vraagt mijn moeder zich af. We zijn toch nooit incestueus geweest?”

Delphine Lecompte in het huis van haar 85-jarige levensgezel Omer, een vaste hoofdrolspeler in haar poëzie. Beeld Eric De Mildt

Tien jaar geleden zette Delphine Lecompte (40) met haar baldadige gedichten de poëziewereld op zijn kop. Nu krijgt ze, als een echte popster, een ‘best of’. Maar nog steeds ligt ze overhoop met haar twijfels en angsten. Een gesprek over de genitaliën van haar moeder, haar poëzie- en drankverslaving én de troost van de plompe lori.

Het is onaards stil in het huis van de oude kruisboogschutter. Omer, de 85-jarige levensgezel van Delphine Lecompte en vaste hoofdrolspeler in haar poëzie, vertoont zich niet. Toch dwingt de massieve ornamentiek van zijn woonkamer ontzag af. “Ik spreek liever hier af”, zegt Lecompte. “In mijn huis verderop is het te koud.”

Frêle maar flink, gehuld in een gestreepte marinetrui met schouderknopen, kijkt de dichteres me afwachtend aan. Er ontsnapt haar een zenuwachtig, haast verontschuldigend lachje. Het roffelt door de ruimte, ze zal er haar hele meanderende exposé mee doorspekken. “Momenteel ben ik weer totaal bezeten van de poëzie”, begint ze. “Soms schrijf ik vier à vijf gedichten per dag. Dat bezorgt me een grote, raadselachtige vreugde. Eigenlijk de enige vreugde in mijn leven. Mag ik daar blij om zijn? Want sommige mensen hebben een volledig vreugdeloos bestaan.”

De toon is gezet. Delphine Lecompte werpt haar toewijding aan poëzie meteen op tafel. ‘Haar demonen kooien’, zo omschrijft ze het. “Maar ik ben geen psychiatrische patiënt die het dichterschap gebruikt om te genezen. Het gaat mij om de literatuur.”

Hartverscheurende keuzes

Tussen ons in ligt The Best of Delphine Lecompte te blinken. Op de feloranje cover staart ze met priemende oogjes de lezer aan vanonder haar karakteristieke korte carrékapsel. De verzamelbundel is de reden van mijn komst naar dit huis in Brugge, gelegen – je gelooft het niet – vlak bij de Schrijversstraat.

“Het boek is een idee van uitgever De Bezige Bij om mij te fêteren en me royaal te laten putten uit tien jaar dichterschap”, vertelt Lecompte, die zonet ook is vereeuwigd in een kortfilm van Jess De Gruyter. “Mijn fans hoeven nu niet meer alle bundels in huis te halen. (lacht) Ik wilde het alleen op voorwaarde dat ik in 2019 weer nieuw werk mocht uitbrengen. De selectie stelde me voor hartverscheurende keuzes, goed voor ettelijke slapeloze nachten. Ik merk nu toch dat er een paar lievelingsgedichten ontbreken. Ik heb wel extra dieren toegevoegd, mangoesten en vioolspinnen bijvoorbeeld, of een te lelijk adjectief verwijderd.”

God in de wasserette
(fragment)

Ik kom God tegen in de wasserette, hij ziet er verfomfaaid uit
Hij staart wezenloos naar zijn tuimelende overhemden
En nog wezenlozer naar zijn buitelende sokken
Een broek draagt God niet, zijn geslacht ziet er ongebruikt uit
Ik vraag God of hij mij 20 cent kan lenen voor een pakje wasverzachter

Hij geeft mij 20 cent en onder mijn voeten omdat ik gisteren heb gedronken
En de collectie gefossiliseerde boktorren van een argeloze vogelwichelaar heb
  Verdonkeremaand
Ontkennen heeft geen zin, berouw voorwenden evenmin
God leest mij als een Zuid-Afrikaans telefoonboek, als braille op mijn angstremmers, als bloed
Terwijl mijn kleren zacht worden vertel ik God over mijn problematische relatie met de oude
  Kruisboogschutter

(uit Western (2017); ook opgenomen in The Best Of Delphine Lecompte)

Honderdtien gedichten haalden de ballotage. Het zijn verbijsterende taalacrobatieën uit een universum vol waanzin, woede en gekte. Ze wemelen van de troostrijke dieren en merkwaardige beroepsgroepen als incestueuze imkers, morose windhondenfokkers, semianalfabete jongenshoeren, blasfemische horlogemakers of pedofiele tuinmannen. Compromisloze poëzie die zowel doet lachen als huilen. Soms met een religieuze ondertoon. “Er zit veel boetedoening en zelfkastijding in mijn poëzie. Ik raak niet zomaar los van mijn katholieke opvoeding. Altijd weer ben ik op zoek naar devotie of poog ik met God te communiceren, bijvoorbeeld via schilderijen van Fra Angelico of Titiaan.”

Duivels plezier

Nog veel aanweziger zijn de ‘stugge deerniswekkende ontoereikende vaderfiguren en de krachtige theatrale manipulatieve narcistische moeder’, zoals Lecompte het in haar voorwoord poneert. “Mijn moeder duikt altijd op als een mannenverslindster die naar het buitenland vlucht en nieuwe levens opzoekt”, verduidelijkt ze. “Ze is een hele pittige, intelligente figuur. Maar ze had beter geen kinderen op de wereld gezet. Mijn vader is dan weer de drankzuchtige, liedjestekstenschrijvende dwerg. Hij leest mijn gedichten niet, gelukkig! Mijn moeder wél en ze vindt dat niet altijd even prettig.

“Ze blijft mijn obsessie. Onlangs schreef ik in het magazine 
Het liegend konijn een hele cyclus over haar genitaliën. Een collega had haar de gedichten getoond. Ze kon ze maar matig appreciëren. ‘Waar komt dat vandaan?’, vroeg ze me. ‘We zijn toch nooit incestueus geweest?’ Lecompte schatert het uit. Ze schept een duivels plezier in het zaaien van verwarring. “Het wordt nog veel erger”, belooft ze. “Ik ben nu gedichten aan het schrijven die zo pervers, pijnlijk en rauw zijn dat ik ze nooit op een podium zal durven voor te dragen. Alle luchtigheid is foetsie, net als elke flauwe woordspeling.”

‘Mijn vader leest mijn gedichten niet, gelukkig! Mijn moeder wél en ze vindt dat niet altijd even prettig.’ Beeld Eric De Mildt

Je gaat er prat op een hoogst productieve dichteres te zijn. Alsof het voortdurend vonkt in je hoofd.

“Het vonkt ook bijna altijd! In alles kan een aanleiding schuilen: soms een akelige ontmoeting die ik wil bezweren, dan weer iets grappigs. Of een dierendocumentaire. Ken je de plompe lori? Dat is een giftig nachtdier dat om zich te verdedigen gif uit zijn oksels haalt. Wanneer een mens een steek krijgt, ondergaat hij een anafylactische schok. Het aapachtige beest oogt schattig en men probeert het zelfs als huisdier te houden. Voor zo’n dier koester ik sympathie. Want in elke mens zit een beul, maar in geen enkel dier schuilt een sadist.”

Bij het herlezen van je gedichten valt me weer op hoe sterk ze balanceren op de rand van het proza. Het zijn soms regelrechte miniverhalen.

“Dat klopt. Maar toch geeft poëzie me een vrijheid die ik in proza niet aantref. Je kunt plots zinnen afbreken en nonsens invoegen. Ik schrijf wel af en toe verhalen – mijn eerste Engelse uitgave Kittens in the Boiler (2005) was proza – maar mijn huidige uitgever drong nooit aan op nieuwe. Harold Polis, destijds mijn uitgever bij De Bezige Bij Antwerpen, vroeg er wel eens naar. Hij heeft me geleerd dapper en ambitieus te zijn. En dat een dichtbundel meer dan veertig bladzijden mag tellen.”

Poëzie moet bij jou altijd schuren en derangeren?

“Ik hou niet van kneuterige, troostende gedichten. Wel van huiveringwekkende bekentenissen, lugubere verdraaiingen of macabere schemer­toestanden. Troost zoeken in poëzie is een vorm van intellectuele luiheid. Als ik getroost wil worden, zal ik wel een glas rum drinken, onder een dekentje kruipen en naar foto’s van schattige diertjes kijken. Poëzie wordt te vaak geassocieerd met grote, plechtige momenten.”

Aan een poëtica heb je ook al volstrekt lak. Je hebt weleens beweerd dat jouw poëtica niet meer dan ‘een kapotte boiler’ is.

“Dichters met een stramme, rigide poëtica vind ik onmiddellijk verdacht en onsympathiek. Soms hoor ik dichters met slechts één bundel pronken met hun poëtica. Kom zeg, hou op! Ik hou meer van instinctieve, primitieve stemmen die wild om zich heen slaan en alle conventies met voeten treden. Daarom word ik zelf ook in een hoekje geduwd: ‘Dat eigenaardige vrouwtje, dat vreemde fenomeen.’ Maar ik heb dat imago nooit geambieerd of gecultiveerd.”

Misschien omdat de rest van de dichtersclub voorspelbaar en kreukvrij is?

“Ik schop nooit zomaar tegen schenen. Als ik het woord ‘fellatio’ gebruik in mijn poëzie, dan is dat puur omdat ik denk dat mijn gedicht er beter van wordt. Niet om bewust te choqueren.”

Het is ook een mooi woord. Maar zoals er in Western te lezen stond: ‘In mijn gedichten staat alles, maar iedereen leest dezelfde kleine gortigheid.’

“Ik schrijf nu eenmaal smerige, expliciete gedichten vol seksuele handelingen. Waarom? Omdat het naargeestige me aantrekt, omdat ik van Jean Genet hou, of van Anne Sexton... Ik ben nog nooit te goor bevonden. En als ze me zouden willen censureren, dan zou ik geneigd zijn er nog een schepje bovenop te doen. (proest het uit)

“Geweld, wraak, seks en verknipte ouders zijn uiterst dankbare thema’s. Ik heb tenslotte veel geweld meegemaakt, ik was een angstig kind én er zijn veel dingen misgelopen. In mijn gedichten wil ik mijn demonen kooien. Pas als ik aan het schrijven ben, voel ik me ergens bevrijd en gelukkig.”

Maar dat biedt slechts tijdelijk soelaas?

“Ja, daarna moet ik mijn heil zoeken in de fles of in iets zelfdestructiefs. Ik ben al een aantal jaren behoorlijk drankzuchtig.”

Drink je tijdens het schrijven?

“Nee, maar ik merk dat ik uitstekend schrijf als ik opgescheept zit met een onwaarschijnlijke, totaal paranoïde kater. Ik zit dan klappertandend van angst aan mijn werktafel, verlangend naar dat eerste glas. Als ik niet drink, voel ik me mat, moedeloos en zonder geestdrift. Ik drink vooral wijn. Maar zoals je ziet, ben ik mager. Dus de alcohol stijgt ook snel naar mijn hoofd.”

Beeld Eric De Mildt

Nooit overwogen om te stoppen met drinken? In je poëzie leg je net een groot zelfinzicht aan de dag. Daar ben je nooit bang om in eigen vlees te snijden.

“Ik besef dat het ooit moet ophouden. Ik zal altijd méér moeten drinken om hetzelfde effect te bereiken. Af en toe probeer ik een poos de fles te ontlopen. Maar dat zijn lange, vreugdeloze, ellendige dagen.

“Het is bijna ondenkbaar, maar soms wil ik mijn leven omgooien. Naar Lapland of naar de jungle gaan, naar zo mensloos mogelijke plekken. (giechelt) Ik verlang naar een gezonder leven. Met drank laveer je tussen diepe wanhoop en gênante, morsige toestanden. Je klampt je vast aan andere mensen die dan zogezegd redding moeten brengen. Dat gebeurt natuurlijk niet.”

In het voorwoord van The Best of Delphine Lecompte schrijf je nochtans over de toekomst: “Elke dag de complete overgave, de strenge zelfdiscipline, de ascetische toewijding.”

“Ja, ik weet het... Ik schrijf van ’s morgens tot ’s avonds gedichten. Als ik elk jaar een bundel publiceer, dan is dat eigenlijk nog een belachelijk lage productie. Tegelijk zijn drankzucht, angsten en complete ontreddering een weldaad voor mijn gedichten. Ik heb ook geen kinderen, ik woon alleen en heb geen werk. Ik kan met mijn poëzie hooguit de huur en mijn eten betalen. En hopelijk volgende maand opnieuw.”

Je werkte ooit als winkelrekkenvuller bij Carrefour, bejaardenverzorgster en verpleegkundige. Wat als je uit noodzaak weer het beroepsleven in moet?

“Dat is haast onmogelijk. Als werknemer kun je het je niet permitteren om angstaanvallen te krijgen of Xanax te slikken. Terwijl de kunst wel een vrijplaats is: daar mag je nog volop raar zijn. Daarom sta ik huiverachtig tegenover dichters die er te degelijk of ‘aangepast’ uitzien. Neen, poëten moeten gekweld zijn én verwrongen.”

Misschien eens een subsidie bij het Vlaams Fonds voor de Letteren (VFL) aanvragen?

“Dat is nog zoiets. Er zit een weerstand in mij om die papieren in te vullen. Het is goed dat het VFL bestaat, natuurlijk. Maar ik denk altijd dat het Letterenfonds me zal chanteren als ik een beurs zou ontvangen én me gaat opleggen wat ik moet schrijven. Wat natuurlijk onzin is. Maar krijg het maar eens uit mijn hoofd!

“Ach, ik pak het niet goed aan. Ik heb ook problemen gehad met de RVA over de inkomsten van mijn voordrachten. Ik weet niet eens wat mijn statuut is. Ik vind het gewoon rotvervelend om met administratie bezig te zijn. Maar in je winterjas thuis zitten om de verwarming uit te sparen, dat is ook niet goed. Voor je het weet ga je de Jean-Marie Berckmans-toer op.”

Daarnet zei je wel: ik wil ooit mijn leven omgooien.

“Ik wil alleszins meer comfort in mijn leven. Maar helaas, slechts voor het schrijven heb ik een zeker talent. In het dagelijks leven ben ik een totale sukkel. Atijd weer is er die drang om mijn eigen geluk of succes te saboteren. Zo is er buitenlandse interesse voor mijn poëzie. Maar wat levert het me op, om pakweg een Finse poëzie-­uitgever te ontmoeten? Als die mensen me zien, dan denken ze: oei, zo’n vreemd scharminkel! Die gaan we maar niet uitgeven. Bij zulke ontmoetingen ben ik aarzelend en doodverlegen.”

Tijdens optredens wordt er veel gelachen met je poëzie. Mag dat? Zie je dat als een compliment?

“Ja, het mag zeker. Ik betrap mezelf er ook op dat ik vooral gedichten voordraag die op de lach mikken. Op een podium word ik behaagzuchtig, niet te doen! Ah, ze lachen, oh ja... Ik wil ze nog méér doen lachen. Ze bulderen van het lachen! Applaus! Ik krijg er maar niet genoeg van. Achteraf zijn er mensen die me komen zeggen: ‘We hebben zoveel zitten lachen. Maar het is ook zo diep schrijnend en tragisch.’ Nochtans zijn die komische gedichten slechts vijf procent van mijn productie. Ik spaar de schrijnendste op. Na een geestige voordracht kopen de mensen dan een bundel en komen ze bedrogen uit. En dan schaam ik me. Dan vraag ik me af waarvoor ik me heb staan uitsloven en belachelijk maken. Ooit zal er wel iemand opstaan die geestiger en jonger is dan ik, zeker?”

Kortom, je koestert een haat-liefderelatie met het podium?

“Het liefst zit ik achter mijn schrijftafel. Optredens brengen me uit evenwicht en veroorzaken gespannenheid, ook omdat reizen problematisch is. Toch doe ik het ergens ook graag. Volgend jaar ga ik zelfs op tournee met Saint-Amour. Eind september was ik te gast op de Nacht van de Poëzie in Utrecht. En dan raak je in een roes. De lezers komen naar me toe en zijn vriendelijk. Dan wil ik dat ze me adopteren en me meenemen naar hun huis. Geef toe, een zeer abnormale manier van reageren op lezers! (lacht) Het contact met andere schrijvers is ook altijd opslorpend en gecompliceerd. Al die collega-auteurs vechten met hun demonen en zijn extreem verlegen. Echt ingewikkeld. En als de drank er nog bij komt, gaat het helemaal mis. Daarna ben ik dus pijnlijk gecrasht.”

Toch maar binnenblijven dus?

“Altijd in je eigen cocon zitten is geen goed idee, besef ik steeds meer. Ik geniet vaker van vriendschappen dan een paar jaar geleden. Ik kan moeilijker alleen zijn. Maar ik ben ook minder wantrouwig en minder kwaad op de wereld. Vroeger was ik echt paranoïde. Bang ook voor collega-dichters. Ik dacht dat ze me niet voldoende apprecieerden of me mijn succes misgunden. Na een poëzievoordracht zonderde ik me af. Niet uit vijandigheid maar uit onwennigheid. Zoiets versterkt dan je eigenaardige imago.”

Nooit bevreesd dat je dichtader dichtslibt en je universum ‘opgesoupeerd’ raakt?

“Af en toe slaat de ontmoediging toe en gaat het stroever. Maar er valt nog zoveel te ontginnen. En bovendien: is het zo erg om variaties op steeds hetzelfde gedicht te schrijven? Mijn lievelingskunstenaars Ensor en Picasso hebben toch ook maar een of twee terugkerende thema’s?”

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met De Morgen?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van De Morgen rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234